Judasevangelie / Judas verkopen

Op 6 april presenteerde National Geographic het evangelie van Judas. Er verschenen een documentaire en een aantal boeken over het geschrift. Volgens Hans van Oort, een van de weinigen die de tekst tot nu toe heeft mogen bekijken, zijn de eerste verkenningen helaas oppervlakkig. „Met deze unieke vondst is uniek gemarchandeerd.”

Tegelijk met een ’onthullende documentaire’ publiceerde National Geographic de eerste vertaling van het evangelie van Judas. Ze is voorzien van korte toelichtingen in voetnoten. Daarnaast schreven vier deskundigen toelichtende artikelen. Van dit Amerikaanse boek verschenen inmiddels diverse drukken en vertalingen.

De Zwitser Rodolphe Kasser vertelt een summier achtergrondverhaal over de ontdekking. Het Judas-evangelie is gevonden in een codex die nu de naam draagt van de dame die hem kocht: ’Codex Tchacos’, naar de Zwitserse antiekhandelaar Frieda Nussberger-Tchacos.

Kasser, een Zwitserse dominee die zich ontwikkelde tot specialist in het Koptisch, toont zich nogal opgewonden over de vondst. Ongetwijfeld is het bijzonder wanneer men op hoge leeftijd – Kasser is ruim tachtig – een dergelijke ontdekking meemaakt.

Professor Kasser was ook degene die op het Parijse congres van koptologen op 1 juli 2004 het nieuws als eerste mocht presenteren. Die nog steeds ongepubliceerde voordracht was een stuk retorisch proza, vol grote woorden als ’miracle’, ’hasard’ en ’horreur’.

Zijn bijdrage in dit boek kenmerkt zich door een dergelijke stijl. „Ik slaakte een kreet toen ik voor het eerst, op de avond van 24 juli 2001, het object zag dat mijn bezoekers, die zeer in verlegenheid waren, voor mij hadden meegebracht om te onderzoeken.”

Zulke taal, ongetwijfeld door ghostwriters aangedikt, gaat er bij het grote publiek stellig in als koek.

Meer informatief is gelukkig Bart Ehrman. Ehrman heeft in de loop der jaren een naam opgebouwd met publicaties als ’Lost Christianities’ en ’Lost Scriptures’. In eerstgenoemd boek laat hij zien dat vooral de gnostische variant van christendom het in de eerste eeuwen moest afleggen tegen de opkomende orthodoxie. Het andere boek bespreekt allerlei geschriften – weer vooral gnostische – die de orthodoxe canon niet haalden en vaak pas recent weer opdoken.

In deze uitgave van National Geographic schetst Ehrman de plaats van het Judasevangelie in de context van het zeer veelkleurige christendom van de eerste eeuwen.

Gregor Wurst, een jonge onderzoeker uit Münster die sinds deze zomer hoogleraar in Augsburg is, gaat beknopt in op de verhouding van kerkvader Irenaeus en het Judasevangelie.

De bisschop van Lyon is rond 180 de eerste die melding maakt van een ’door ketters gefabriceerd’ werk ’dat zij het evangelie van Judas noemen’. Maar las kerkvader Irenaeus het geschrift zelf?

Wurst blijft enigszins in het vage. Ik meen dat we intussen kunnen zeggen: Irenaeus las het niet zelf, hij hoorde erover in hem voorafgaande traditie. Dat brengt de datum van ontstaan ruim vóór 180.

Wurst meldt ook ergens Hippolytus als bron van informatie over het Judasevangelie. Maar het is beter om hier Justinus te noemen, wiens verloren werk over ketterijen zeker door Irenaeus is geraadpleegd. Dergelijke details zijn van belang: Hippolytus leefde immers rond 220 in Rome, Justinus de Martelaar schreef daar rond 160. Voor de datering van het Judasevangelie scheelt dat aanmerkelijk.

Wellicht de meest zinvolle bijdrage in het boek is van Marvin Meyer. Meyer probeert de gnostische component in het Judasevangelie te bepalen. Van hem is ongetwijfeld ook de meerderheid van de voetnoten waarin eveneens die gnostische component wordt gepeild. Terecht verwijst Meyer naar die vorm van gnostiek waarin de bijbelfiguur Seth een centrale plaats inneemt. Vandaar ook dat het evangelie van Judas parallellen heeft met geschriften uit Nag Hammadi zoals het Apocryphon of Geheime Boek van Johannes. Het gaat hier om ’sethiaanse’ gnostiek.

Eerlijk gezegd vind ik het boek van National Geographic vluchtig en soms zeer oppervlakkig. Dat is deels te verklaren uit het feit dat het de allereerste publicatie is. Een dergelijk boek wordt zelf ook een historisch document, omdat het intussen in talloze talen is vertaald, inclusief de meest gangbare vorm van Chinees. Maar vooral bij verder onderzoek blijkt hoezeer alles aan de oppervlakte blijft.

Diverse van die wereldwijde vertalingen berusten trouwens op niets meer dan de Engelse tekst. Dan raakt men wel heel ver van het origineel verwijderd. Aangekondigd is intussen ook een Nederlandse vertaling van dit Amerikaanse boek. Ze zal in oktober als ’Het evangelie van Judas’ bij Bert Bakker verschijnen. Men mag hopen dat voor de vertaling niet alleen gekeken wordt naar het Engels, maar ook naar de originele Koptische tekst. En zeker ook dat de laatste versie van het origineel wordt gebruikt, die is inmiddels namelijk op belangrijke punten verbeterd. Als dat niet gebeurt, loopt de lezer direct al maanden achter.

Zoiets is al snel het geval met het verhaal van de ontdekking. De Amerikaanse journalist Herbert Krosney heeft dit verhaal voor een breed publiek op schrift gesteld. Een spannend boek. Ook dit verschijnt in oktober op de Nederlandse markt. Als titel is aangekondigd ’Het verloren evangelie. De sensationele herontdekking van het evangelie van Judas’.

Krosney pakt in ruim driehonderd bladzijden wel heel breed uit. Het gaat van romantische zonsondergangen (Krosney herhaalt zich nogal eens) tot en met de vondst van Nag Hammadi en zelfs het verhaal van de rollen van Qumran. Het boek is ook uitgesproken Amerikaans, om niet te zeggen nationalistisch. Heeft het ermee te maken dat hij de co-auteur is van ’The Islamic Bomb’? Per slot van rekening hebben nu de Amerikanen – zo is de teneur van het boek – óók maar weer het Judasevangelie ontdekt.

Is dat waar? National Geographic heeft de rechten van eerste publicatie opgekocht, en stak daarmee, naar verluidt, Discovery Channel de loef af. Maar werd en wordt het grootste deel van het wetenschappelijke werk niet in Europa gedaan?

Krosney heeft op diverse locaties in Egypte, Europa en de Verenigde Staten belangrijk speurwerk verricht. De lezer doet er hoe dan ook goed aan zich te realiseren dat dit werk gedaan is in opdracht van de uitgever. National Geographic Society dus, gezeteld in de Amerikaanse hoofdstad Washington. Degenen die van deze machtige organisatie de eerste toegang tot het document kregen, worden allicht de helden van het verhaal.

Dat is niet verboden, maar het heeft een keerzijde. Ik twijfel er niet aan dat Krosney bepaalde personen bewust uit de wind houdt. Want hoe men het ook wendt of keert: ooit is Codex Tchacos als smokkelwaar uit Egypte verdwenen.

Met deze unieke vondst is uniek gemarchandeerd. Dat is onder meer ook de kritiek van James Robinson. Robinson werd bekend door zijn edities van de geschriften van Nag Hammadi.

Maar deze Amerikaan behoorde niet tot de happy few die toegang kregen tot de tekst van het Judasevangelie. In de eerste zinnen laat Robinson er geen enkel misverstand over bestaan hoe hij over deze gang van zaken denkt. „Zij die wel toegang tot de tekst kregen zijn afgekocht (zonder twijfel voor meer dan dertig zilverstukken). En zij hebben een eed van geheimhouding afgelegd op een stapel bijbels – of op een stapel papyrusbladen.”

Toch schrijft ’buitenstaander’ Robinson een heel boek over de ontdekking. Of moeten we zeggen: slechts naar aanleiding van de ontdekking. In feite beschikte hij niet over meer tekst dan de laatste pagina van het nieuwe evangelie. Een bladzijde die al in een vrij vroeg stadium was uitgelekt en nu nog op internet circuleert.

Op grond van zijn grote expertise én met behulp van zijn vele connecties (behalve uiteraard de afgekochte en daarom zwijgende ’happy few’, waaronder Robinsons eigen leerlingen) weet Robinson van wanten. Ondanks zijn grote handicap schreef hij toch een hoogst interessant boek. Met kennis van zaken tekent hij hoe Judas voorkomt in het Nieuwe Testament. Vervolgens beschrijft hij hoe hij zelf de historische én de gnostische Judas ziet. Dan vertelt hij weer met zuur in zijn pen wat hij weet over ’het geleur’ met de codex – en dat is opvallend veel.

Jammer is wel dat Robinson nogal vaak kritiekloos zijn informatie van internet plukt. Vooral de website van (voormalig) kunstsmokkelaar Michel van Rijn is zijn bron. Maar lang niet alles wat daarop staat is waar. Zelf heb ik bijvoorbeeld nooit gezegd dat ik ’vermoord zou worden’ (p. 108) wanneer ik vóór 6 april méér over de inhoud van de codex zou vertellen dan ook sommige anderen via een collectie uitgelekte foto’s wisten.

Tegen een journalist heb ik alleen gesproken over ’wetenschappelijke zelfmoord’ en dat is gelukkig iets anders. Maar goed, Robinson leest geen Nederlands en de fout ligt hier kennelijk bij Van Rijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden