Kaatsen / Het sprookje van de PC

Het mooiste speelgoed dat onze lieve Heer ons ooit heeft gegeven, zei de Noordbergumse predikant Dijkstra vijfentwintig jaar geleden, is de kaatsbal van de 'PC'. Een Friese dominee die zo uit zijn dak gaat, dat wil heel wat zeggen. Maar hij sprak dan ook over het jaarlijks terugkerende kaatsevenement in Franeker, en dat is voor veel Friezen -om in relitaal te blijven- het Mekka van de kaatssport. Vandaag bestaat de PC 150 jaar.

Ieder jaar op de vijfde woensdag van juli (die soms begin augustus valt) is Franeker in de ban van het minuscule kaatsballetje en stromen de tribunes rond het Sjukelân in de kaatsresidentie vol met duizenden toeschouwers. En dat al sinds 1853, 150 jaar geleden.

Ook vandaag zullen er weer heel wat verheven woorden worden gebezigd om het traditionele volksvermaak te karakteriseren. Want bij de PC horen preken en hoogdravende taal. Van alle voorzitters is mr. K. Bijlsma (hij hanteerde de hamer van 1929 tot 1972) de meest begenadigde redenaar: 'Onze tempeldag' noemt hij het toernooi in het Friese stadje graag, 'die éne dag rust in een jachtige wereld'. In 1947 gebruikt hij het woord 'bjusterbaarlik' (wonderbaarlijk), waarmee commissaris van de koningin Hans Wiegel later de Elfstedentocht van 1985 typeert.

Eindredacteur Pieter Breuker van het jubileumboek '150 jier PC' spreekt van een 'unieke combinatie van sport, traditie, historie, cultuur, eendracht, ontmoeting en feest'. Van alle sportieve activiteiten waarmee Friesland buiten de provincie bekendheid geniet (zoals hardrijden, skûtsjesilen, fierljeppen), past het kaatsen volgens de universitair docent Fries in Groningen het meest bij de regionale cultuur: ,,Als ergens het wezen van Friesland in al zijn facetten tot uitdrukking komt, is het wel op de PC.'' En bij het eeuwfeest in 1953 noemt de toenmalige hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, Jan Piebenga, het toernooi in Franeker de 'bewaarster van een kostbaar volkseigen': ,,Het kaatsen is misschien wel de enige sport die in haar beoefening geen standenverschil of klassekarakter kent.''

PC. De letters staan voor Permanente Commissie en verwijzen naar vijf inwoners van Franeker, die na de jaarlijkse kaatswedstrijd zoals iedere toeschouwer onvoldaan en ontevreden naar huis gaan. Weinig volk, weinig animo bij de spelers, een afgang voor het kaatsen, vinden ze. Er wordt al gefluisterd dat de kastelein van de stadsherberg geen trek meer heeft om het evenement in leven te houden. Kennelijk is de fut er uit, en de omzet in het café loopt terug. Dat brengt de vijf in beweging. Zij vormen een commissie en kondigen aan dat zij in 1854 de 'balverkaatsdag' organiseren. 'Notabelen' worden ze later genoemd, of 'pommeranten' op z'n Fries. Maar het zijn vooral middenstanders en kooplui. Ze kennen elkaar van het verenigingsleven (harmonie, schutterij). Ze zijn lidmaat van dezelfde hervormde kerk. En het zijn liefhebbers, niet eens zo zeer van het spel als wel van de hele cultuur er omheen. Zij willen wat doen, tegen de algemene malaise van hun tijd -misoogst van de aardappelen, longziekte onder het vee, cholera in 1849 in Leeuwarden en Sneek, het verlies van het Atheneum voor Friesland (het restant van de Franeker universiteit).

En zo wordt de kaatsdag georganiseerd en keert de animo terug. De commissie wordt een permanente commissie, al duikt die naam-met hoofdletters-pas in 1888 op. In korte tijd geniet de kaatsdag grote populariteit, niet in het minst door de geldprijzen die de spelers kunnen winnen (het kampioenspartuur van drie spelers vangt twaalf gulden) en door de ambiance op en om het veld. Het kaatswerk wordt omzoomd door groen en vlaggen. Als het toernooi na een paar jaar modderen op een land buiten de stadspoort voortaan afgewerkt wordt naast het roemruchte studentencafé 'De Bogt fen Guné' (op het Sjukelân, genoemd naar kastelein Nicolas Sjuck), worden er levensgrote Romeinse en Griekse godenbeelden ter versiering neergezet.

Want het Friese kaatsen staat in een klassieke traditie, wil de organisatie benadrukken. Er zijn al kaatsballen aangetroffen in Egyptische koningsgraven. Grieken en Romeinen moeten een soort kaatsspel gekend hebben. In de vroege middeleeuwen werd in Frankrijk, België en Nederland al op vrijwel identieke wijze gekaatst als nu in Friesland gebeurt. En stierf Philips de Schone niet in 1506, nadat hij na een kaatswedstrijd te veel koud water had gedronken? Aanvankelijk werd het spel vooral beoefend door vorsten, edelen en vooraanstaande geestelijken die het spel op speciale banen beoefenden. Op den duur sloeg de vonk over naar het volk, dat in plaats van de baan gewoon de straat en het kerkplein als speelterrein gebruikte. Vaak bracht het zo veel mensen op de been dat de burgerlijke en kerkelijke overheden in het geweer kwamen en het kaatsen vanwege dronkenschap en geluidshinder verboden.

In Friesland zelf was dat bijna ook het geval. Op 21 september 1594 bepaalde het stadsbestuur van Franeker dat er niet langer gekaatst mocht worden onder de zondagse kerkdienst. Het was zo luidruchtig op het kerkplein dat de predikant zich op de kansel niet meer verstaanbaar kon maken. Kinderen zaten elkaar achterna in de kerk, jonge kerels liepen zomaar in en uit om naar de meiden te kijken en uit de kroeg tegenover de kerk klonk ook al een hoop herrie.

De maatregel haalde weinig uit. Tegen overtredingen trad de magistraat nauwelijks op, omdat het volk naast een beetje brood immers ook spelen nodig had. Maar dat er spanningen bestonden tussen kerk en kaatsvolk, was duidelijk. In 1892 nog betrad de dominee van Moddergat met enkele leden van zijn kerkenraad het kaatsperk en sneed daar woedend een kaatsbal doormidden, omdat hij de overlast zat was.

Daar heeft Franeker geen last meer van. Voor de zoveelste keer tooit de commissie zich vandaag met bolhoed en jacquet en laat zij zich met de winnaars van vorig jaar in een open rijtuig naar het strijdperk rijden. Daar staan 16 geselecteerde parturen (teams) gereed voor onderlinge wedstrijden, die ook omwille van de tijd door elkaar heen worden afgewerkt. Het begint als altijd met de kaatser die de bal uitdagend boven zijn hoofd houdt, waarna de 'oefening van vlugheid en kracht' zich voltrekt.

De telegraaf geeft langs het perk de stand aan; het telapparaat is in 1855 door een van de bestuursleden voor de PC ontwikkeld, zodat elke toeschouwer de stand kan zien. Of iedereen het spel ook kan volgen, is de vraag. Het kaatsen blijft een ingewikkelde sport, met z'n eigen regels en taal. Bovendien trekt de PC veel sfeertoeristen. Het evenement heeft veel weg van een reünie: je komt om te zien wie de nieuwe koning wordt, maar je hoopt ook op veel vertrouwde gezichten. 'Wat een dag, wat een bekenden, wat een inzet', dichtte Baukje Wytsma treffend.

Veel oude verhalen zullen weer worden opgehaald. Over de tijd dat de helden nog op gebreide sokken speelden, dat een geheime commissie een kaatser tot koning uitriep waar het publiek het helemaal niet mee eens was en dat de voorzitter in de Korenbeurs een veel te lange preek had waardoor het spul niet op tijd kon beginnen. En zeker zullen ze het over Ule hebben, Ule Kootstra van Harlingen, die ooit de bal zo verschrikkelijk in zijn kruis kreeg dat hij op een stuk hout moest bijten van de pijn en ondertussen 'Op mijn duim!' over het veld brulde. Sindsdien zorgt elke verkeerde bal voor de gevleugelde zin 'Op mijn duim, zei Ule'.

De PC is een sprookje, vindt Breuker. En zolang men in sprookjes mag geloven, zal de 'vijfde woensdag' in Franeker nog wel een tijdje blijven bestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden