Kaapstad / Het respek van de straat

Jongens zijn het. Met sporen van steekwonden op buik en rug, tatoeages en een stoere grijns op hun gezicht. In hun tien-, twaalf-, of zestienjarig leven hebben ze alles gedaan wat god verboden heeft maar toch: jongens. Meisjes zijn het. Met harde verweerde koppen, haren geschoren als een man, littekens in het gezicht en op de ziel, maar toch: meisjes. Grote kinderen. Meesters in het stelen van harten en portemonnees. Op reportage in de straten van Kaapstad.

Het is half tien wanneer het busje van Streetuniverse, (met op de achterklep de utopische zin from the streets to the stars) de straat indraait. Tegen de blinde muur slaapt een kluwen voeten, hoofden en armen. Het kost een hoop geduw en getrek voor de kluwen ontward is, de kinderen wakker zijn. Het is the morning after. Zoals iedere ochtend. Lijm en verfverdunner, mantrax (een pijnstiller die gerookt wordt met marihuana) en papzak (goedkope wijn in vijfliterzakken) ijlen na in de hoofden. Een jongen valt staand opnieuw in slaap.

Het ochtendritueel is kort. Even wrijven door de ogen, een hand door het haar. Alleen Vusi maakt er meer werk van. Hij trekt zijn in weken niet gewassen broek binnenstebuiten aan. Ziet hij er toch nog patent uit. Tijd voor het ontbijt. Aggie, medewerker van Streetuniverse, deelt zoete vers-van-de-bakker bollen uit en vervolgens is het wegwezen geblazen. Wie mee wil naar de dagopvang mag mee. De meesten willen wel. Een paar straten verderop slaapt het volgende -jongere- clubje. Gemiddeld zo'n jaar of elf. Leven op straat is leven in groepsverband. Het biedt warmte, vriendschap, veiligheid.

Een van de jongens heeft uit zijn kleren een stukje stof gescheurd en dat besprenkeld met lijm. Hij neemt nog gauw een hijs. Alle kinderen snuiven. De winst op korte termijn is lichtheid in het hoofd, ongevoeligheid voor kou of warmte. Een van de desastreuze effecten op lange termijn is blindheid. Wanneer lijm en verfverdunners niet meer het gewenste effect hebben, stappen ze over op dagga (marihuana) of het zwaar verslavende mantrax. Aggie pakt van een van de jongens een fles verfverdunner af en maakt een wegwerpgebaar. Grapje. Hij draait de dop op de fles en steekt hem in zijn zak. Aan het eind van de dag krijgen ze hun schatten terug, maar op Streetuniverse gelden regels. Oftewel 'reëls'. 'Geen slaapery, geen alkohol, geen thinners (verfverdunners), respek personeel, respek mekaar, hou gronde skoon, geen bakleiery, geen vloekery, geen dagga'.

Nog een laatste pleisterplaats wordt bezocht en dan scheurt het busje richting Streetuniverse. De basketbalnetten worden opgezet, de drums uit de kast gehaald; wie wil, kan douchen, wie niet wil, ook goed, en om twaalf uur is er pap.

Een dag wachten op het lijmlapje duurt een van de jongens net een paar uur te lang. Hij jat zijn dierbare bezit uit de auto, waarop hij in de kraag wordt gevat en retour richting stad gebracht. 'Reëls zijn reëls.' Wat de kinderen op straat doen is hun zaak. Het enige wat Streetuniverse wil, is hen kennis laten maken met een andere kant van het leven. En wanneer een van hen zelf aangeeft die kant verder op te willen, worden alle zeilen bijgezet om hem of haar daarbij te helpen. Niet dat veel kinderen die keuze maken. De meesten raken té verslingerd aan de straat, maar, zo luidt de filosofie van de medewerkers: 'wie één kind redt, redt de hele wereld'.

De oorzaken waardoor de Zuid-Afrikaanse kinderen op straat terecht zijn gekomen zijn legio. Moeder gestorven, vader gewelddadig, ouders bezweken aan aids, jongen door familie achtergelaten in de stad, meisje misbruikt. Hoe verschillend de achtergronden ook, eenmaal op straat staan ze allemaal voor dezelfde opdracht: overleven. Meer smaken zijn er niet. Wel brengt iedereen zijn persoonlijke accenten aan.

Wilfred (14), van huis en nieuwe stiefvader weggelopen op zijn negende, heeft zo zijn eigen tactiek. Witte voetjes halen bij witte mensen. De vertederende straatjongen spelen. Toeristen paaien met zinnetjes in hun eigen taal. Duits, Nederlands, Frans. Gute Abend. Gaat het goed met u? Bienvenue. Ja, dat levert hem genoeg geld op. Ze nemen hem soms ook mee naar de bioscoop of McDonalds.

Eén Amerikaanse dame wilde hem zelfs adopteren maar daar stak zijn moeder een stokje voor. Beter op straat in Kaapstad dan in een bed in Amerika. Nee, hij doet niet mee aan berovingen. Die heeft hij niet nodig. Vijf minuten later tovert hij vol trots een apparaatje tevoorschijn, diep weggestopt in de voering van zijn jas ('anders vindt de politie het') om te demonstreren hoe je een autoraam inslaat. Ook bekent hij stoer dat hij erin geslaagd is te ontsnappen uit de jeugdgevangenis. Hij verraadt meer dan hij ons wil doen geloven. Aan een vriendin heeft hij geen behoefte en aan tatoeages ook niet. Hij is een nette jongen. En hoe het verder moet? 'I follow life'.

Zakkie is vijf, 'maar geen kind meer' zoals hij zelf zegt. Misschien wel nooit geweest. Je mag hopen dat hij het op een dag wordt. Want dit jongetje, dat op schoot en school zou moeten zitten, vecht, rookt, voetbalt en schreeuwt als een doorgewinterde puber. Zijn ouders leven ook op straat. Ergens. Hij heeft er trouwens meer dan twee. De andere kinderen gedragen zich moederlijk, vaderlijk tegenover de benjamin van de groep. Tonen zich bezorgd, op hun manier. 'Zolang hij sigaretten rookt, rookt hij tenminste geen dagga.'

Kentucky is broodmager. Ziet eruit als dertien maar zegt achttien te zijn. Hij is ziek. Tuberculose is de diagnose, maar ook aids heet hier vaak tuberculose. Het is onbekend hoeveel van de naar schatting 1200 straatkinderen die in Kaapstad leven hiv-positief zijn. 'Reken er maar op dat het er veel zijn', zegt de ene straatwerker. 'Bijna allemaal', zegt een andere. Ze staan bloot aan alle denkbare risico's die de overdracht van het hiv-virus in de hand werken. Van het bloed-bloed contact door de talloze vechtpartijen, tot aan verkrachting. De behoefte aan warmte lossen ze in met onveilige vrijpartijen, dan eens met de een, dan eens met de ander. Kentucky heeft onlangs twee vriendjes verloren aan de dood. 'Ook tuberculose', zegt hij. Het ziet er naar eruit dat hij binnenkort dezelfde weg gaat. Hij is al een paar keer opgenomen in het ziekenhuis maar hem steeds gesmeerd. Hij verdraagt geen structuur. Miste zijn vriendjes.

'Vijf gestorven in bloedige drugsoorlog', kopt de Cape Argus, een lokale Kaapse krant. De vijf zijn bendeleden. Behoren tot 'the Firm', respectievelijk 'the Americans'. Ook wel prozaïsch aangeduid met de cijfers 26 en 28. Voor de jongens van Streetuniverse zijn de begrippen gesneden koek. Zo jong als ze zijn, kennen ze de tekens waarmee je aangeeft tot welke bende je hoort. Opgestoken duim, dan ben je een 26, duim en wijsvinger: een 27, duim, wijsvinger en middelvinger: een 28. Ze spelen hun voorland.

Voor de oudere straatkinderen is het meer dan spel. Bijna allemaal hebben ze lange nachten doorgebracht in de volle cellen van de Pollsmore-gevangenis, waar het regime van de bendes heerst. Ze hebben aan den lijve ervaren dat je er niet aan ontkomt je het eerste uur te bekennen tot 26, 27, of 28. Zonder bende is het afzien. Mét overigens ook. Een bende biedt bescherming maar hangt daar een hoog prijskaartje aan. Je begint onderaan de pikorde, als 'soldaat'. Voetveeg, slaafje van hoger in de hiërarchie geplaatsten. Van 'soldaat' naar 'generaal' is een lange weg die over veel schijven loopt. Na het sloven worden prestaties als beroving, een steekpartij, 'first kill' beloond met statusverhoging.

Aggie, medewerker van Streetuniverse, heeft zestien jaar straatleven achter de rug, elf keer onderbroken door een retourtje Pollsmore. Op zijn enkel de tatoeage 28. Het nummer van de bende met het heldere motto: 'Op God vertrouwen we, in geld geloven we'. Op zijn arm de tekst: 'good-looking boy with bad ideas'. Op zijn achtste liep hij weg van huis. Dat gebeurde nadat zijn moeder voor zijn ogen was doodgestoken bij een burenruzie, en zijn stiefvader hertrouwde met een alcoholische, tirannieke dame.

Aggie heeft de familietraditie hoog gehouden. Zowel zijn vader -overleden toen hij anderhalf was- als zijn stiefvader, waren beruchte wetsovertreders. Na zestien jaar was het op. Op een dag had Aggie gewoon genoeg van de straat, de gevangenis en het bendeleven. Sinds een jaar voor hem geen dagga en mantrax meer. Hij heeft drie maanden geleden samen met Ghost, (dit milieu grossiert in bijnamen), ook ex-bendelid, een kamer betrokken. Stort zich nu met toewijding op de nieuwe generatie die hopeloos verloren dreigt te gaan.

Streetuniverse werkt met meer ervaringsdeskundigen als Aggie. Zij kennen het klappen van de zweep. Nicholas (30) leefde van 1983 tot 1995 op straat. En zat met regelmatige tussenpozen in de Pollsmore gevangenis. De ommekeer kwam toen zijn vier maanden oude dochtertje stierf. ,,Ik begreep ineens wat het was om iemand waar je van houdt te verliezen. Dacht aan de levens die ik had genomen, het verdriet dat ik anderen had aangedaan. Wist: dit niet meer. Ik heb een baantje gezocht en gevonden en ben langzaam opgeklommen. Ik rijd nu 's ochtend en 's avonds de kinderen van en naar Streetuniverse. Ik hoop hier nog eens een vaste baan te krijgen. Ik snap hoe de kids in elkaar zitten, heb hun spelletjes door. Ze komen aanzetten met dezelfde nonsens als ik vroeger. Dan denk ik, doe maar jongens, mij krijgen jullie niet. Zie je die littekens op mijn armen, ik kan er niet meer naar kijken. Het zijn sporen uit een verleden dat ik haat. Ik zou hen een dergelijke haat willen besparen.''

De kinderen zijn uitgevoetbald, uitgedrumd. Hangen op en tegen de muur. Ik pak een pen uit mijn tas die me ineens erg leeg voorkomt. Portemonnee weg. Met paspoort en tickets. Paniek. Aggie en Nicholas trommelen de kinderen op. ,,Jullie gaan hier niet weg voor die portemonnee terug is.'' Wie o wie? Geen kik, geen sjoege. Dan gooit Aggie er de psychologie van de straat in: ,,Het geld mogen jullie houden maar de papieren moeten terug''. Een gouden vondst. Vijf minuten later steekt een van de jongens triomfantelijk de met modder overdekte portemonnee in de lucht. Met papieren, zonder geld. Gevonden op een onmogelijke plek. ,,We komen er altijd achter wie de dader is'', zegt een medewerker. ,,Morgen, overmorgen, volgende week, praat de een of de ander wel zijn mond voorbij.'' Dat gebeurt diezelfde avond al. Ik vraag aan Chantal waar Leroy is. ,,Die ligt te slapen van jouw geld'', lacht ze. Leroy. Die me nog zo attent op wees op mijn openstaande tas. Grote kinderen zijn het.

Het is vier uur. De kinderen worden ingeladen en 'thuis' gebracht. Afgezet bij de blinde muur, of op de hoek van de straat. Een paar uur later trekt een straffe wind door de straten en pakken dreigende wolken zich samen boven Kaapstad. De kinderen warmen zich aan een zelfgestookt vuurtje en aan elkaar, schuilen in het portiek. Aan het briefje van ene Fred op de voordeur ('No one to sleep on this stoep, thanks') hebben ze geen boodschap. Waarom zouden ze ook?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden