'Jou willen is je missen'

Altijd is er een eerste moment, een eerste trilling, een eerste opwinding. Teweeg gebracht door een sonnet, een brug, een symfonie, een alinea, een levenslied, filmfragment of koningsdrama. In de zomermaanden laat Trouw aficionades aan het woord, die over ontstaan en ontwikkeling van hun (vervlogen) liefde berichten. Vandaag de achtste en laatste aflevering: Dood in Venetië.

PETER SIERKSMA

Eerste liefde kan ook hartverscheurend zijn. Zestien was ik. Het was herfstvakantie, 1974, mijn ouders waren op reis toen mijn grote vriend Nico mij voorstelde naar de film te gaan. Ik had er niet zoveel zin in. De plaatselijke bioscoop om de hoek bij het postkantoor was niet mijn lievelingsplek. Er kwamen veel rijkeluiskinderen, die ik op school al tegenkwam en verder ook wat plaatselijke brommerjeugd, waarvan de kracht zo groot was dat ik er liever uit de buurt bleef. Maar Nico, die een paar jaar ouder was, drong aan en, alsof hij voelde waar mijn tegenzin vandaan kwam, stelde mij gerust: 'Nee, we gaan niet naar Figi. We gaan naar Amsterdam!'

Dat veranderde de zaak. Ik ging al niet zo vaak naar de bioscoop, laat staan naar de bioscoop in Amsterdam en dus namen we diezelfde avond nog de trein. Ik vond het spannend, herinner ik me nog. Amsterdam associeerde je vooral met het leven dat er nog niet was, maar dat je te wachten stond: grootser, meeslepender dan het leven tot dan toe had gebracht.

De titel van de film was 'Dood in Venetië'. 'Naar het gelijknamige boek van Thomas Mann', vertelde Nico er bij. Maar het zei me niets. Netzomin als de naam van de regisseur, Visconti, me iets zei. Ik kende in die tijd maar één Visconti en die heette Tony. Hij produceerde de eerste platen van het enige echte culturele idool in die dagen, David Bowie. Film had geen traditie bij ons thuis. Wij waren gereformeerd in een tijd dat kerk en bioscoop nog niet van harte samen gingen.

Toen ik vijf was, zag ik voor het eerst de Dikke en de Dunne. Ik mocht mee met de dochters van de melkboer en vond het prachtig. Vooral die Dikke, die al tierend en scheldend balanceerde op een grote ladder, hoog in de lucht, tussen de huizen van de grote stad, ben ik nooit vergeten. Het autootje van de melkboer trouwens ook niet. Hij had een klein BMW-tje op drie wielen. De deur was meteen ook voordeur. Zo haalde hij ons op. Wat een ritje! Nog geen twee kilometer lang achteraf, van de ene kant van de Bergweg naar de andere kant van de Bergweg. We zullen niet meer dan drie fietsers gepasseerd hebben, en verder een enkele kruising en een spoorwegovergang. Maar nooit heb ik zo verlangd een kind van andere ouders te zijn, als die avond. De vreugde duurde kort. Niet lang daarna vertrok de melkboer met zijn gezin en handel naar een plaatsje op de Veluwe. Nog eenmaal zijn we er heen gereisd, daarna hebben we de familie nooit meer teruggezien.

De tweede film zag ik aan de hand van mijn vader. Wijk aan Zee, 1964. Voor een keertje mocht ik tot middernacht opblijven. Er draaide een instructiefilm in de loods van de plaatselijke reddingsbrigade. Het was de tijd dat de projector nog ratelde en het zaaltje, voor de gelegenheid vol met houten klapstoeltjes ingericht, nog muisstil werd als de film begon. Papa... Papa...; ssst jongen, de film begint...

Toen kwam Visconti. Ik weet nog hoe ik vlak voor enen op de terugweg van de Plantage Middenlaan, de film draaide in theater Desmet, naar het station zo in de war was, dat ik nauwelijks meer wist waar ik liep en struikelde. Ik voelde het niet eens. Dacht alleen maar aan die zielige Gustav von Aschenbach, de door Mann naar Gustav Mahler gemodelleerde dichter die bij Visconti ook werkelijk als componist wordt opgevoerd, en ziek en overspannen naar Venetië reist om daar tot rust te komen. Maar eenmaal in zijn hotel gearriveerd, volgt pas de echte ramp. Hij raakt zo in de ban van de schoonheid van een blonde jongen (Tadzio geheten), dat hij er niet meer van los komt. Uitgeput en opgebrand van onvervuld verlangen sterft hij aan het slot van de film aan het strand van het Lido.

Nog steeds vraag ik mij af hoe het kon. Waarom 'Morte a Venezia' mij zo kon verpletteren. Sinds het najaar van 1974 heb ik de film zes keer teruggezien. Iedere keer viel hij tegen en toch overviel mij steeds dezelfde emotie.

Aan de muziek lag het niet. Mahlers Adagietto uit de Vijfde symfonie bleef raken en dat is nooit veranderd. Hoezeer ik mij ook erger wanneer ik zie hoe een verzekeringsmaatschappij de muziek bij beelden van een bevalling gebruikt, hoe de radio tijdens het Mahlerfeest in mei over datzelfde adagietto bleef zeuren, de muziek is eeuwig. De klank overweldigend. Triest als ze is, begeleidt ze voor mij sinds die eerste keer vrijwel iedere begrafenis; zwart - maar ook zacht. Troostend, als schoon water op een koortsig gezicht.

Het waren de beelden die veranderden. Toen ik 'Dood in Venetië' voor de tweede keer zag, twintig inmiddels en student in Leiden, schrok ik. Toen pas viel het me op hoe de film doordrenkt was van Visconti's fascinatie (hetzelfde gold overigens ook voor Mann, maar dat terzijde) voor de jongensliefde en kwam de onbereikbare liefde van de kunstenaar voor Tadzio, al was het maar tijdelijk, in een heel ander daglicht te staan. Ik begon te twijfelen. Had ik de film verkeerd begrepen? De schrijnende tegenstelling die ik de eerste keer als onschuldige 16-jarige ervoer tussen jeugd en ouderdom, bloei en verval, leven en dood, onschuld en schuld, vrijheid en benauwdheid, zuiverheid en decadentie, helderheid en verwarring - die tegenstelling werd opeens teruggebracht tot een oppervlakkig verlangen van een zieke man naar een gezonde mooie jongen. Wat moest ik daar mee?

Later waren er andere dingen die stoorden. Toen de koorts gezakt was en de identificatie met Von Aschenbach wat verbleekte, vond ik de film vooral traag. Die trieste, tragische Aschenbach werd zo nadrukkelijk tragisch (hoe de verf hem op het laatst van het gezicht druipt!) dat het lachwekkend werd. En weer later zag ik pas dat die mooie Tadzio (of: 'Tadzjoe' zoals zijn mama hem noemde) veel van zijn sierlijkheid verloor, omdat hij helemaal niet kon acteren. Eigenlijk bleek hij niet meer dan een stijve hark, die zijn kunstjes voor Visconti precies zo moet hebben uitgevoerd als de oude meester het vanaf zijn filmstoeltje wilde. De schoonheid was een maniertje geworden.

Maar wat, in navolging van de muziek, altijd overeind bleef, waren de beelden van Venetië, het prachtige begin van de vaporetto, de boot op het water, die langzaam uit de vroege ochtendmist tevoorschijn komt en het strand van het Lido. En ook dat hartverscheurende moment wanneer de kunstenaar, nadat hij de stad eerder vanwege de heersende cholera heeft willen ontvluchten, terugkeert in zijn hotel en vanachter het raam van zijn kamer even in de richting van de zee kijkt.

Dan ziet hij beneden ook de jongen weer. Aarzelend en verlegen maakt hij een gebaar om te zwaaien, maar echt zwaaien wordt het niet. Nadat de camera eerst het perspectief van Aschenbach (Dirk Bogarde) gekozen heeft, zie je hem direct daarop vanaf de strandkant staan. Het beeld duurt misschien drie seconden, maar zegt alles.

Later heb ik er de woorden bij gevonden. Ze komen uit een gedicht van Willem Jan Otten, 'De intiemste zichtlijn', een cyclus over de noodgedwongen afstand tussen Penelope en de op reis gestuurde Odysseus:

Ik wilde jou en dat ik missen zou wist ik al voor het begonnen was. Jou willen is je missen. Het was missen op het eerste gezicht.

Soms overvalt een beeld iemand gewoon zonder dat hij er naar gezocht heeft, laat staan er op heeft zitten wachten. Zeker wanneer het gaat om echte liefde heeft geen mens, vrees ik, zich in de hand en waait de geest waarheen hij wil.

In 1970 overleed mijn jongere broertje. In het voorjaar constateerden de dokters leukemie, in het najaar hebben mijn ouders, mijn oudere broer en mijn jongere zusje hem moeten begraven. Mijn broertje was mooi. Witte haren had hij en bruine ogen. Dat zie je niet zo vaak. Bovendien was hij erg lief.

Toen Jitze ziek werd en na het voorjaar nauwelijks het ziekenhuis nog mocht verlaten, gingen mijn zusje en ik een paar keer per week naar hem toe. In het ziekenhuis mochten wij, negen en twaalf, vanwege besmettingsgevaar niet komen en dus zochten we buiten een plekje op de stenen voor de ramen van de kinderafdeling. Aan het begin en aan het eind van het bezoekuur verscheen hij dan altijd even voor het raam. En dan zwaaiden we, gaven handkusjes en gingen weer. Zo hebben wij langzaam afscheid genomen.

De grootste liefde is de verschrikkelijkste; want zij is onbereikbaar.

Jarenlang is 'Dood in Venetië' een obsessie gebleven. Als iets tegen zat, zocht ik het beeld weer op om er vervolgens in te verdrinken. Zo herinner ik me een enkel zinnetje uit de in 1982 vertaalde biografie over Visconti van Monica Stirling: 'Als Tadzio niet lang leeft, dan zal deze unieke schoonheid ontkomen aan de tand des tijds.'

Nachten lag ik er wakker van, want hoe ik het ook wilde, hoe het beeld van de schoonheid zich ook in mijn kop had gezet, ik wist, zo was het niet. In enkele maanden tijd zag ik de aftakeling zich voltrekken, snel als de laatste korrels uit een bijna doorgelopen zandloper, geen schoonheid die er tegen bestand was.

Toen ik vorig jaar dan ook een uitnodiging kreeg het jaarlijkse filmfestival bij te wonen, aarzelde ik. Ik was opgetogen en bang. Opgetogen om de stad van het water, de stad van Canaletto en Turner te zien. Bang voor de ontmoeting met de stad van Thomas Mann en die van Nicholas Roeg, de regisseur van die verschrikkelijke film 'Don't look now' waarin een echtpaar in de stad verstrikt raakt na de traumatische dood van hun kind. Ik was bang voor de confrontatie met een hersenschim die mij niet alleen zou achtervolgen maar ook leiden.

Net als Aschenbach arriveerde ik per boot. Het was benauwd en bewolkt. Maar juist toen ik me na een half uur varen had verzoend met een verschrikkelijke helletocht, een gedachte die nog eens versterkt werd door het bericht dat de stad weer eens leed onder een rattenplaag, die men, net als bij de cholera vlak na de eeuwwisseling, angstvallig voor de bezoekers trachtte te verbergen - juist toen brak de hemel open. De vaporetto had nog niet aangemeerd ter hoogte van San Marco of daar recht tegenover scheen de zon boven de San Giorgio Maggiore, die witte tempel van Palladio.

Het was het begin van een overweldigende week. Ik zwierf de hele stad door, verdwaalde in de nauwe steegjes in de buurt van het voormalige joodse ghetto, zocht naar de oorzaken van de rattenplaag en bezocht iedere dag even het filmfestival op het Lido. En toen ik de laatste dag de stad 's ochtends bij schemering moest verlaten en het paarsblauwe silhouet onder een Turner-rode lucht steeds smaller werd, wist ik dat het goed was.

Thuisgekomen heb ik bij de videotheek opnieuw de film gehaald. En meer dan Dirk Bogarde of die onhandige Tadzio, viel me het licht op, en de architectuur en de schoonheid van het camerawerk van de strandscenes op het Lido. Ik ontdekte zelfs dat de zonsondergang bij het sterven van de kunstenaar 's ochtends gefilmd moest zijn; alleen dan staat de zon boven het water van de zee.

Niet dat ik Jitze vergat of dat ik de verscheurdheid van de reiziger niet langer onderkende, nee, dat niet - wel dit: het besef dat een camera kijkt waar de geest haar hebben wil.

O Mensch! Gib acht! Was spricht die tiefe Mitternacht? Ich schlief! Aus tiefem Traum bin ich erwacht!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden