Josine van Dalsum Ik heb een bloedhekel aan acteurs

Josine van Dalsum (Breda, 1948) is actrice. Ze brak door met de dramaserie ’Een mens van goede wil’. Ook met haar toneelrollen oogstte ze veel succes. In 2003 werd longkanker bij haar geconstateerd. Een jaar later waren er uitzaaiingen in de hersenen. Haar ervaringen gebruikte ze in ’Leef-Tijd’, een toneelstuk over een terminaal zieke vrouw en haar zoon. Ze speelde hierin de hoofdrol, samen met haar zoon Aram van de Rest. Pas kwam haar boek ’Hagelwit’ uit waarin ze verslag doet van haar ziekte.

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Wij woonden naast het nonnenklooster, het patronaatsgebouw en de Jozefkerk, tegenover brouwerij Drie Hoefijzers Bier. Groot arbeidersgezin. Ik ben de vijfde van tien kinderen. Mijn vader heeft zich kapot gewerkt op die brouwerij – van arbeider tot verkoopleider – en mijn moeder, nou ja, tien kinderen! Daar moet je toch niet aan denken? Ze hadden helemaal geen tijd om met ons over het geloof te praten. We werden vroeg naar bed gestuurd, zongen eerst gezamenlijk liedjes – ’Het Angelus klept in de verte, in tonen zo zuiver en hel’, ’Ave verum’ en weet ik veel wat we allemaal nog meer op het repertoire hadden – en dan gingen de jongens naar hun afdeling en wij naar de onze. Het was één grote chambrette, daarboven. Ik mocht tussen mijn twee oudste zusjes in liggen. Ze vertrokken regelmatig ’naar de hemel’. Dan lagen ze doodstil in bed, verroerden geen vin. Ik vond het heel griezelig, dacht steeds: ’Als ze maar weer terugkomen.’ Na een tijdje deden ze hun ogen weer open en dan haalden ze, bijvoorbeeld, heel snel, zodat ik het niet zag, een zakdoekje tevoorschijn. ’Hier, voor jou, de zakdoek van Maria. En je moet de groeten van Jozef hebben!’ Ik was vier, vijf jaar. Ik geloofde alles. Liep de hele dag met dat doekje rond. Van Maria. Hadden ze speciaal voor mij uit de hemel gehaald! Ze hadden mij ook wijsgemaakt dat er een wolf op zolder woonde. Soms gaven ze mij de opdracht iets te pikken en als ik dat niet deed, namen ze me mee naar boven. Dan moest ik het luik van de schoorsteen opendoen en mijn hoofd er in steken. Dat zwarte gat weet je dat de rillingen me nu weer over mijn rug lopen? Ik ben zó bang geweest, zo bang Ze zijn te ver gegaan. Ze hebben mij geterroriseerd. Ik worstel er nog steeds mee, maar tegelijkertijd realiseer ik mij dat zij ook nog maar kinderen waren. Waarom zou ik hen nog iets kwalijk nemen? Ik heb mij toen wel van hen afgekeerd, ben mijn eigen gang gegaan. Zo rond mijn elfde was er ook van mijn geloof helemaal niets meer over. Meneer pastoor met zijn hel en verdoemenis, dat eindeloze biechten, die mannen in die jurken, totaal geschift! Nee. Afgelopen, klaar! Ik wou er niks meer mee te maken hebben.”

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Ik wist heus wel wat er werd gezegd. Corpus Domini nostri Jesu Christi. Maar ik stond daar, met toegeknepen oogjes en uitgestoken tong, te wachten op de hostie en hoorde de priester ’godverdommevuileklootzak’ mompelen. Mijn mond klapte dicht. Ik probeerde niet te lachen, maar al snel brulde ik het uit. Van de zenuwen, waarschijnlijk. Mijn vader heeft me de kerk uitgemept! Schande! Zijn dochter! Hij had voorin de kerk een aantal plekken afgehuurd. We kwamen natuurlijk altijd te laat – probeer maar eens tien kinderen op tijd aangekleed te krijgen – en dan moesten we door die middengang naar voren. Vreselijk. Ik vond het vernederend.”

Gij zult de dag des heren heiligen

„Je had een mis om half tien, een langere mis om elf uur en dan ’s middags ook nog het lof: de verering van de heilige maagd Maria. Het was eigenlijk één lange gebedsdag. Saai, vervelend. Wat moet je daar nou, als kind? De geur? Getver! Aswoensdag: stip tussen je ogen. Witte donderdag: meneer pastoor die de voeten van parochianen wast. Goede Vrijdag! Als onze lieve Heertje was vertrokken en wij, om beurten, z’n voeten moesten kussen. Na iedere kus stond meneer pastoor klaar met een doekje om het beeld weer schoon te poetsen. Nee, zeg, dat was toch één groot theater? Als je voor de levende kerststal staat en je ziet ineens – ’Maar maar dat is toch ons Johnneke?’ – je kleine broertje in de kribbe liggen vind je het gek dat ik later toneel ging spelen? Mijn vader speelde ook toneel, samen met de broeders Franciscanen. We moesten als kinderen vaak opdraven. Mijn moeder deed ook mee, zijn speelde het volk. Het volk moest altijd mompelen. Ik zie haar nog staan, met gebogen hoofd: rabarberrodondendron rabarberrodondendron. We hebben ook vreselijk gelachen in die tijd. Als ik erover begin te vertellen, zeggen vrienden vaak: ’Dat kán toch niet waar zijn!’ Waarop ik dan antwoord: àls ik het verzin, is het in ieder goed verzonnen.”

Eer uw vader en uw moeder

„Mijn moeder kreeg op haar tweeëndertigste, toen ze al acht kinderen had, een hartaanval. De dokter zei: ’U mag niet meer zwanger worden. Het is een te grote belasting voor uw lichaam.’ Mijn moeder, opgevoed met de boodschap ’Gaat heen en vermenigvuldigt u’ ging biechten bij meneer pastoor. Hij hoorde het verhaal aan en zei: ’Als u geen kinderen meer krijgt, gaat u in de kerkelijke ban.’ Straf! Ze durfde niet ongehoorzaam te zijn, kreeg nog twee kinderen en ontving toen – echt waar – een onderscheiding van de parochie van het Heilig Hart. Mijn ouders waren een voorbeeld voor de parochie.

Ik heb niet zo’n goed beeld van mezelf als kind, als kind van mijn ouders. Ik was de vijfde. Nummer vijf. Ik heb om liefde, om aandacht gevraagd, maar ze hadden het altijd te druk. Ik heb geleerd te overleven, zélf dingen aan te pakken.

Ik zou toneel gaan spelen, maar mijn ouders wilden er niets van weten. Mijn oudste zuster zat op de Toneelschool in Maastricht, maar werd daar weggestuurd. Nou, als zíj het niet kon, wat had ik daar dan te zoeken? Dus ging ik stiekem. Ik bedelde wat geld bij elkaar en nam de trein naar Amsterdam. Ik was zeventien en ik was nog nooit in die stad geweest. Ik deed een oriëntatiecursus en werd tot mijn schrik aangenomen. Toen ik het mijn ouders had verteld, volgde er een lange stilte. Ze waren verbijsterd. ’Dat moet je dan maar doen’, zeiden ze tenslotte, ’maar wij hebben er geen geld voor, dus zoek het zelf maar uit.’ Ik terug naar Amsterdam, naar de directeur, Jan Kassies. In plat Bredaas vertelde ik over ons vader en ons moeder en dat ze geen geld hadden. Hij hoorde mij met pretoogjes aan. Hij zal wel gedacht hebben: wat is dít voor een vreemd type? Maar hij kreeg het voor elkaar, regelde een beurs van tweehonderdvijftig gulden per maand. Zo is het begonnen. Ja, mijn ouders hebben mij zien groeien. Ze hebben het nog meegemaakt dat ik debiele Letteke in de televisieserie ’Een mens van goede wil’ speelde. Iedere uitzending trok zeven miljoen kijkers. Zeven miljoen. Daar konden mijn ouders niet onderuit. Op het eind, toen Letteke zelfmoord had gepleegd, belde mijn moeder me, in tranen, op. ’Gij bent dood, gij bent dood!’ ’Nee, moederke, dat debiele Letteke hèt er een end aan gemakt.’ Ze was er helemaal van in de war geraakt. Mijn vader, begreep ik later, had maar één foto op zijn nachtkastje staan. Die van mij. Kennelijk had ik waargemaakt wat hij altijd had gewild. Ik was zijn lieveling, maar ik heb er niet echt veel van gemerkt. Ja, via de jaloezie van andere kinderen; door zo nadrukkelijk voor mij te kiezen voelden de anderen zich tekort gedaan. Ach, het is gebeurd. Het is voorbij...

Mijn moeder kreeg een hersenbloeding, raakte links verlamd, kwam in een verpleegtehuis terecht. Nauwelijks aanspreekbaar. Vader zei: ’Mijn vrouw is mijn vrouw niet meer.’ Hij is ziek geworden van verdriet. Op zijn 79ste belandde hij in het ziekenhuis. We waren er allemaal bij. Moeder ook. Ze hing in een rolstoel, leek geen idee te hebben van wat er allemaal gebeurde, tot de deur openging en de dokters binnenkwamen. Het was doodstil op de kamer. Wij, de kinderen, wisten dat het geen zin had om mijn vader nog medicijnen te geven. Hij was op, hij wilde niet meer. Niet zonder haar. Mijn moeder kwam half overeind, keek de dokters aan en riep ineens: ’Geen spuitje! Geen spuitje!’ Het ging door merg en been, vreselijk Tien maanden later is ze overleden.”

Gij zult niet doden

„Als ik kunstmatig in leven moet worden gehouden, wil ik hier niet meer zijn. Dan laat ik mijn jas liggen. Het is niet zo dat we er elke dag over praten, maar John, Aram en ik hebben alles uitvoerig besproken. Ze weten ook dat ik gecremeerd wil worden. Vuur is zuiver. Moet je je voorstellen zeg! Met kanker en al de grond in: krijgen ze straks nog een boete voor bodemverontreiniging op de koop toe. Het spijt me hoor, maar soms ben ik het zat om daar zo zwaarmoedig over te doen. Ik zeg wel eens: wat rijmt er op tumor? Humor! Je zou eens in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis moeten gaan kijken. Die sfeer daar zo droevig. In zichzelf gekeerde mensen. Gesnik. Rode huilogen. Er hangt niets aan de muur, er klinkt geen muziek. Niks. Wachten op je nummer. Laatst – o, dat was prachtig! – kwam ik bij de radiotherapie naast een man te zitten die voortdurend moest lachen. Kale kop, veel te ruime badjas, mager lijf: het prototype van een kankerpatiënt. Hij was begin dertig, denk ik. Op een gegeven moment zei ik: ’Meneer, ik ben toch zo blij dat ik naast u zit! Het is hier één grote droefenis en u zit maar te lachen. Hoe komt dat toch?’ Die man boog samenzweerderig naar voren en fluisterde: ’Mijn vrouw bakt de beste spacecake ter wereld!’”

Gij zult geen onkuisheid doen

„God, wat moest ik nou toch als meisje van zes opbiechten? Je had de hoofdzonde en de dagelijkse zonde – ik weet nog steeds niet wat daar nou mee werd bedoeld. Meneer pastoor fluisterde altijd: ’Zeg het maar, engeltje.’ Ik zei maar wat. Snoep gejat, of zo. ’O, nou,’ fluisterde meneer pastoor, ’ik zal het u vergeven in de naam van die en die en in de naam van die en die.’ Dan kreeg ik de absolutie, moest een keer een Weesgegroetje of het Onze Vader bidden en dan kon ik weer gaan. Over onkuisheid werd eigenlijk helemaal niet gesproken. Hooguit: handen boven de dekens. Mijn oudste zus heeft iedereen, op haar manier, voorlichting gegeven. Ik ben op dit gebied jarenlang onontgonnen gebied geweest. Niet uit angst of schuldgevoel, nee, ik had gewoon géén idee. Als ik terugdenk aan mezelf in die tijd, zie ik een open, puur kind. Een beetje onnozel haast. Alle ingrediënten om mij helemaal knettergek te laten eindigen waren aanwezig, maar ik ben toch ongeschonden uit de strijd gekomen.”

Gij zult niet stelen

„Met een beurs van tweehonderdvijftig gulden en een kamer van tweehonderd gulden bleef er niet veel over om van rond te komen. Op de Toneelschool werd van alles verzonnen om de tekorten een beetje aan te vullen. Kinderen van rijke ouders kregen de opdracht zoveel mogelijk eten van huis mee te nemen, in café De Kabouter op de Rozengracht – waar we in de pauzes wel eens heengingen – zaten we net zo lang zielig te kijken tot de stamgasten ons iets te drinken aanboden. Ik was daar wel goed in. Ik kon ook met zo’n smachtende blik bij de groenteboer gaan staan en zeggen ’O, wat is het lang geleden dat ik zo’n appel heb gegeten!’ Ik was een scharminkel. Ik kreeg altijd wat. Voor het betere jatwerk hadden we een schemaatje opgesteld: om beurten moesten we ergens etenswaren gaan stelen. Op een dag was ik aan de beurt. Ze stuurden mij naar de Bijenkorf, daar had je in die tijd op de bovenste etage een supermarkt. Ik weet niet meer wat ik mee moest brengen. Kaas, geloof ik. Ik stak de kraag van mijn leren jasje op en ging naar binnen. Het is een wonder dat ze me niet onmiddellijk hebben opgepakt; ik gedroeg me als een dief zonder iets gestolen te hebben. Zwetend ben ik dat gebouw door gegaan, als de dóód betrapt te worden. Ik heb uiteindelijk in paniek hier en daar iets weggegrist en ben – eruit! eruit! eruit! - naar buiten gehold. Daar stonden mijn klasgenoten op mij te wachten. ’En? Gelukt?’ Ik deed mijn jas open en haalde, tot ieders verbijstering, een pepermolen en een oud nummer van de Burda – zo’n patronenblad – tevoorschijn. Wóest, waren ze. ’Waar is de kaas?’ ’Ik kan het niet,’ piepte ik, ’ik kán het niet.’ Lafheid, moreel besef – geen idee. Ik ben als dievegge gewoon totaal ongeschikt.”

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Ik ben in mijn rollen altijd op zoek geweest naar waarachtigheid. Ik kan niet in een leuke petticoat het toneel op huppelen en roepen ’Goedenavond dames en heren, hebben we er een beetje zin in?’ Ik heb niets tegen komedie of klapdeurtoneel, maar ik kan op die manier niet geloofwaardig zijn. Dát wil ik steeds voor ogen houden: hoe gebruik ik mijn lichaam, mijn instrument, zo dat het publiek mij zal geloven? Er is mij verweten dat ik zonodig met mijn kanker het toneel op moest. Alsof ik wilde zeggen: kijk mij hier eens staan, met mijn ernstige ziekte. Maar als dát het motief is, red je het niet. Ik speel in ’Leef-Tijd’ een vrouw die kanker heeft. Het is een toneelrol en ik probeer mij zo goed mogelijk in te leven. Veel acteurs zeggen een rol te spelen, maar spelen eigenlijk constant zichzelf. Op de planken, in de kroeg: die voorstelling gáát maar door! ’O, ik heb die rol zóóó goed naar me toe weten te trekken’ Drinken, roken, handjes schudden, kijk mij eens interessant zijn, zeg Allemaal flauwekul. Aanstellerij! Ik kan er niet tegen. Het is zo onoprecht. Eigenlijk – misschien moet ik het gewoon maar een keer bekennen – eigenlijk heb ik een bloedhekel aan acteurs.”

Gij zult geen onkuisheid begeren

„Ik heb me ooit voorgenomen: ik trouw maar één keer. Natuurlijk, John en ik hebben ook onze dalen gehad, maar we laten elkaar niet vallen. Ik ben nooit verliefd op een ander geworden. Het is me niet overkomen. Of misschien moet ik het zo zeggen: ik heb het nooit toegestaan. Ik denk dat die trouw, die loyaliteit vanuit mijn jeugd heb meegekregen. Mijn vader was niet altijd de makkelijkste en mijn moeder kon behoorlijk dominant zijn, maar ze waren er altijd voor elkaar. Dat heb ik gezien, als kind en zo denk ik ook aan hen terug. Met tederheid. Ik zie voor me hoe ze op hun oude dag, maar nog wel in goede doen, over het bospad schuifelen. Voetje voor voetje, hand in hand. Daar gaan ze Dat beeld, de ruggen van die twee oude mensen, ontroert mij nog steeds. Ze hebben, ondanks de kwetsuren die ze elkaar ongetwijfeld zullen hebben toegebracht, zielsveel van elkaar gehouden.”

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Ik heb veel rijke vrienden en kennissen. Ik gun hen die rijkdom van harte. Wees er gelukkig mee, maak er wat van. Het lijkt mij verdomde moeilijk om veel geld te hebben. Twee auto’s, drie huizen, vier zwembaden – wat moet je ermee? Wanneer is het genoeg? Wat valt er nog te dromen over?

Mijn dromen zijn behoorlijk ingevuld. Ik wilde met mijn zoon op de planken staan. Die wens is uitgekomen. Ik wilde een boek uitgeven. Heb ik gedaan. Zo is het wel goed. Ik droom een beetje weg als ik teken, schilder of gedichtjes schrijf. En ik zet me in voor mensen die deze ziekte hebben ik wou haast zeggen lotgenoten, maar dat klinkt meteen zo lotterig. Ik wil laten zien dat het er allemaal bij hoort. Niet alleen de geboorte, ook de dood hoort bij dit leven. Ik weet niet of ik er klaar voor ben, maar luister, ik ben 58 jaar, ik ga hier echt niet zitten klagen. Ga maar eens kijken naar de kinderen, met die kale koppies en die grote-mensen-ogen: dát is pas erg. Het enige waar ik moeite mee heb is die onzekerheid. Ik wou dat er een elfde gebod bestond: gij zult weten. Ik weet dat er tumoren in mijn kop zitten, ik weet dat ze groeien, maar ik weet niet hoe lang ik nog te leven heb. Die onzekerheid vind ik soms onverdraaglijk. Zeg het me maar: hoeveel weken, hoeveel maanden? Ik wil het weten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden