Kabinet zet streep door gebonden hulp

Staatssecretaris Heemskerk en minister Koenders bieden het bedrijfsleven nieuwe kansen in ontwikkelingslanden. Voor 2009 is 180 miljoen euro beschikbaar. Uiteraard alleen voor de beste plannen.

Oret is niet meer. De nieuwe pot met geld voor infrastructurele werken in ontwikkelingslanden heet sinds gisteren Orio. Het bedrijfsleven kan zich melden voor 180 miljoen euro voor 2009. Geld dat afkomstig is van de begroting van Ontwikkelingssamenwerking.

Anders dan een van zijn voorgangers, Eveline Herfkens, is de huidige minister van ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders blij met deze regeling, die deels ten goede komt aan het Nederlandse bedrijfsleven. In de situatie die Herfkens aantrof, was het geld uit Oret vooral bestemd voor de bevordering van export van Nederlandse producten naar arme landen en werd aanzienlijk minder gelet op het belang van de ontwikkelingslanden.

Die landen konden hulpgeld krijgen maar dan wel op voorwaarde dat zij het geld besteedden in Nederland. Die zogeheten binding van de hulp is nu geschrapt. Ontwikkelingslanden, en dan vooral de landen waar Nederland de hulp concentreert, kunnen op een aantal terreinen waarin Nederland goed is – water, wegen, bruggen – een schenking krijgen voor een infrastructureel programma. Het land moet zelf wel een bijdrage van tussen de 20 tot 50 procent leveren, maar is vervolgens vrij in de keuze van een bedrijf dat de klus gaat klaren.

Die keuzevrijheid brengt de Nederlandse steun in lijn met de internationale afspraken. Gebonden hulp is volgens de internationale regels geen echte ontwikkelingshulp. De regeling lijkt zo op het eerste oog in het nadeel van het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens minister Koenders echter vloeit 60 tot 70 procent van het geld toch naar Nederland, zo leert volgens hem de ervaring.

Staatssecretaris Heemskerk, die zich in het buitenland minister van handel mag noemen, heeft geen enkele moeite met de ontbinding: „Het Nederlandse bedrijfsleven is op eigen kracht best in staat om zich te kwalificeren.” De regeling is volgens hem ook een stuk eerlijker omdat niet de eerste indieners worden geholpen maar de indieners van de beste voorstellen. Daarbij wordt vooral ook gekeken naar de rol van het midden- en kleinbedrijf. Het mkb kon in het verleden, en dan gaat het zowel om het mkb in de Nederland als in de ontwikkelingslanden, maar weinig van de subsidies profiteren.

Koenders noemde gisteren bij de start van de nieuwe Orio-regeling deze steun een vorm van contracyclisch investeren. De arme landen worden momenteel hard geraakt door de economische crisis. In tijden dat de investeringen ook in de ontwikkelingslanden teruglopen, is investeren in de infrastructuur geen weggegooid geld. Het leidt volgens Koenders tot meer werkgelegenheid, betere wegen leiden tot een toename van de schoolgang van kinderen en bieden een impuls aan het goederenvervoer. Het geld is ook beschikbaar voor bijvoorbeeld de aanleg van elektriciteitsnetwerken of watervoorzieningen.

Opmerkelijk is de houding van Economische Zaken, in casu staatssecretaris Heemskerk. In het verleden stond in de ’cao’ van de staatssecretaris voor internationale handel dat hij vooral moest zorgen dat de Nederlandse bedrijven maximaal profiteerden van het geld van Ontwikkelingssamenwerking. Aan die half-protectionistische houding is blijkbaar een einde gekomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden