Kabinetscrisis / Wie breekt betaalt –maar lang niet altijd

D66 hoeft zijn breuk met het kabinet niet te bekopen met een slechte verkiezingsuitslag. De geschiedenis wijst uit dat zo’n optreden ook stemmen kan opleveren.

Als we de goegemeente in Den Haag moeten geloven, zal D66 door zijn recente parlementaire optreden dat leidde tot de val van het tweede kabinet-Balkenende, al bij de komende verkiezingen worden gemarginaliseerd. Wie breekt, betaalt immers de electorale rekening. Het verband tussen politieke crises, wat de val van een kabinet toch is, en de uitslag van een verkiezing is echter niet zo zwart-wit. Wie breekt, betaalt soms. Maar soms ook niet.

Een wetmatigheid laat zich het beste toetsen door de werkelijkheid te bestuderen. De politieke werkelijkheid van kabinetscrises blijkt grillig en complex. De vele crises die Nederlandse regeringen na 1945 plaagden, leidden niet allemaal tot het snel opmaken van een electorale rekening. Alleen als na een breuk sprake is van (vervroegde of directe) verkiezingen, kan worden bepaald wie (de electorale rekening) betaalt.

Zo bezien kent Nederland betrekkelijk weinig ’gebroken’ kabinetten. Het zijn er slechts zeven in totaal, namelijk in 1958, 1966, 1972, 1977, 1981 en in 1989 en 2002. Op basis van deze kabinetten moet de wetmatigheid ’wie breekt, betaalt’ worden verworpen. Want deze stelling heeft, in sociaal-wetenschappelijke termen, te weinig voorspellende kracht.

Ga maar na: in 1958 diende kamerlid Lucas (van de KVP, die in de regering zat), een amendement in waarin een tijdelijke belastingverhoging niet met twee, maar met één jaar werd verlengd. De Kamer nam het amendement aan, wat leidde tot de val van het kabinet-Drees. Dat schreef in 1959 vervroegde verkiezingen in 1959 uit. De KVP brak, maar merkte er niets van: de partij won, noch verloor bij de daarop volgende verkiezingen.

In 1966 diende KVP-fractievoorzitter Schmelzer een motie in tegen de begroting van 1967 van het kabinet van KVP, ARP, PvdA en CHU. Deze motie werd door het kabinet-Cals als een motie van wantrouwen gezien. De Nacht van Schmelzer leidde tot verkiezingen (die overigens toch al voor dat jaar waren uitgeschreven). Bij deze verkiezingen verloor de KVP maar liefst 8 zetels. Coalitiegenoot PvdA verloor ook fors: 6 zetels. Alleen coalitiegenoot ARP wist 3 zetels te winnen.

In 1972 stapten DS’70 ministers Drees jr. en De Brauw uit het kabinet-Biesheuvel vanwege een meningsverschil over het financieel-economisch beleid. Het kabinet bleef als interim-kabinet aan tot de verkiezingen van 1972. DS’70 verloor twee zetels. Belangrijke nuance is dat coalitiegenoten KVP en CHU ook verloren: 8 respectievelijk 3 zetels. Alleen PvdA en ARP, ook lid van deze vijf partijencoalitie, wonnen: 4, respectievelijk 1 zetel.

Hoewel het kabinet-Den Uyl in 1977 viel over de grondpolitiek, was een duidelijk veroorzaker niet direct aan te wijzen. Het conflict had zijn oorsprong in het kabinet zelf, maar werd beslecht door de fracties van KVP en ARP. Beide dienden ’onaanvaardbare’ amendementen in op de wet en het kabinet stapte op. Verloren beide partijen in de daaropvolgende verkiezingen? In 1972 bezette de KVP 27 zetels, de ARP 14 zetels en de CHU 7 zetels, samen 48 zetels. De partijen gingen in het jaar van de breuk, 1977, echter op in het CDA. De christen-democraten wonnen tijdens de verkiezingen van 1977 één zetel en eindigden op 49 zetels. Geen verlies dus, maar winst.

In 1981 trokken de PvdA-ministers zich uit het kabinet-Van Agt terug uit onenigheid over het financieel-economische beleid. Bij de daarop volgende verkiezingen wonnen de sociaal-democraten maar liefst 3 zetels. Coalitiegenoot D66 verloor er 11 – zij gingen van 17 naar 6. De breker wint hier dus. En in 1989 trok fractieleider Voorhoeve van de VVD de stekker uit het CDA-VVD-kabinet. Hij diende een motie in waarin het kabinet werd opgedragen het reiskostenforfait niet af te schaffen. Nog voordat de Kamer over de motie kon stemmen, zag premier Lubbers een schier onoverbrugbare kloof en trok zijn conclusies. De VVD verloor bij de daaropvolgende verkiezingen 5 zetels. Het CDA handhaafde zich op 54 zetels en de PvdA verloor, als grootste oppositiepartij, 3 zetels.

In 2002 viel het tweede kabinet-Balkenende. De interne chaos bij de LPF was voor fractieleider Verhagen en minister Zalm van de VVD reden om de stekker er uit te trekken. Verhagen hield bij het verlaten van het Torentje, waar hij zijn wens te stoppen met Balkenende besprak, zijn kaarten nog even tegen de borst. Zalm was openhartiger en verklaarde voor de pers inderdaad te willen stoppen. Wie brak? In deze casus maakt het niet veel uit: zowel CDA als VVD won; 1 respectievelijk 4 zetels bij de daarop volgende verkiezingen.

Van de zeven kabinetten die daadwerkelijk braken en waar sprake was van een eindafrekening, betaalden 3 brekers de rekening. Dat betekent dat 4 brekers de rekening niet betaalden. Een wetmatigheid die maar in 43 procent van de gevallen opgaat, is mijns inziens geen wetmatigheid. Conclusie: wie breekt, betaalt soms. Maar soms ook niet. Dat biedt het geplaagde D66 wellicht nog hoop en hoop doet leven.

Sebastiaan van der Lubben is politicoloog en journalist. In september verschijnt, samen met Huib Pellikaan, ’Ruimte op rechts? Conservatieve onderstromen in de Lage Landen’ (Spectrum, Utrecht). Eerder schreef hij met Jouke de Vries ’Een onderbroken evenwicht in de Nederlandse politiek’ (Van Gennep: Amsterdam).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden