Kabinet betuttelt zwangere vrouwen

Het is overdreven paternalistisch om jonge vrouwen geen prenataal onderzoek aan te bieden. Als de overheid wel wil informeren, maar de tests niet voor iedereen toegankelijk maakt, dan is er nog geen sprake van keuzevrijheid.

Guido de Wert en Ron Berghmans

Zwangere vrouwen van 36 jaar en ouder krijgen in ons land al jaren standaard een vlokkentest of vruchtwaterpunctie aangeboden. Aan een dergelijke test kleeft een (klein) risico van een miskraam. Een leeftijdsscreening die in bijna alle Europese landen is verlaten.

Alle zwangere vrouwen in het buitenland krijgen een risicoloze test aangeboden (bloedonderzoek en een nekplooimeting bij de foetus via een echo). Daarmee kan bepaald worden of er sprake is van een verhoogde kans op het krijgen van een kind met het syndroom van Down of een neuralebuisdefect, zoals een open ruggetje. Vrouwen met een verhoogd risico komen in aanmerking voor vervolgonderzoek.

De Commissie Prenatale Screening van de Gezondheidsraad adviseerde in 2001 om een dergelijke risicoschattende screening in de vierde maand van de zwangerschap, ook in ons land universeel aan te bieden. Het kabinet acht dit advies weliswaar 'gedegen', maar legt het voorlopig naast zich neer; alleen vrouwen van 36 jaar en ouder krijgen het aanbod van prenataal onderzoek. Volgens het hoofdredactioneel commentaar van Trouw verdient deze 'nuchtere en principiële lijn' de volle steun.

De argumenten van de Gezondheidsraad voor een universeel aanbod zijn divers. Om te beginnen kunnen alle zwangere vrouwen desgewenst gebruikmaken van de screening en zodoende een geïnformeerde keuze maken. Bovendien kunnen er zonder veel risico's meer gevallen van Down syndroom gevonden worden. Daar komt bij dat de grote meerderheid van de zwangere vrouwen positief staat tegenover het aanbieden van deze testen. En ten slotte zijn er geen empirische gegevens die aangeven dat de nadelen van het aanbod van deze testen groter zijn dan de voordelen.

Het argument van de regering om naar de leeftijd van de vrouw te kijken, is dat bij vrouwen vanaf 36 jaar de kans op een kind met Down syndroom sterk toeneemt. De indruk wordt gewekt dat er sprake is van een plotselinge toename van het risico. Dat is niet het geval. De keuze voor deze grens is dan ook nogal arbitrair. Het is een vrouw van 35 jaar dan ook moeilijk uit te leggen dat zij geen recht heeft op de test.

Het kabinet wil ook medicalisering van de zwangerschap vermijden. Het standaard aanbieden van bloedtest en echo zou betekenen dat ook vrouwen jonger dan 36 jaar voor moeilijke afwegingen worden geplaatst. Hierbij wijst het kabinet op het doel van de Wet op het bevolkingsonderzoek om mensen te beschermen tegen schade van het ongevraagd aanbieden van testen. Opnieuw wordt hier gesuggereerd dat het risico bij vrouwen onder de 36 jaar opeens veel lager is. En bovendien: moeten met een beroep op medicalisering dan niet alle vormen van medische supervisie van de zwangerschap van de hand worden gewezen? Zwangerschap brengt immers uiteenlopende medische risico's voor de vrouw en de vrucht met zich mee.

De regering miskent de positieve houding van zwangeren ten opzichte van de test. Het met een beroep op hun eigen belang onthouden van het aanbod aan jonge zwangeren is ongerechtvaardigd paternalistisch -een schoolvoorbeeld van betutteling. De hoofdredactionele kritiek dat pleidooien voor een universeel aanbod van de test 'een element van betutteling' bevatten, omdat deze de eigen verantwoordelijkheid van burgers onvoldoende tot hun recht laten komen, is raadselachtig en zet de wereld op zijn kop.

Het kabinet vraagt zich, ten derde, af of we met prenatale screening voor elke zwangere niet een stap te ver zetten op weg naar een misleidend ideaalbeeld, namelijk de maakbaarheid van de mens. Hierover kunnen we kort zijn: deze maakbaarheid is een illusie. Prenatale screening kan, hoe uitgebreid ook, nooit de geboorte van een gezond kind garanderen. Deze screening vergt adequate voorlichting, waarbij volgens de Gezondheidsraad ook aandacht moet worden besteed aan de beperkingen van de gebruikte test(en). De opmerking in het Trouw-commentaar, dat het rapport 'sterk een sfeer van maakbaarheid en beheersbaarheid van het leven' ademt, is dan ook misplaatst.

Het kabinetsstandpunt wijst erop dat er ook voor vrouwen jonger dan 36 jaar keuzevrijheid moet zijn om een risicoschattende test te vragen -zij moeten die echter zelf betalen. Dit betekent dat de slechter opgeleiden, minder mondigen, minder draagkrachtigen onder deze vrouwen het nakijken hebben. Het kabinet probeert dit probleem nu blijkens recente berichtgeving op te lossen door te erkennen dat alle zwangeren, ongeacht hun leeftijd over de prenatale testen moeten worden geïnformeerd, maar wat betreft jongere zwangeren zou het actief aanbieden en vergoeden van de test achterwege moeten blijven. De veelgeprezen keuzevrijheid is voor deze vrouwen zodoende een abstracte vrijheid; de effectuering ervan is afhankelijk van hun financiële draagkracht.

Wanneer de regering risicoschattende testen bij nader inzien kennelijk belangrijk genoeg vindt om 'de nuchtere en principiële lijn' los te laten en alle zwangeren over deze testen te informeren, zou het een logische stap zijn het advies van de Gezondheidsraad op te volgen, en ook de daadwerkelijke beschikbaarheid voor alle aanstaande ouders te waarborgen. Wie A zegt, moet ook B zeggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden