Tien geboden

Judoka Roy Meyer: 'Ik kwam op tijd tot inkeer'

Roy Meyer: "Ik hoef mijn emoties niet meer te verbergen. Je kunt altijd gekwetst worden, het gaat erom hoe je reageert." Beeld pro shots

In de serie 'tien geboden' interviewt Arjan Visser wekelijks bekende en minder bekende Nederlanders aan de hand van de Bijbelse tien geboden over hun leven, wereldbeeld en religie. Roy Meyer (Breda, 1991) is judoka. Hij was Europees kampioen in 2012 en nam in 2016 deel aan de Olympische Spelen. Dit jaar won hij bij de Europese Kampioenschappen in Warschau een bronzen medaille.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Zonder Gods hulp zou het slecht met mij zijn afgelopen. Ik weet nog goed hoe ik als klein jongetje ging bidden als ik het moeilijk had - ‘Here Jezus, bescherm mij alsjeblieft’ - en hoe mijn deken dan twee keer zo zwaar op mij leek te drukken; alsof ik door Zijn liefde werd omsloten. God was er. En ik hoefde niet langer bang te zijn.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Zodra je je niet meer bewust bent van jezelf of je omgeving, zodra je je gaat verliezen in uiterlijkheden, in de behoefte om dingen te bezitten, overtreed je dit gebod. Mijn grootste afgod is absoluut de topsport. 

"Ik heb altijd gezegd: topsport staat op nummer één, mijn relatie en mijn opleiding volgen op de tweede en de derde plaats. Inmiddels zeg ik dat mijn vrouw en mijn zoontje op één staan, maar als je me gaat vragen de topsport op te geven zal ik nee zeggen. Topsport was ooit mijn reddingsboei. Ik denk dat ik er gewoon nog niet aan toe ben om die los te laten.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Op een dag liep ik in de tuin van een internaat - ik weet niet meer waar precies, ik denk dat het op mijn derde of mijn vierde adres was - toen ik een paar jongens de naam van God ijdel hoorde gebruiken. Ik vond het wel spannend klinken en besloot het ook een keer te proberen, maar ik voelde me daarna meteen heel erg rot. 

"Wat had ik nou gedaan? God gevraagd me te verdoemen? Ik was pas elf of zo, maar wist één ding zeker: dit zou ik nóóit meer doen. Niet omdat ik God ermee zou beledigen, of zoiets. God is geen toornig Opperwezen, God is niet Iemand die ons wil straffen. God is liefde, onvoorwaardelijke liefde. Alles wat misgaat in de wereld heeft de zichzelf vervloekende mens aan zijn eigen destructieve karakter te danken.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Gebrek aan structuur: dat is mijn grootste probleem. Ik ben traag, ik ben slordig en in mijn agenda is het een rommeltje. Rustmomenten komen eerder toevallig dan met opzet. Ze zijn wel nodig om mezelf in drukke tijden weer een beetje in balans te trekken. Ik heb twee hobby’s die me daarbij helpen: pianospelen en schatzoeken. Af en toe ga ik met mijn metaaldetector op pad. Het mooist zijn de dingen van historische waarde. Romeinse muntjes, antieke ringetjes, dat soort dingen... maar die structuur, ja, als ik mezelf daarin weet te verbeteren zal ik op alle lagen van mijn leven meer succesvol zijn.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Op een middag kwam de gezinsvoogd langs. Er hing zo’n naar spanningsveld in huis. Mijn moeder was al een paar dagen van slag, maar dat kwam door de ruzies met mijn vader - dacht ik. Ik moest even op de bank komen zitten. Hoorde mijn ouders praten. Dat ze niet wisten hoe het verder moest. Dat het zo niet langer kon. 

"Ik voelde de adem stokken in mijn keel, mijn maag kromp ineen... Wat gaat er gebeuren? Wat gaat er gebeuren? Toen kwam het hoge woord er uit: ‘Je moet weg.’ Mijn kleren werden in een paar vuilniszakken gepropt en niet veel later zat ik in de auto, op weg naar het internaat. Mijn moeder huilde. ‘Je mag in het weekend naar huis,’ zei ze, ‘ik ga je elke week een kaartje sturen!’ En: ‘Het is maar voor even.’ Mijn vader zei niets.

“Ik werd afgezet bij een groot gebouw. In mijn gedachten kan ik de auto nog steeds zien wegrijden. Ik huilde, voelde me alleen, in de steek gelaten. Ik was net tien geworden. Misschien klopte het wel wat mijn ouders zeiden: ik was onhandelbaar, ik zwierf van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat op straat, haalde kattekwaad uit, terroriseerde de buurt, maar wat moest ik thuis doen? Thuis was er altijd ruzie. Van de dertien jaar die mijn ouders bij elkaar zijn gebleven, hebben ze de meeste tijd op elkaar gescholden en gevochten.

“Mijn vader is van 1945, geboren op Curaçao. Hij is onder moeilijke omstandigheden opgegroeid, opgevoed door zijn oma en zijn moeder. Rond zijn negende werd hij naar een tehuis gestuurd waar de paters de scepter zwaaiden. Daarna is hij naar Nederland vertrokken. Ik wil je er niet te veel over vertellen - dat is zijn verhaal - maar ik kan wel zeggen dat het een duistere periode is geweest. Op een dag kwam hij mijn moeder tegen. Zij werd zijn tweede vrouw. Mijn moeder komt uit Mijdrecht. Ze is achttien jaar jonger dan mijn vader. 

"Ik herinner me uit mijn vroege jeugd dat zij altijd bij me op de kamer kwam slapen. Ik durfde niet alleen te zijn. Later begreep ik pas echt waarom ik erop stond dat ze bij me bleef: dan kon mijn vader haar niets aandoen. Toen ik een jaar of vier was, heeft hij een keer zo hard met een bezem tegen haar been geslagen dat de steel brak en mijn moeder bewusteloos op de grond viel. Ik dacht dat ze dood was en raakte in paniek. Wat er daarna gebeurde, weet ik niet meer. Ik denk dat ik op een vreemde manier ook ging wennen aan die agressie in huis. 

"Ik kreeg zelf ook regelmatig een tik, of een bos sleutels naar mijn hoofd gegooid. Mijn vader werd om het minste geringste boos. Ik was constant op mijn hoede en wist van ellende niet meer hoe ik me moest gedragen. Tegen de tijd dat ik uit huis werd gezet, was ik inderdaad niet meer te handhaven.

“Ik ging van het ene internaat naar het andere, heb twee keer - wegens plaatsgebrek - in een jeugdgevangenis gezeten. Het enige geluk in mijn leven was het geloof; als ik bad, voelde ik Zijn aanwezigheid en was ik niet langer alleen. Mijn moeder deed wat ze had beloofd: ze stuurde me kaartjes, meestal met een religieuze tekst over de liefde van God en hoe ik op Hem moest blijven vertrouwen.

“Mijn dossier werd inmiddels steeds dikker. Op een dag, ergens in 2008, las ik het rapport van een van die begeleiders toen het tot me doordrong dat ze mij als een hopeloos geval beschouwden. Dat raakte me zó diep. Ik dacht: ik moet hier weg zien te komen, weg van de mensen die zo over me denken. Op m’n knieën door alle shit heen kruipen, aardig zijn terwijl ik woedend was, overal ja en amen op zeggen, alle middelen waren geheiligd. 

"En toen gebeurde er iets wonderlijks. Doordat ik ruzies uit de weg ging, zelfs glimlachte als iemand mij boos benaderde, begon er diep van binnen iets in me te veranderen. En meer dan dat: als ik vriendelijk deed - zelfs tegen mijn grootste vijand van dat moment - deed hij vriendelijk terug. Van iemand die deed alsof, veranderde ik langzaam maar zeker in een jongen die werkelijk positief in het leven stond. 

"Het was een enorm succes, voor het eerst in mijn leven had ik mijn gedrag zelf onder controle. Ik vroeg mijn moeder om me boeken te sturen. Over het geloof, over psychologie, over het effect van positiviteit. Een half jaar later stond ik voor de jeugdrechter. Hij schoof mijn dossier aan de kant en zei: ‘Twee of drie keer per jaar kom ik jongens zoals jij tegen, jongens die écht willen veranderen. Ik denk dat het je gaat lukken.’ Het was alsof ik de zegen kreeg. Ik mocht naar huis.

“De eerste tijd woonde ik bij mijn moeder en haar nieuwe vriend. Ik werd begeleid door een therapeut, ging weer naar school en begon weer te judoën, de sport die ik vroeger al had beoefend, toen mijn ouders dachten dat ik daar minder druk van zou worden. Binnen een jaar werd ik Europees kampioen voor jongens onder de twintig. 

"Ik moest alleen nog stoppen met blowen en geen biertjes meer drinken bij het ontbijt - een paar overblijfselen uit mijn jaren in de gevangenissen en de internaten. Ik moest leren hoe ik me als een topsporter diende te gedragen. Bij mijn derde grote toernooi, in Bremen, behaalde ik de tweede plaats. Er is een foto van mij, op het podium. Daar zie je het aan mijn blik: de omslag is nu definitief gemaakt.

“We zijn wel van het onderwerp afgedwaald hè? Eerbied voor mijn ouders... Misschien bestaat het eren van mijn vader en moeder er wel uit dat ik hen met rust laat. Ze hebben het niet in zich om mij te geven wat ik nodig heb. Ze missen het inzicht. Ik handel niet meer vanuit boosheid, ik heb geen hekel aan ze of zo, maar onderhuids is die wrok wel altijd blijven bestaan: hoe hebben jullie me zo in de steek kunnen laten?”

Tekst loopt door onder afbeelding. 

Roy Meyer Beeld Mark Kohn

VI Gij zult niet doodslaan

“Toen ik een jaar of zeventien was, heb ik een keer met zo’n blaaspijp een krantenpijltje met een speld erin in de vleugel van een eend geschoten. Het beest fladderde in paniek alle kanten op en ik kreeg onmiddellijk last van een misselijkmakend gevoel van spijt. Ik rende achter het dier aan, wilde hem redden, maar ik heb hem niet meer te pakken gekregen. ’s Nachts droomde ik over een boze eend die me overal achtervolgde.

“Ik kan er zelfs nu nog steeds verdrietig van worden, weet je dat? Dat ik een ander wezen, zomaar, willens en wetens zeer heb gedaan - het is verschrikkelijk. Ik begrijp wel dat het misschien raar is om zoiets juist uit mijn mond te horen. Gezien mijn verleden zou je zeggen dat ik alles in me heb om een agressief en gewelddadig persoon te zijn, maar echt: ik heb een groot geweten, misschien wel groter dan gemiddeld.

“Als iemand ruzie zoekt, loop ik niet weg. Hoewel ik altijd eerst zal proberen om iets uit te praten, ben ik ook bereid om mijn vaardigheden te gebruiken om een situatie te neutraliseren. Ik heb geleerd hoe ik me moet beheersen. Ik ben me ervan bewust dat ik een levensgevaarlijk wapen bij me draag. Ik kan je namelijk binnen dertig seconden uitschakelen.

“Hoe? Simpel. Ik klem tegelijkertijd je luchtpijp en je halsslagader af. Binnen twintig seconden verlies je het bewustzijn omdat er geen bloed meer naar je hersenen stroomt. Dan duw ik je kin naar achteren waardoor je nekwervels op slot komen te staan. Vervolgens breek ik je nek. En dan ben je dood.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Toen ik mijn huidige partner voor het eerst ontmoette, dacht ik: zij wordt mijn vrouw, zij wordt de moeder van mijn kinderen. Ik kwam uit een relatie die na drie jaar heel ongelukkig was geëindigd, dus ik was ook huiverig - kon ik hier wel zo zeker van zijn? Ik kreeg mijn bevestiging in een soort droom: ja, zij is het. Als je met haar verdergaat, zul jij je als mens verder ontwikkelen. Het was meant to be, daar ben ik heilig van overtuigd.

“Na een paar jaar kwamen we voor onze eerste grote test te staan: ik had bedacht dat ik pas over vijf jaar, rond mijn dertigste, vader wilde worden, maar mijn vrouw is zeven jaar ouder en zij wilde niet zo lang wachten. We vonden een middenweg: na de Olympische Spelen van 2016 mocht het gebeuren... En het is gebeurd, het mooiste wat ons kon overkomen. Ik ben vader. Ik ga het beter doen dan mijn eigen vader. Dat is op zich niet moeilijk, hij is in geen enkel opzicht een voorbeeld voor me geweest. Ook niet wat de huwelijkse trouw betreft.

“Doordat ik zo gespierd ben, krijg ik voldoende aandacht van vrouwen, maar ik ga nooit ergens op in. Ik kan alleen overleven bij stabiliteit. Als ik de vrouw verlies die ervoor zorgt dat ik positief in het leven sta, zou ik niet alleen haar kwetsen maar ook mezelf, en alles wat ik met zoveel moeite heb opgebouwd, kapotmaken.”

VIII Gij zult niet stelen

“Ik heb dingen vernield, spullen gestolen. Hoewel ik er zelf niets mee te maken had, ben ik ook een keer voor een scooterdiefstal gearresteerd. Het was zo makkelijk om van kwaad naar erger te gaan, maar ik ben gelukkig op tijd tot inkeer gekomen. Daar kan ik alleen God maar dankbaar voor zijn.

“Ik heb ingezien dat Hij ándere plannen met mij heeft. Door in de topsport voor goud te gaan kan ik een platform creëren, aan probleemjongeren laten zien dat er hoop is, dat niemand het verdient om te worden afgeschreven.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Vroeger durfde ik niemand iets te vertellen omdat ik bang was dat ik daar op gepakt zou worden. Nu ben ik open. Ik heb geen behoefte meer om mijn emoties te verbergen. Je kunt namelijk altijd gekwetst worden, het gaat er vooral om hoe je daarop reageert.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Jaloezie herken ik als iets wat vies, wat vuil is. Zodra dat gevoel in me opkomt, zorg ik ervoor dat het weggaat. Ik hoef niet per se iets te hebben. Ik wil alleen maar delen, zoveel mogelijk mooie dingen delen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden