Jouw boek is dus niks

Hoe gevoelig schrijvers zijn, beseft Rob Schouten als hij weer eens droomt dat zijn collega's hem uitlachen. Wat maakt schrijvers toch zo angstig?

Ik bevind me in de hal van het indrukwekkende Centraal Station in Antwerpen, waar zo te zien allerlei schrijvers naartoe zijn geroepen. Uit de microfoons schallen monotoon hun namen: Mulisch, Nooteboom, Biesheuvel. Niet op alfabet, zodat ik maar blijf wachten tot mijn naam wordt omgeroepen, maar dat gebeurt niet. Als iedereen al genoemd is, maar mijn naam niet is gevallen, blijf ik eenzaam achter en verlaat ontgoocheld de ruimte om door Antwerpen te gaan dwalen.

Het is maar een van de vele dromen waarin ik miskend word. Zo heeft criticus Carel Peeters mij al eens vanaf een pieremachochel in een Amsterdamse gracht beschimpt en hebben de schrijvers J. Bernlef en Robert Anker gezamenlijk mijn piano in elkaar getimmerd.

Schrijvers zijn kwetsbare wezens. Met kwetsbaarheid is natuurlijk niks mis. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum schrijft: "Het is ook juist de kwetsbaarheid van mensen die hun leven uniek en waardevol maakt. Al te krampachtige pogingen om aan verdriet te ontkomen, vernietigen uiteindelijk ons vermogen om geluk te ervaren." En de eeuwige Lao Tse gispt in een van zijn wandtegelspreukjes de IJzeren Hein als volgt: "De onbuigzame mens is een leerling van de dood. De zachte, soepele en kwetsbare mens houdt van het leven."

Maar onder de kwetsbaren vormen schrijvers een aparte categorie. Zij zijn immers vaak publieke figuren en hebben een instrument om hun kwetsbaarheid uit te drukken: de pen.

Waar komt die gevoeligheid vandaan? Vaak worden de vroege jeugd en de puberteit als boosdoener aangewezen: an unhappy childhood is a writer's gold mine. Ja, natuurlijk, maar dat neemt het ongeluk van de jeugd niet weg, integendeel. In de slotregels van zijn roman 'Het glinsterend pantser' beschrijft Simon Vestdijk dat prachtig: "Ja, in de jeugd zijn de dingen het ergste, daar duren zij het langst, tot heel veel later toe, als ze niet verminderd zullen zijn in zwaarte en verdriet en schaamte en medelijden, en dat wist hij ook wel, mijn jeugdvriend, mijn vriend."

Door als schrijver die goudmijn aan te boren rijt je als het ware de oude wonden opnieuw open. Een schrijver is iemand die met al zijn kwetsbaarheid opgemerkt wil worden, hij trekt de aandacht, maar daarmee stelt hij zich ook weer bloot aan de volgende kwetsuur, hij staat naakt op het plein, door iedereen bekeken. Zijn identificatie met het eigen werk vergroot de gevoeligheid nog eens, als er een komma verkeerd staat, faalt hij al tegenover zijn superego. Zo zit zijn bestaan vol angsten en kwetsuren.

Waarvoor is hij bang? Voor het leven allicht, maar ook voor de mensen om hem heen, de criticus, de collega, de lezer, de massa. Zijn grootste vijand is de criticus. Die is in staat de schrijver en zijn mooie bedoelingen neer te halen met zijn scherpe pen. "Men schrijft kritieken als men geen kunst kan maken... lepra van de jaloezie", foeterde Flaubert. "Wie roeit de critici toch eens uit, zodat er niet een meer overblijft." Ook een collega kan zo'n criticus zijn.

Ooit werd Cees Buddingh' in NRC Handelsblad fel aangevallen door soortgenoot W.F. Hermans. Schijnbaar herstelde hij zich daarvan, maar onderhuids bleef het vreten: "Ogenschijnlijk werd ik weer de oude, maar als ik alleen in mijn kamer zat, was ik mat en lusteloos; iedere inspanning was me te veel. Zelfs heel deze zomer is het nog door blijven duren; ik was weer opgewekt, o zeker, maar werken kon ik nauwelijks tot absoluut niet; ik zat maar achter mijn tafel te dommelen en te vegeteren."

En dan zijn er natuurlijk de lezers, die grote onbekenden die de schrijver vreest en die over zijn lot beslissen. Achter hen gaat het veelkoppige monster van de massa, de wereld schuil. Peter Handke schreef ooit een dagboek 'Das Gewicht der Welt'. Die wereld met haar mensheid drukt als een loden last op de schrijver, hij wil zich aan haar tonen, maar ze dreigt hem af te wijzen. Hij schaamt zich voor zijn aanwezigheid. Vandaar dat schrijfsters als Marie Kessels en Frida Vogels zich niet in het openbaar vertonen, zelfs niet als hun een prijs wordt uitgereikt. 'De velen' (Roland Holst), 'het gemeen' (Geerten Gossaert), 'de overtolligen' (Nietzsche), de 'Fortgeworfenen' (Rilke) zijn te intimiderend voor de 'hersenbezitters' zoals Beethoven deze soort ooit noemde.

Toen in 1966 de dichter Chris van Geel werd verzocht met alle dichters op te treden in Carré weigerde hij, met als reden dat hij zich schaamde. Het was niet eens een excuus, veeleer een verwijt: "Als dichter hoor je je voor wat je doet te schamen."

Je kunt je ook anderszins verborgen houden, zoals de grote Portugese dichter Fernando Pessoa deed, een zeer kwetsbaar mens die zijn creatieve levensangst onder woorden bracht in het gedicht 'Tabakswinkel': "Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook niet iets willen zijn / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld." Om aan zijn kijkers te ontsnappen, splitste hij zich op in vele heteroniemen, die hij allemaal andere persoonlijkheden toedacht, en in de poëzie die hij onder eigen naam schreef, verschool hij zich zo onpersoonlijk mogelijk achter allerlei oersymbolen.

Op 2 februari 2004 droomde ik dat iemand achter z'n hand fluisterde dat een lezing die ik hield in Amsterdam de slechtste van de hele reeks was, of nee, de op een na slechtste. Angst voor andermans oordeel, voor de fluisterende stemmen die achter je rug zeggen wat voor non-valeur je bent, wijst op een narcistische kwetsuur. Narcissus ziet altijd alleen maar zijn spiegelbeeld, nooit zijn rug- en schaduwzijde. Die komt hem 's nachts overvallen, in zijn onderbewuste. Dan merkt hij hoe ziek en gekrenkt hij eigenlijk is. Joseph Conrad wilde niet gefotografeerd worden.

Hij was bang dat de foto iets van zijn gekwelde innerlijk zou openbaren.

Dat schrijvers eigenlijk ziek of gek zijn, en creativiteit een vorm van pathologie is - die gedachte is zo oud als de weg naar Rome. Aristoteles beweerde het al, en Plato wilde om die reden dichters weren uit zijn Republiek. Horatius schrijft cynisch: "Was ik maar ziek, dan zou ik betere gedichten schrijven."

Gebrek aan levensgeluk lijkt soms wel een voorwaarde tot schrijven. Zelfs de olympische Goethe beweerde dat hij in zijn hele leven maar vier weken gelukkig was geweest. Jeroen Brouwers, een schrijver die van kwetsbaarheid zijn handelsmerk maakt, legt uit waarom zijn personages zo angstig in het leven staan. "Ze vertegenwoordigen de schaduwkant van mijn voor het oog doorgaans opgewekte, onchagrijnige aanwezigheid: in de diepte ben ik hypochondrisch, piekerachtig, pessimistisch, mensenschuw, verlegen."

Een nog sprekender voorbeeld was Hans Christian Andersen die aan ongeveer alle depressieve kwalen leed die je kunt bedenken: zwartgalligheid, seksuele angst, hypernervositeit, pleinvrees, twijfelzucht. Soms legde hij als hij ging slapen een briefje op zijn hoofdkussen met de tekst: "Ik ben schijndood."

Een schrijnend geval was de Nieuw-Zeelandse schrijfster Janet Frame (1924-2004), die voor schizofreen doorging en in inrichtingen belandde waar ze haar eerste werken schreef die prompt bekroond werden. Niet een schizofrene, maar een Hoog Sensitieve Persoonlijkheid. Als volgt beschrijft zij de 'vlek' die contact met het literair circuit haar oplevert: "Wanneer je als schrijver na elk waagstuk weer doodmoe thuiskomt, verbaast het je steeds weer opnieuw dat je een langzaam uitvloeiende vlek hebt opgelopen van uitgever, recensent, agent. Je gaat in paniek te rade bij de tips in de huishoudencyclopedie; gaat met je vinger langs de lijst van vlekken (...) Dan dringt het tot je door dat er niets tegen bestaat, dat je de vlek kunt thuisbrengen, noch verwijderen. Je legt je erbij neer en gelaten begin je aan je nieuwe waagstuk en je keert wederom terug door het weiland met gras, en de vlek vloeit uit."

Natuurlijk zijn er ook schrijvers die althans de schijn van superioriteit weten hoog te houden. Toen Hugo Brandt Corstius een wekenlange aanval op Harry Mulisch' roman 'De ontdekking van de hemel' lanceerde, deed de grote schrijver het kalmpjes af met de mededeling dat hij zijn aanvaller van kwade trouw verdacht. En Tommy Wieringa, vlak voor de uitreiking van de AKO Literatuurprijs 2005, reageerde op de vraag of hij zenuwachtig was stoer met: "Vertel me nou maar gewoon of ik die prijs gewonnen heb." Zo kan het ook.

Sommigen zijn zelfs bij machte de vijand recht in het gezicht te zien, zoals Ad ten Bosch, een kleine, maar dappere schrijver: "Jaha, ik ben zélf een kwetsbare schrijver. Mijn drie autobiografische romans zijn bij De Slegte terechtgekomen. (...) Ik heb de uitgever één diepgevoelde wens overgebracht: dat de presentatie (van zijn roman 'Huidhonger', RS) bij De Slegte plaatsvindt. Ik wil weleens meemaken dat ik daar niet eindig, maar er begin."

Heeft de onzekere, kwetsbare schrijver nog wel toekomst? Het lijdt geen twijfel of internet heeft de literatuur en het literaire leven veranderd. De neerlandici Thomas Vaessens en Yra van Dijk schrijven ergens: "Er vallen allerlei barrières weg, barrières waarvan voorheen vooral de kwetsbare schrijvers last hadden: schrijvers van werk dat door uitgevers en tijdschriftredacties niet herkend of begrepen werd. Of schrijvers van werk dat niet goed bevonden werd." Die mogen dus nu ook hun kans grijpen om naakt op het plein te staan en bij De Slegte terecht te komen.

Omstreden was de uitreiking van de AKO Literatuurprijs in 1994, toen de jury met bordjes haar oordeel moest geven.

Als de bladeren vallen, vallen ook de literaire prijzen. In oktober worden onder meer de winnaars van de Booker Prize en van de Nobelprijs voor Literatuur bekend. Dichter bij huis vindt op 29 oktober de uitreiking van de AKO Literatuurprijs plaats waarvan we sinds gisteravond de shortlist kennen. Nerveuze tijden voor de leden van het schrijversgilde die tussen hoop en vreees ineens in de schijnwerpers staan. Of (weer) niet.

Cees Nooteboom is volgens bookmakers een van de grote kanshebbers op de Nobelprijs, na Haruki Murakami en Bob Dylan. En gaat Arnon Grunberg de AKO weer winnen?

Van oudsher zijn schrijvers vaak kluizenaars geweest met een gevoelig gemoed en een afkeer van massa en menigte. Maar de maatschappij wil hun hoopvolle blikken zien, de nauwelijks verhulde teleurstelling, hoe ze van hun tafeltje opspringen en door hun uitgever worden omhelsd. Misschien moet de schrijver maar eens wennen aan de camera's en de kritieken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden