Column

Juist dat dieren ook kwaad, geil, en lui kunnen zijn, maakt hen zo interessant

Leonie Breebaart Beeld Maartje Geels

‘We projecteren onze eigen ideeën en emoties op dieren. Maar dat is een misvatting,” waarschuwde de Trouwlezer welbekende bioloog Jelle Reumer onlangs in deze krant

Ik vond dat een verbazingwekkende uitspraak. Hoe kun je geïnteresseerd zijn in dieren zónder in hen menselijke trekjes, of misschien eerder alle dieren gemeenschappelijke ideeën en emoties te herkennen? Zeker, de voorbeelden die Jelle Reumer te berde bracht, gaven de tegenstanders van ‘antropomorfisme’ gelijk. Natuurlijk is het een antropomorfe ‘misvatting’ dat dolfijnen kunnen lachen en dat kamelen net zo hautain zijn als ze eruitzien. Maar welke volwassene zou zo’n misvatting serieus verdedigen? Het lijkt me meer de schattige observatie van een kind dat voor het eerst in de dierentuin komt.

Aan serieuze tegenvoorbeelden is intussen geen gebrek. Ook volwassen biologen die dieren jarenlang observeren, zoals de primatologe Jane Goodall, herkennen in hen op grond van hun gedrag emoties die ons bekend voorkomen. 

Moeten we de moederliefde van een chimpansee zien als iets totaal anders dan wat wij als mensen voelen voor ons kroost? Goodall heeft wel eens gezegd dat ze van chimps in dit opzicht veel geleerd heeft. Tegenstanders van antropomorfisme vinden dat vast een heel verkeerde houding.

Tekst loopt door onder afbeelding. 

Beeld Thinkstock

Kwaad en geil

“Dieren zijn niet lief, dat zien wij alleen maar in ze”, aldus Jelle Reumer. Dat klinkt een beetje alsof we alleen om dieren geven indien we ze ‘lief’ vinden. Maar is dat zo? Alleen al uit de landelijke populariteit van de BBC-natuurseries als ‘Planet Earth’ blijkt iets heel anders. Juist dat dieren ook kwaad, geil, sluw en lui kunnen zijn, maakt hen voor ons zo interessant. 

“Kijk, hoe sluw die spin dat vrouwtje verleidt!” Die verwondering geldt zeker niet alleen dieren die op ons lijken, maar ook insecten, een groep dieren waar Reumer zich terecht druk om maakt, omdat de soortenrijkdom in Nederland mede dankzij het gebruik van insecticiden bedroevend laag blijft.

En wat maakt het verdwijnen van vlinders, libellen, luizen, vliegen, slakken en bijen eigenlijk zo erg? Toch niet alleen dat ze noodzakelijk voedsel zijn voor ándere dieren - dat is een afgeleid argument. Dat het torretje, de vlinder en zelfs de wesp ons aan het hart gaan, komt juist doordat we in hen sinds mensenheugenis van alles herkennen. 

Geen wonder, want er zijn nogal wat opdrachten in dit leven die we met dieren delen: verleiden, schuilen, jongen grootbrengen, vechten enzovoorts. De sterke mier, de inventieve spin, de queen bee die haar volk laat werken: juist als spiegel van onszelf vinden mensen andere dieren bewonderenswaardig, grappig, ontroerend en het beschermen waard.

Dat er bij die ‘projectie’ ook wel eens al te makkelijk iets wordt toegekend wat wetenschappelijk niet helemaal te bewijzen is, lijkt me geen reden herkenning te ontmoedigen, zeker niet als je mensen ertoe wilt overhalen respect te krijgen en empathie te voelen voor al wat leeft, net als wijzelf.

“Pappa, waarom gaat die slak in zijn huisje zitten. Is hij bang?”

“Nee kind, dat mag je niet zeggen, dan ben je antropomorf bezig. We weten niet wat de slak voelt.”

“Dan mag ik hem dus ook wel doodtrappen?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden