Judoreus bleef straatvechter tot bittere einde

(Trouw) Beeld ANP
(Trouw)Beeld ANP

amsterdam – - Tot het einde heeft hij gevochten. Anton Geesink, die gisteren op 76-jarige leeftijd in Utrecht overleed, had zijn strijdvaardigheid de afgelopen jaren weliswaar wat laten temperen, maar altijd bleef hij de vinger aan de pols houden als NOC-NSF beleid maakte. En dan bij voorkeur in de contramine, zoals hij ook als sporter handelde en groot werd.

Altijd is Geesink de straatvechter gebleven die hij als jeugdige bewoner van de Utrechtse achterstandswijk C was. Dankzij zijn strijdbaarheid en vasthoudendheid vierde hij een van de grootste Nederlandse sporttriomfen op de Olympische Spelen.

In 1964 werd hij in het hol van de leeuw Tokio judokampioen in de meest aansprekende discipline, alle categorieën. Door in de finale voor 18.000 toeschouwers de Japanse favoriet Akio Kaminaga te verslaan, dompelde hij de bakermat van die sport in diepe rouw. Door de wijze waarop hij respect toonde voor zijn tegenstander en het verslagen volk, werd hij in Japan mateloos populair.

Zoals hij later als sportbestuurder altijd zou hameren op het protocol, en tot vervelens toe kon wijzen op statuten en reglementen, zo deed hij dat daar als sportman op de mat. Ingetogen stond hij op als olympische triomfator. Hij hielp zijn gevelde tegenstander overeind en stuurde juichende ploeggenoten resoluut van de mat weg. Zo hoorde dat in deze van eeuwenoude tradities vergeven Japanse vechtsport.

Die wijze van handelen was in de hoogste kringen van het IOC niet onopgemerkt gebleven. En dat bleek de kans voor deze metselaarsknecht om op uitnodiging van de dit jaar overleden IOC-voorzitter Antonio Samaranch, in 1987 volkomen onverwacht toe te treden tot het hoogste gilde van de olympische sport, als lid van het IOC.

Geesink zette daarmee vooraanstaande Nederlandse sportbestuurders te kijk. En ironisch genoeg werd hij daarmee de official, die hij tijdens zijn actieve carrière als judoka en worstelaar te vuur en te zwaard had bestreden.

Vorig jaar verscheen de biografie van Geesink, ’Een killer in Kimono’, van de hand van Kees Kooman. Geesink verleende aanvankelijk zijn medewerking aan het project, maar uit het boek wordt al snel duidelijk waarom hij daar uiteindelijk toch van afzag.

Er wordt een man met twee gezichten afgeschilderd. Geesink was een man die bijzonder innemend kon zijn, en zich op die wijze binnen de topsport en in de hoogste kringen van sportbestuurders goed kon handhaven. Maar hij kon ook genadeloos misbruik maken van mensen, zelfs van naasten en goede vrienden.

Wie in de sport de top wil halen, moet een egoïst zijn. Dat had Geesink al in de jaren zestig goed begrepen. Echte topsport bestond in die tijd niet, zeker niet in Nederland, maar Geesink had destijds alle eigenschappen van de eerste Nederlandse topsporter. Hij moest daarvoor als ’professional’ alle mazen van de toen heersende amateurbepalingen vinden.

Op die wijze kon hij zich grote opofferingen getroosten, zoals lange trainingskampen met veel ontberingen. Daarvoor zocht hij bewust het grootste judoland Japan op, waar hij alle finesses van de vechtsport tot zich kon nemen. Dat zijn Japanse trainer door de concurrentie als een soort landverrader werd beschouwd, was hem een zorg.

Als eerste Nederlander begreep Geesink dat het hoogst haalbare nastreven in de olympische sport, ook de grootste opofferingen en strijd vergde. Daarvoor kreeg hij op de Spelen slechts één kans, in 1964. Op continentaal niveau was hij een ware alleenheerser, met 21 Europese titels.

Als IOC-lid was Geesink automatisch bestuurslid van NOC-NSF. Maar zijn benoeming in het IOC was binnen het nationale comité een valse start. Te veel anderen hadden die zetel al voor zichzelf gereserveerd. Het leidde vanaf de eerste algemene vergadering van het (toen nog) NOC tot grote botsingen, waarbij Geesink de onverzettelijke zwaargewicht bleef.

Hij had een automatische afkeer van voorzitters, van wie hij altijd vond dat ze niet democratisch werden gekozen. Zijn achterdocht en wantrouwen jegens hen werden legendarisch.

Dieptepunten waren zijn ruzies met Wouter Huibregtsen en Hans Blankert en het moment waarop hij het NOC-NSF een ’illegale organisatie’ noemde.

Pas onlangs kreeg hij zijn zin met de benoeming van voorzitter André Bolhuis, een man in wie hij de oud-topsporter herkende. Mannen onder elkaar, zo moest het wezen.

Anton Geesink als olympisch kampioen: in 1964 verslaat hij de Japanner Kaminaga. Anton Geesink als IOC-lid. (FOTO'S ANP) Beeld
Anton Geesink als olympisch kampioen: in 1964 verslaat hij de Japanner Kaminaga. Anton Geesink als IOC-lid. (FOTO'S ANP)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden