Journalistiek onfatsoen of de prijs die Ayaan betaalt

Wat kunnen denkers zeggen over het nieuws, over wat krantenlezers schokt of juist koud laat? Tweewekelijks laten wijsgeren uit Trouws Filosofisch Elftal hun gedachten erover gaan. Vandaag: Ayaan en de verantwoordelijkheid van de media. Zijn journalisten over de schreef gegaan? Waar ligt de grens?

’In het geval van Ayaan is de journalistiek ver over de schreef gegaan’’, zegt Paul Cliteur, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit Leiden. Met name de uitzending van Zembla van afgelopen donderdag die de nieuwe rel over de gelogen asielaanvraag van Ayaan Hirsi Ali in gang zette – toont, wat hem betreft, journalistiek onfatsoen.

Marli Huijer, als filosoof werkzaam aan de Rijks Universiteit Groningen, is het daar niet helemaal mee eens. Zij vindt de commotie – hoe triest ook voor Ayaan persoonlijk – „de keerzijde van de medaille. Het is de prijs die Ayaan betaalt voor haar prominente deelname aan wat Dick Pels de Nederlandse ‘mediademocratie’ heeft genoemd. De personalisering en emotionalisering van de politiek heeft Ayaan veel voordeel opgeleverd. Dramatisering van de democratie maakt persoonlijkheden echter ook kwetsbaar. Wie schittert in de media, kan ook het vuil over zich heen krijgen.’’

Paul Cliteur over Zembla: „Je dist een verhaal op als iets nieuws en onthullends dat voor een deel door de persoon zelf al jaren geleden aan de openbaarheid was prijsgegeven. Het tweede deel, iets nieuws, blijkt gebaseerd op drie getuigen, waarvan één (de broer) zich de volgende dag al distantieert van de uitzending omdat hij door de vraagstelling misleid was. Blijven over twee andere getuigen, waarvan één ongeloofwaardig is omdat hij te direct betrokken is (een afgewezen minnaar) en de andere waarschijnlijk ook van horen zeggen maar iets doorgeeft.’’

Volgens Cliteur houdt journalistieke ethiek ook in „dat je getuigen informeert over het belang van wat zij gaan zeggen. Je moet zoeken naar zoveel mogelijk bewijsmateriaal –foto’s, andere getuigen moeten er geweest zijn. Je moet ook liefst geen mensen gaan horen die te direct bij een bepaalde kwestie betrokken zijn. Geen sensationele en suggestieve leaders maken. Dus geen ‘Heilige Ayaan’, zoals de titel van de Zembla documentaire was.’’

Helaas vinden deze verhalen gretig aftrek, zegt Cliteur. „Ook bij leden van het parlement die in een gemediatieerde context feiten die aan hen bekend hadden moeten zijn gaan ervaren als ‘nieuw’.’’

Ook Huijer vindt dat de Nederlandse democratie steeds meer om de media draait. „Politici zijn nu, zoals Pels ze zo mooi noemt, ‘idolen met ideeën’ geworden. De politieke ideologie is verweven geraakt met het imago. Het gaat om aansprekende types met een herkenbare stijl, die een overtuigend verhaal weten te vertellen. Een knap uiterlijk is daarbij een pré – zie Ayaan Hirsi Ali en Wouter Bos, maar geen noodzakelijke voorwaarde. Het gaat met name om de mix van uitstraling, authenticiteit, eigenheid, betrouwbaarheid en een sterke boodschap. Plus natuurlijk de wens om deze mix onder eigen regie in het publieke domein te brengen.’’

Je kunt volgens Huijer niet enerzijds profiteren van alle media aandacht voor jouw persoonlijke verhaal, zoals Ayaan gedaan heeft – door autobiografisch getinte boeken en artikelen te schrijven – en dan anderzijds boos worden als journalisten in dat persoonlijke verhaal gaan wroeten om daar misstappen in te ontdekken. „De negatieve aandacht is de keerzijde van al die positieve media aandacht die je een kamerzetel heeft gegeven en internationaal succes.’’

De media functioneren volgens Huijer dan ook „gewoon op het moment dat ze proberen om fouten in dat persoonlijke verhaal op te sporen. Het is van belang om te weten of een volksvertegenwoordiger gelogen heeft om in Nederland toegelaten te worden. Je wilt immers ook van een rechter weten wat zijn of haar verleden is. De democratie fungeert dankzij deze openheid.’’

Cliteur geeft een voorbeeld om duidelijk te maken waar de morele grens ligt in de journalistiek. „Je zet eerst in de krant dat iemand een fraudeur is en vervolgens mag de aangeklaagde persoon gaan aangeven dat hij dat echt niet is: Hoor en wederhoor. Nee, zo moet het niet gaan. Je moet eerst zorgen dat je echt goede argumenten hebt om iets überhaupt op te werpen, zeker voor een kijkerspubliek van een paar honderdduizend mensen. Ook moet je je realiseren dat alles wat je schrijft vergaande consequenties kan hebben. Je kan niet zeggen: ‘ach, dat is voor rekening van anderen.’ Nee, jouw woorden hebben consequenties. En sommige vragen en suggesties zijn al impertinent.’’

Journalisten hebben ook volgens Huijer een morele verantwoordelijkheid. „Maar het is onverstandig om heel duidelijk aan te geven waar precies de grens ligt tussen wat een journalist nog mag en wat niet meer mag. Journalisten moeten de grenzen van wat mag en wat niet mag, kunnen blijven verkennen.’’

Cliteur: „Wat ons dat leert over de morele verantwoordelijkheid van journalisten, is dat journalisten net mensen zijn: het zouden moreel handelende wezens moeten zijn.’’

Huijer: „Mensen moeten verschillende meningen kunnen ventileren in het publieke debat, zonder dat iemand hen kan dwingen om over bepaalde zaken te zwijgen. Vervolgens kun je dan natuurlijk ook een debat hebben over de vraag of de media zuiver berichten. Ook dat is onderdeel van de persvrijheid: dat we ook de media zelf ter verantwoording kunnen roepen.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden