kabinet zet beleid lastenverlichting voort

Naast bevordering van werkgelegenheid ('werk, werk, werk') staat lastenverlichting in het kabinetsbeleid centraal, zowel voor werkgevers als voor werknemers.

In het oog lopen de verlaging van de eerste belastingschijf met 0,2 procent naar 37,3 procent en de verlenging van de tweede schijf met f 3350. Het arbeidskostenforfait, de vaste aftrek voor werkenden, gaat omhoog met 91 gulden. Speciale aandacht krijgen de ouderen. Voor hen wordt de ouderenaftrek met 734 gulden verhoogd. Daarnaast komt voor alleenstaanden met een AOW-uitkering en alleenstaande ouders, voor zover deze groepen recht hebben op de ouderenaftrek, ook nog eens een aanvullende ouderenaftrek van 1040 gulden.

Gebruik maken van het openbaar vervoer wordt voor werknemers aantrekkelijker gemaakt. Voor werkgevers worden de belastingen voor werknemers op en vlak boven het minimumloon verder verlaagd.

Kabinet zet beleid lastenverlichting voort

De bedragen worden met 1,4% bijgesteld voor de inflatie. Tussen haakjes staan steeds de bedragen vermeld, zoals die golden voor 1996.

Het schijventarief ziet er voor 1997 als volgt uit:

tariefpercentage totaaltotaal toe te passen op inkomens- oplopende de belastbare som schijven heffing

37,3% over de eerste f 45960 f 45 960 f 17143 50% over volgende f 51462 f 97422 f 42 874 60% over het meerdere

Over de eerste inkomensschijf worden belasting en premie volksverzekeringen (AOW, Anw, AAW en AWBZ) gecombineerd geheven. Voor personen van 65 jaar en ouder geldt in de eerste schijf in plaats van 37,30% een lager tarief van 15,55%, omdat zij voor een aantal volksverzekeringen (AOW en AAW) niet meer premieplichtig zijn.

Tariefgroepindeling en belastingvrije bedragen

Tariefgroep 1: Voor deze tariefgroep geldt geen belastingvrij bedrag. Deze tariefgroep geldt in de volgende situaties:

f als men als gehuwde/ongehuwde het belastingvrije bedrag overdraagt aan de echtgenoot/huisgenoot (omdat men geen inkomen heeft of een inkomen heeft lager dan f 7102 (f 7003).

f als men twee of meer dienstbetrekkingen/uitkeringen heeft en bij de andere dienstbetrekking/uitkering al in een tariefgroep wordt ingedeeld die wel recht geeft op een belastingvrijbedrag.

Tariefgroep 2: Het belastingvrije bedrag is hier f 7102 (f 7003). Men wordt ingedeeld in tariefgroep 2 als men niet wordt ingedeeld in een van de andere tariefgroepen.

Tariefgroep 3: Het belastingvrije bedrag voor personen ingedeeld in tariefgroep 3 is f 14204 (f 14 006). Men wordt ingedeeld in tariefgroep 3: f als men gehuwd is en de echtgenoot/echtgenote geen inkomen heeft of een inkomen heeft van minder dan f 7102 (f 7003);

f indien in de loonbelastingverklaring tariefgroep 3 wordt aangekruist en de echtgenoot/echtgenote de verklaring mede- ondertekent, vindt de overdracht van zijn/haar belastingvrije bedrag automatisch plaats.

f ook als men ongehuwd is, kan in een dergelijke situatie het belastingvrije bedrag van de huisgenoot worden overgedragen.

Tariefgroep 4: Het belastingvrije bedrag voor deze tariefgroep is f 12 784 (f 12 606). Men wordt hier ingedeeld als men alleenstaande ouder is bij wie de kinderen, die bij aanvang van het kalenderjaar jonger zijn dan 27 jaar, inwonen en men een of meer van de kinderen in belangrijke mate onderhoudt. Wie aan deze voorwaarden voldoet krijgt een extra belastingvrijbedrag van f 5682 (f 5603) op het algemene bedrag van f 7102. Dus totaal: f 12784 (f 12606).

Tariefgroep 5: Het belastingvrije bedrag in deze tariefgroep is f 12784 (f 12606) plus zes 6% van het arbeidsinkomen met een maximum van f 5682 (f 5603). Dit aanvullende extra bedrag geldt alleen, als de alleenstaande ouder naast hetgeen er voor tariefgroep 4 geldt ook nog werkzaamheden buiten het huishouden verricht en het jongste kind dat inwoont bij aanvang van het kalenderjaar jonger is dan 12 jaar.

Ouderenaftrek en aanvullende ouderenaftrek Wie 65 jaar of ouder is en in het kalenderjaar een inkomen heeft dat minder bedraagt dan f 53062 (f 52328) komt in aanmerking voor de ouderenaftrek van f 923 (f 910). Alleenstaanden met een AOW of alleenstaande ouders, voor zover in aanmerking komend voor de ouderenaftrek, hebben reht op een aanvullende ouderenaftrek van f 1040.

Arbeidskostenforfait De vaste aftrek voor beroeps/verwervingskosten van 10% (1996 8%) van het inkomen uit tegenwoordige arbeid kent in 1997 een minimumbedrag van f 247 (f 243) en een maximumbedrag van f 2598 (f 2507). Het vaste aftrekbedrag voor niet-actieven wordt f 606 (f 597).

Reiskostenforfait De bedragen van het algemene forfait zijn voor 1997 bevroren. Deze bedragen gelden voor diegenen die helemaal geen gebruik maken van het openbaar vervoer. Wie wel gebruik maakt van het openbaar vervoer kan in aanmerking komen voor een hoger aftrekbedrag of voor een eventuele vrijgestelde vergoeding van de werkgever. Wie in aanmerking wil komen voor het hogere aftrekbedrag uit de openbaar-vervoertabel, moet voor de reisafstanden van meer dan 30 kilometer beschikken over een openbaar-vervoerverklaring. Voor de reisafstanden tot en met 30 kilometer kan ook op andere wijze aannemelijk worden gemaakt dat met het openbaar vervoer is gereisd. Voor vervoer per trein wordt ook voor deze afstanden een OV-verklaring afgegeven. Krijgt men een vergoeding van de werkgever, dan mag de werkgever de hogere belastingvrije bedragen alleen toepassen als de werknemer de plaatsbewijzen bij de werkgever inlevert. De werkgever mag in dat geval de werkelijke prijs van de plaatsbewijzen vergoeden, ook als dat meer is dan volgens het forfait. Voldoet men niet aan de aanvullende voorwaarden dan zijn de bedragen van het algemene forfait van toepassing.

Reiskostenforfait 'openbaar-vervoer': enkele reisafstandaftrekbedrag woon-werkverkeer - 10 km - 11 - 15 km f 880 (f 860) 16 - 20 km f 1280(f 1240) 21 - 30 km f 2150(f 2050) 31 - 40 km f 2680(f 2560) 41 - 50 km f 3570(f 3420) 51 - 60 km f 3990(f 3830) 61 - 70 km f 4470(f 4310) 71 - 80 km f 4640(f 4480) meer dan 80 km f 4690(f 4530)

Het normbedrag voor de belastingvrije autokilometervergoeding wordt voor 1997 f 0,60 en is daarmee gelijk aan het bedrag voor 1996.

Huurwaardeforfait Per 1 januari 1997 is het huurwaardeforfait voor de eigen woning in de inkomstenbelasting aanzienlijk gewijzigd. Dit is het gevolg van de invoering van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). In samenhang daarmee gaat het forfaitpercentage omlaag van 2,8% van de waarde in bewoonde staat van de woning tot 2,1%; dit is in de nieuwe WOZ-systematiek 1,25% van de WOZ-waarde.

Begin 1997 ontvangen belastingplichtigen van hun gemeente een beschikking waarin de waarde van hun onroerende zaak is vastgesteld. Deze waarde, vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de WOZ-waarde genoemd. Voortaan wordt de bijtelling ter zake van het huurwaardeforfait in het algemeen berekend door de WOZ-waarde voor de eigen woning te vermenigvuldigen met het wettelijke percentage van het huurwaardeforfait. Dit percentage loopt van nihil tot maximaal 1,25%, afhankelijk van de waarde van de woning (zie onderstaande tabel). De bijtelling bedraagt maximaal f 16 800. Voor woningen gelegen in sommige gemeenten geldt een correctie op de WOZ-waarde. Als peildatum voor de WOZ-waarde geldt in beginsel 1 januari 1995. Maar in sommige gemeenten heeft de waardering plaatsgevonden naar een peildatum 1 januari 1992, 1993 of 1994. Voor het huurwaardeforfait dient in die gevallen de WOZ-waarde met een bijstellingsfactor te worden opgehoogd. WOZ-waarde van de woning meer dandoch niet meer dan forfaitpercentage 00.000 25 000 0 25 000 50 0000,50 50.000 100 0000,75 100.000 150 0001,00 150.000 of meer1,25

Buitengewone-lastenaftrek De kosten van ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie, overlijden, arbeidsongeschiktheid en ouderdom komen voor aftrek in aanmerking voor zover zij meer bedragen dan een bepaalde drempel. De drempels voor 1997 zijn als volgt:

- bij een onzuiver inkomen van 0 tot en met f 23803 (f 23467) bedraagt de drempel f 2904 (f 2863)

- bij een onzuiver inkomen van f 23803 (f 23467) tot en met f 99090 (f 97721) bedraagt de drempel 12,2% van het onzuiver inkomen f bij een onzuiver inkomen van meer dan f 99090 (f 97721) bedraagt de drempel f 12089 (f 11922).

Het bedrag voor extra uitgaven voor kleding en beddegoed die als uitgaven voor ziekte en invaliditeit worden aangemerkt, bedraagt f 630 (f 640). Indien wordt aangetoond dat deze extra uitgaven meer bedragen dan f 1260 (f 1280) wordt het bedrag van f 630 verhoogd tot f 1575 (f 1600). De vaste aftrek voor arbeidsongeschikten en bejaarden wordt f 912 (f 899) per persoon (voor gehuwde bejaarden geldt f 1824 (f 1798) als beiden 65 jaar of ouder zijn).

Werknemersspaarregelingen De werkgever kan op grond van een premiespaarregeling in 1997 een belasting- en premievrije spaarpremie aan de werknemer toekennen van maximaal 100% van de ingehouden besparing, maar niet meer dan f 1093 (f 1077). Het bedrag dat maximaal geblokkeerd kan worden gespaard ingevolge een spaarloonregeling bedraagt in 1997 f 1 638 (f 1615)

De werkgever is net als in 1996 10% aan loonbelasting verschuldigd over spaarloon en eveneens 10% over loon ingevolge niet geblokkeerde winstdelingsregelingen. Over spaarloon in de vorm van werknemersaandelen is de werkgever in 1997 evenals in 1996 geen loonbelasting verschuldigd.

Overhevelingstoeslag De overhevelingstoeslag f de toeslag die werknemers van hun werkgevers krijgen voor het betalen van de premies volksverzekering f wordt 9,9% (10%)

Computers De fiscale bijtelling voor computers die een werkgever aan zijn werknemers verstrekt zal voortaan achterwege blijven, indien de waarde hiervoor niet meer dan f 5000 per drie jaar bedraagt. In 1996 moest nog voor een computer die beschikbaar werd gesteld door de werkgever drie jaar lang f 800 worden bijgeteld.

Andere belangrijke wijzigingen voor werknemers Werknemers die in verband met hun werk verhuizen mogen voor de herinrichtingskosten 12% van hun jaarloon van de belasting aftrekken. Deze aftrek komt bovenop de aftrek van de kosten voor verhuizing van de boedel. - stakingsuitkeringen worden volledig belastingvrij - belastingplichtigen met een duurzame arbeidsverhouding die niet onder de loonbelasting vallen (bijvoorbeeld predikanten en wethouders) kunnen voortaan ervoor kiezen om onder de loonbelasting te worden gebracht.

WIJZIGINGEN VOOR ONDERNEMERS Mindering lage lonen Ook voor ondernemers worden per januari een aantal belangrijke wijzigingen ingevoerd. Een van de belangrijkste maatregelen f bedoeld overigens om de werkgelegenheid 'aan de onderkant' te stimuleren f is verdere vermindering van de belastingen die werkgevers moeten afdragen aan de fiscus voor werknemers op of tot 130 procent boven het minimumloon. Deze belastingkorting, geldend voor werknemers van 23 jaar en ouder, wordt verhoogd van f 1185 tot f 1830. Voor personen onder de 23 jaar verandert er niets.

Ook voor het in dienst nemen van langdurig werkozen en het beschikbaar stellen van leer-arbeidsplaatsen gelden afdrachtskortingen. Samen met de eerder genoemde korting voor werknemers op of vlak boven het minimumloon mag de mindering op de belasting niet meer bedragen dan 6000 gulden. Tot nu toe gold geen maximum.

Komt de werknemer dit jaar door loonsverhoging boven 130 procent van het minimumloon uit dan mag de werkgever in de twee jaar daarna toch nog een mindering toepassen. Dit geldt uitsluitend voor werknemers van 23 jaar en ouder. Deze zogenoemde doorstroomvermindering lage lonen bedraagt f 915.

De vermindering onderwijs zal vanaf 1 januari 1997 ook van toepassing zijn voor werkgevers die aan studenten uit een initiële hbo-opleiding een leer-/werkplaats aanbieden. Om voor deze vermindering in aanmerking te komen moet de onderwijsarbeidsovereenkomst tussen werkgever, hogeschool en student afspraken bevatten die de adequate aansluiting tussen het werken en het leren moet waarborgen. De vermindering onderwijs bedraagt f 4500 en is voor deze categorie studenten maximaal gedurende 24 maanden van toepassing.

Aanmerkelijk belang tarief Voor directeuren-grootaandeelhouders verandert het belastingregime per 1 januari aanzienlijk. Voor winst uit aanmerkelijk belang wordt een bijzonder tarief van 25% ingevoerd. Wie al dan niet tezamen met de echtgenoot ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van een vennootschap bezit, heeft een zogenoemd aanmerkelijk belang. Tot het aanmerkelijk belang kunnen aandelen in en winstbewijzen van de vennootschap behoren, maar met ingang van 1997 tevens schuldvorderingen op de vennootschap alsmede optierechten. Voor alle voordelen die voortvloeien uit een aanmerkelijk belang geldt het tarief van 25%, voor zover het te belasten inkomen uitgaat boven de lengte van de eerste schijf van het schijventarief. Dit percentage geldt zowel de reguliere voordelen (de inkomsten uit de aanmerkelijk-belangaandelen zoals dividenden), als de voordelen die worden behaald bij vervreemding van het aanmerkelijk belang. Het voordeel bij vervreemding wordt gesteld op de overdrachtsprijs minus de verkrijgingsprijs. Winst uit aanmerkelijk belang komt niet in aanmerking voor de dividendvrijstelling. Overigens zijn de bedragen voor dividendvrijstelling ongewijzigd gebleven.

SOCIALE PREMIES 1997 Lichte stijging laagste uitkeringen in 1997

Het minimumloon en de daaraan gerelateerde uitkeringen stijgen per 1 januari 1997 met ruim driekwart procent door toepassing van de koppelingswet. Die schrijft voor dat, als de werkloosheid niet explosief stijgt, de overheidsfinanciën onder controle zijn en er in verhouding met het aantal werkenden niet meer dan rond tachtig uitkeringen staan. Wat dat betreft staan alle seinen op groen. Voor sommige groepen op een minimumuitkering zit er later dit jaar meer in het vat. Per 1 januari '98 is een verhoging van de ouderenaftrek voorzien. De Kamer wil die maatregel vervroegen. Daarnaast is een PvdA-motie aangenomen die zo'n 160 miljoen gulden wil reserveren voor speciale maatregelen voor alleenstaande ouders in de bijstand. De Kamer wil daarvoor een deel van de miljardenmeevallers in de belastingen gebruiken. Aan het begin van de lente zal daarover meer duidelijkheid komen.

Wettelijk minimum(jeugd)loon

Vanaf 23 jaar geldt het volgende bruto minimumloon (tussen haakjes de bedragen voor 1996): per maand per week per dag f 2 220,40 (f 2 184,00)f 512,40 (f 504,00) f 102,48 (f 100,80)

De bruto minimumlonen voor jongeren vormen een percentage van het minimumloon voor volwassenen. Per 1 januari 1997 gelden de volgende bedragen:

Leeftijd percentageper maand per week 22 85 f 1 887,30 (f 1856,40) f 435,50 21 72,5 f 1 609,80 (f 1583,40) f 371,50 20 61,5 f 1 365,50 (f 1343,20) f 315,10 19 52,5 f 1 165,70 (f 1146,60) f 269,00 18 45,5 f 1 010,30 (f 993,70) f 233,10 17 39,5 f 877,10 (f 862,70) f 202,40 16 34,5 f 766,00 (f 753,50) f 176,80 15 30 f 666,10 (f 655,20) f 153,70

Hoe deze bedragen netto uitpakken is per bedrijfstak verschillend. Dat is afhankelijk van de hoogte van de in een bedrijfstak geheven sociale premies.

Bijstandsuitkeringen per 1 januari 1997

De verhoging van het minimumloon heeft tot gevolg dat de (daaraan gekoppelde) bijstandsuitkeringen ook stijgen. Echtparen of samenwonenden krijgen er daardoor vanaf deze maand 26,44 gulden bij. Net als vorig jaar gelden er drie landelijke normen voor het percentage van het minimumloon dat een bijstandsgerechtigde krijgt. Echtparen of samenwonenden honderd procent van het minumumloon, alleenstaande ouders zeventig procent en alleenstaanden vijftig procent. Kan een alleenstaande ouder of een alleenstaande de woonkosten niet met een ander delen, dan kan een gemeente een toeslag geven van maximaal twintig procent van het minimumloon.

Normbedragen Algemene bijstandswet voor mensen van 21 jaar en ouder: per maand vakantie-totaal uitkering per maand

Echtparen of ongehuwd samenwonenden f 1 878,46 f 103,04f1 981,50 Alleenstaande ouders f 1 314,92 f 72,13f1 387,05 Alleenstaanden f 939,23 f 51,52f 990,75

Maximale toeslag van twintig procent: per maandvakantie- totaal uitkeringper maand Alleenstaande ouders en alleenstaandenf 375,69 f 20,61f 396,30

Voor bijstandsgerechtigden, jonger dan 21 jaar, gelden lagere bedragen. Hun bijstandsuitkering is afgeleid van de kinderbijslag:

per maand vakantie- totaal uitkering per maand echtparen, beide partners jonger dan 21 jaar f 649,11f 35,61 f 684,72 echtparen, één partner jonger dan 21 jaar f 1 263,79f 69,32 f1333,11 alleenstaanden f 324,56f 17,80 f 342,36

Hebben partners jongere kinderen dan gelden hogere bedragen:

echtparen, beide partners jonger dan 21 jaar f 1 024,81f 56,21 f1 081,02 echtparen, één partner jonger dan 21 jaar f 1 639,48f 89,93 f1 729,41 alleenstaanden f 700,25f 38,41 f 738,66

Eigen vermogen In de bijstand geldt een zogenomende vermogenstoets: het gespaarde geld wordt van de te ontvangen uitkering afgetrokken. Daarvoor geldt wel een vrijstelling. Het vrij te laten vermogen is in 1997 voor gezinnen f 19 000,= en voor alleenstaanden f 9 500,=. Voor bijstandsgerechtigden met een eigen huis geldt bovendien een extra vrijstelling. Bij hen wordt van het vermogen in het huis namelijk nog eens f 15 000,= volledig vrijgelaten en van het meerdere de helft. Het maximum van de vermogensvrijlating is f 79 000,= voor gezinnen en f 69 500,= voor alleenstaanden.

Ziekenfondspremie en bijstand De ziekenfondspremie bestaat ook voor een bijstandsgrechtigde uit een vast bedrag in guldens en een inkomensafhankelijk deel. Ook voor bijstandsgrechtigde gaat per 1 januari 1997 de algemene regel gelden dat naast de ziekenfondspremie een algemene eigen bijdrage moet worden betaald met, voor de bijstand, een maximum van 100 gulden. Tegenover die eigen bijdrage staat een verlaging van het deel van de ziekenfondspremie in guldens van 110 gulden per jaar.

AOW Ook de AOW is gekoppeld aan het minimumloon, zodat ook mensen boven de 65 jaar profiteren van de verhoging met 0,77 procent (wat neerkomt op 29 gulden per maand extra voor gehuwden die allebei van hun AOW genieten). In de normen voor de AOW-uitkering verandert niets: de AOW is geïndividualiseerd: iedereen krijgt vijftig procent van het minimumloon, zodat een echtpaar of samenwonenden, waarbij beide partners ouder zijn dan 65 jaar samen een uitkering hebben van honderd procent van het minimumloon. Alleenstaanden krijgen een toeslag van twintig procent, zodat zij uitkomen op zeventig procent van het minimumloon. Een alleenstaande AOW'er met kinderen tot 18 jaar krijgt negentig procent. Een AOW'er met een partner jonger dan 65 jaar krijgt vijftig procent en, afhankelijk van het inkomen van de partner, een toeslag van maximaal nog eens vijftig procent. In 1997 gelden de volgende bruto-bedragen:

Per maand Vakantie-uitkering per maand Gehuwden f 1 069,79 f 61,17 Gehuwden met maximale toeslagf 2 139,58 f 122,33 Ongehuwdenf 1 542,21 f 85,63 Ongehuwd met kind tot 18 jr. f 1 925,27 f 110,09 Maximale toeslag f 1 069,79

Netto levert dit alles de volgende AOW-uitkeringen op (hierbij is ervan uitgegaan dat betrokkenen in het ziekenfonds zitten):

Netto AOW gehuwden (50% AOW-uitkering per maand) 1-7-1996 1-1-1997 verschil

per maand f 941,61 f 955,81 f 14,20 vakantietoeslag f 51,16 f 51,66 f 0,50 totaalf 992,77 f1 007,47 f 14,70 Voor een echtpaar zijn de bedragen twee maal zo hoog.

Netto AOW voor alleenstaanden: 1-7-1996 1-1-1997 verschil per maandf 1 307,57 f 1 340,23 f 32,66 vakantietoeslag f 71,63 f 72,32 f 0,69 totaal f 1 379,20 f 1 412,55 f 33,35

ANW De uitkering voor weduwen en weduwnaars is maximaal zeventig procent van het minimumloon. Nabestaanden die de verzorging hebben van kinderen onder de 18 jaar krijgen (afhankelijk van het eigen inkomen) een toeslag van twintig procent van het minimumloon. Nabestaanden, die een uitkering hebben op grond van de oude Weduwen- en wezenwet ontvangen een uitkering van 100 procent van het minimumloon op basis van het netto-niveau van 1 maart 1996 (f 1 839,70). Deze uitkering wordt bevroren tot het niveau van de nieuwe uitkeringen op grond van de Algemene nabestaandenwet bereikt is. De Anw is inkomensafhankelijk. Inkomen uit arbeid wordt voor een deel van de uitkering afgetrokken. Bruto vakantie-uitkering per maand per maand Nabestaanden met kind tot 18 jaar die voor 1-7-1996 AWW-uitkering hadden f 2405,50 f 161,73 Nabestaandenuitkering f 1817,32 f 115,33 Halfwezenuitkering f 381,23 f 32,94 Wezen (tot 10 jr.) f 581,54 f 36,91 Wezen (10-16 jr.) f 872,31 f 55,36 Wezen (16-27 jr.) f 1163,08 f 73,81

Kinderbijslag De hoogte van de kinderbijslag varieert met de leeftijd van het betreffende kind., Het basisbedrag per kind is per 1 januari 1997 f 427,86. Voor kinderen die na 1 januari 1995 geboren zijn, is het kinderbijslagbedrag alleen nog maar afhankelijk van de leeftijd. Voor kinderen geboren tussen 2 oktober 1994 en 1 januari 1995 geldt weer een overgangsregeling. De onderstaande bedragen gelden per kind per kwartaal. I. Kinderen geboren vóór 2 oktober 1994: t/m 5 jaar 6 t/m 11 jaar 12 t/m 17 en 18 t/m 24 jaar* Gezinnen met: 1 kind f 299,50 f 427,86f 556,22 2 kinderen f 346,47 f 494,96f 643,45 3 kinderen f 362,12 f 517,32f 672,52 4 kinderen f 394,32 f 563,32f 732,32 5 kinderen f 413,64 f 590,92f 768,20 6 kinderen f 426,53 f 609,33f 792,13 * zodra een kind 6, 12 of 18 jaar wordt, is tabel II van toepassing.

II. Kinderen geboren tussen 1 oktober 1994 en voor 1 januari 1995 en kinderen die na 1 oktober 1994 6, 12 of 18 jaar zijn geworden:

t/m 5 jaar6 t/m 11 12 t/m 17 jaar enjaar 18 t/m 24 jaar* Gezinnen met: 1 kindf 299,50f 363,68f 427,86 2 kinderen f 346,47f 420,72f 494,96 3 kinderen f 362,12f 439,72f 517,32 4 kinderen f 394,32f 478,82f 563,32 5 kinderen f 413,64f 502,28f 590,92 6 kinderen f 426,53f 517,93f 609,33

* In beginsel bestaat er voor kinderen vanaf 18 jaar geen kinderbijslag meer. Voor een overgangscategorie van studerende kinderen bestaat nog recht zolang de studie duurt, mits over het vierde kwartaal 1995 voor hen kinderbijslagrecht bestond.

III. Kinderen geboren op of na 1 januari 1995: 0- 6 jaar f 299,50 6-12 jaar f 363,68 12-18 jaar f 427,86

Sociale premies per 1 januari 1997 (tussen haakjes de percentages van vorig jaar) werkgevers, werknemers totaal AOW 1) -,- -,- 15,40(15,40) 15,40 (15,40) ANW 1) -,- -,- 1,65 ( 1,70)1,65( 1,70) AAW 1) -,- -,- 6,35 ( 6,70)6,35( 6,70) AWBZ 1) -,- -,- 8,85 ( 7,35)8,85( 7,35) WAO 2) 5) -,- -,- 8,45 ( 7,95)8,45( 7,95) Wachtgeld 3) 5) 0,50 (0,50) 0,50 ( 0,50)1,00( 1,00) WW 5) 5,05 (5,25) 2,20 ( 2,25)7,25( 7,50) Ziekenfonds 4)5,55 (5,35) 1,35 ( 1,65)6,90( 7,00) Vorstverlet 0,15 (0,14) -,--,- 0,15( 0,15) VUT 3) 1,90 (1,11) 0,95 ( 1,00)2,85( 2,11)

De overhevelingstoeslag die door werkgevers bovenop het brutoloon wordt betaald f ter compensatie van de AAW- en AWBZ-premie die voor rekening van de werknemer komt f bedraagt 9,90% van het loon waarover premie wordt geheven. De toeslag wordt berekend over maximaal f 78.700,-.

1) Voor de volksverzekeringen AOW, ANW, AAW en AWBZ geldt een premievrije voet van f 7102,- per jaar en een maximum voor de premieheffing van f 45960,= per jaar. 2) De franchise of premievrije voet bedraagt f 102,- per dag. 3) Dit is een gemiddelde, de premie verschilt per bedrijfstak. 4) De loongrens bedraagt f 60750,f voor mensen jonger dan 65 jaar en f 35300,- voor 65-plussers. Verder is een nominale premie ZFW verschuldigd. De hoogte hiervan wordt door de ziekenfondsen zelfstandig vastgesteld. De gemiddelde nominale premie bedraagt f 227,f per jaar per volwassene. Voor meeverzekerde kinderen is geen premie verschuldigd. Daarbij is een eigen bijdrage per verstrekking (huisartsenbezoek uitgezonderd) ingevoerd tot een maximum van f 200,- per jaar en f 100,- voor mensen met een minimumuitkering (AAW-, Anw- en AOW-gerechtigden). Voor chronisch zieken is een specifieke compensatie ingevoerd. 5) voor de WAO, de WW en de wachtgeldverzekering geldt een inkomensgrens van 294 gulden per dag (in 1996 289 gulden).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden