Joyce

Aan Bloemsdag had ik nog nooit echt gedacht, totdat Bengels op Hindervoet besloten ons ernaartoe te leiden via een waagstuk op een schaal die alleen maar te verwachten viel van deze twee vermetelen die al eens eerder een bewijs hadden geleverd van hun schier tomeloze waaghalzerij door de vertaling van Finnegan's Wake.

Van een duo dat het aandurft om alle songteksten van The Beatles zingbaar en overtuigend in het Nederlands te vertalen kon op zeker moment ook verwacht worden dat zij Leopold Bloom uit Dublin zouden weghalen om hem in Amsterdam een vergelijkbaar traject af te laten leggen.

Ik las 'Ulysses' van James Joyce voor het eerst in 1970 en onderstreepte braaf de woorden die ik niet kende, zodat ik die later kon opzoeken. Hoewel ik toen al enkele jaren in Engeland woonde zat ik na veertien bladzijden al met de volgende woorden in mijn maag: threadbare - fretted - breeks - skivvys - whinge - lunged - rashers - gaud - mosey - flagged - barbicans - prepuces - kine - crone en upbraid.

En vierendertig jaar later zit ik nog steeds (of weer) met breeks - skivvys -mosey - en met die verrekte 'barbicans' natuurlijk, waarvan ik zeker weet dat ik ze al een paar keer heb opgezocht, maar de betekenis wil maar niet blijven hangen. Ik heb nu via de weg van intuïtieve lexicografie een betekenis verzonnen: barbicans zijn uitsteeksels aan oude houten zolderingen, waar men vroeger kleding aan hing of een vogelkooitje.

Ik heb een heel rijtje Engelse woorden in mijn hoofd waarvan ik ook na herhaald opzoeken nog steeds de betekenis niet goed weet vast te houden. Obstreperous is er zo eentje, via intuïtie makkelijk te duiden als: 'opstandig middels streperigheid'.

Of wat denkt u bij propinquish? Hetzelfde als ik natuurlijk: 'voorstellen bij schemerlicht'.

En inchoate? Juist: 'duister en ongeschikt'.

Het aardige van 'Ulysses' is dat dit heen en weer buitelen tussen taal, wereld en privé-associaties soms ineens betaalt als je bijvoorbeeld op de onvergetelijke zinsnede: the agenbite of inwit stuit. Het Verzonnen Woordenboek biedt hier onmiddellijk uitzicht op het levenslang naar binnen bijtende van ons verstand, waar geen ontkomen aan is.

Op vakantie vorig jaar herlas ik 'Ulysses' na eerst een nieuwe editie gekocht te hebben. Ik werd het zat om er via al die streepjes in mijn ouwe continu op gewezen te worden hoeveel woorden ik in 1970 niet begreep. Het werd de annotated student edition en die had ik wel nodig. Niet om Buck Mulligans Introibo ad altare Dei, want ik ben zelf katholiek-in-ruste, maar om de honderden zo niet duizenden andere toespelingen waar je niet uitkomt met behulp van welke intuïtie dan ook.

Joyce weet niks van mijn Amersfoort waar de familie Manasse in 1955 een drogisterij had in de Hellestraat naast Kuiper de kuipenmaker, schuin tegenover Vonkeman & Vredeling de houthandel (vader van de latere minister Vredeling) in hetzelfde straatje waar de achteringang van V & D was, en waar zich tevens een fietsenstalling bevond die bewaakt werd door een dikkige man met trouwe hondenogen en een losjes bungelende pijp in zijn mond. Evenzo weet ik niks van Dublin in 1904, waarvan Joyce niet alleen de Manasses bekend veronderstelt, maar ook hun halfgelukte zoon, de Ford Taunus waarin ze op zondagen toerden en de pijn waarmee ze een oud-NSB'er moesten dulden in de middenstandsvereniging als de jaarlijkse feestverlichting werd besproken voor de decembermaand.

Het wonder van 'Ulysses' is dat je als lezer bereid bent om een 'annotated student edition' te kopen en de annotaties na te vlooien in de hoop zodoende binnen te raken in de Dublinse lente van een eeuw geleden. Joyce is als schrijver een dermate verpletterende alleskunner dat je geneigd bent hem als alleen maar scherp, erudiet, vaardig, geniaal enz. af te doen, een schrijver van wie je niet makkelijk zegt dat je van hem houdt, zoals je dat van Beckett wel doet. Dat is niet terecht, want Joyce is niet alleen maar griezelig knap, hij is ook erg grappig en ontroerend.

Luister naar Buck Mulligan, medisch student, die op respectloze wijze over de dood van Stephens moeder zou hebben gesproken. Stephen is daar boos over maar krijgt iets terug over zijn eigen houding bij de dood van zijn moeder, voor wie hij weigerde te bidden uit intellectuele 'hygiëne'.

,,En wat is dood, je moeders dood, jouw dood, de mijne? Jij hebt alleen maar je moeder zien sterven. Ik zie ze elke dag creperen in de Mater en Richmond en vervolgens tot afval versneden worden in de snijzaal. Het is iets vreselijks en niks anders. Het doet er gewoon niet toe. Jij kon het niet opbrengen om op je knieën te gaan en voor je moeder op haar sterfbed te bidden toen ze je daar om vroeg. Waarom? Omdat jij die verrekte jezuïeten-mentaliteit hebt, alleen is die bij jou verkeerd om ingespoten. Voor mij is het allemaal een farce en vreselijk. Haar hersenkwabben functioneren niet. Ze noemt de dokter Klaas Vaak en plukt boterbloemen van haar deken. Geef haar toch haar zin tot het voorbij is. Jij moest haar dwarsbomen in haar laatste wens voor de dood, en toch zit je tegen mij aan te zeuren omdat ik niet sta te grienen als zo'n gehuurde malloot van Lalouette.''

(Annotatie: bij Lalouette, de begrafenisondernemer, kon je stille rouwenden huren, die de kwaliteit van de rouw op een begrafenis een kwantitatief duwtje moesten geven.)

En petje af voor Hinkel & Boendervet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden