JOSE MARIA EÇA DE QUEIROZ, NEEF BAZILIO ALS IRONISCHE DON JUAN

De zomerserie 'VERZONKEN LIEFDES' is gewijd aan auteurs of boeken die buiten de actualiteit een profiel verdienen.In de komende weken zijn bijdragen te verwachten over: Kostas Tachtsis (door Tom van Deel); Gerard de Nerval (door Liesbeth Korthals Altes); Eduard Mörike (door C.O. Jellema); Flann O'Brian (door Peter de Boer). Eerdere verhalen gingen over J.M. Coetzee, John Berryman en Erich Maria Remarque Jose Maria Eça de Queiroz, Neef Bazilio, vertaald door Harrie Lemmens en van een nawoord voorzien door J. Rentes de Carvalho, Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 441 blz.

ILSE LOGIE

Jose Maria Eça de Queiroz (1845-1900), was de bekendste prozaschrijver van zijn generatie en speelde een vooraanstaande rol in de publieke discussie over de vernieuwing van de Portugese letteren, waarvan hij zich een gangmaker toonde. Aangezien in die tijd de universiteitsstad Coimbra, waar Eça de Queiroz zonder veel geestdrift rechten studeerde, veel meer dan het behoudende Lissabon het intellectuele en politieke centrum van het land was, kan het geen verbazing wekken dat Portugals Querelle des Anciens et des Modernes - de strijd tussen aanhangers van de aftandse romantiek en het oprukkende realisme - daar losbarstte, en dat Eça de Queiroz erbij betrokken raakte.

Zoals gezegd, koos hij in deze 'Coimbrakwestie' onomwonden de zijde van de nieuwe, kritische waarnemings- en beschrijvingskunst. In zijn ogen kon een schrijver alleen eigentijds zijn wanneer hij de samenleving waartoe hij behoorde een spiegel voorhield en onbarmhartig de gebreken ervan op de korrel nam. Zijn meest opzienbarende pleidooi voor een dergelijke op de actualiteit steunende en maatschappelijk geëngageerde literatuur, hield Eça de Queiroz in 1877 tijdens de lezing 'De nieuwe literatuur: het realisme als nieuwe kunstuiting'. Bij die gelegenheid haalde hij tevens met de hem kenmerkende snedigheid uit naar de leugenachtige voorstellingswijze van het romantische kunstwerk. In 'Neef Bazilio' steekt hij eenzelfde beschuldigende vinger uit naar de lectuur van hoofdpersonage Luiza, dat bol staat van aantrekkelijk verpakte retoriek waar het meisje haar hoofd bij verliest.

Eça de Queiroz was zelf een fervent lezer en een oprecht om zijn vaderland bekommerd burger. In de ban van het toen krachtige Franse realisme en naar analogie met vooral Balzacs 'Comedie Humaine' en Zola's 'Rougon-Macquart', vatte de auteur het plan op om eenzelfde soort romancyclus te schrijven met als titel 'Scenes uit het Portugese leven'. Uiteindelijk zou hij haast volledig van deze ambitie afzien, en verschenen er slechts twee delen, waarvan de nog niet vertaalde, breed opgezette roman 'De familie Maia' het beroemdste is. Wellicht lag een zover doorgedreven systematiek de schrijver niet, en daarenboven oordeelde hij dat het ingedutte Portugal een maatje te klein was voor een dergelijk eerbetoon.

Ook voor Neef Bazilio ging Eça de Queiroz bij zijn Franse tijdgenoten te rade. Zijn meest in het oog springende inspiratiebron was 'Madame Bovary' (1857), waaruit hij ettelijke taferelen doelbewust transponeerde. Ondanks deze thematische verwantschap met Flauberts meesterwerk vertoont 'Neef Bazilio' een onvervreemdbare eigenheid, die de roman hoofdzakelijk aan twee eigenschappen ontleent. Ten eerste is er de plaats van handeling, een smal straatje in de Chiado-buurt in Lissabon, die een meesterlijke schildering van het Portugese reilen en zeilen oplevert. Voorts valt vooral de ironische toonzetting op waarin het hele verhaal is gesteld. De jonge, verwende Luiza, pas getrouwd met de aardige maar niet erg opwindende ingenieur Jorge, is een typisch produkt van de gegoede Portugese burgerij. Ze brengt haar dagen door in doelloze verveling, droomt weg bij bevlogen romannetjes en heeft weinig meer om handen dan het werken aan haar opschik of het uitzoeken van de geschikte kleur voor het afbiezen van haar favoriete jurk. Ze is bijgevolg een weerloze prooi in handen van de eerste don juan die zich aanmeldt. Dat wordt haar neef Bazilio, met wie ze ooit een kortstondige verhouding had en die, na vele tot de verbeelding sprekende omzwervingen en een lang verblijf in Brazilie, weer in Lissabon opduikt. Eça de Queiroz, die de knepen van het vak kent, laat hem bij Luiza aanbellen op het ogenblik dat Jorge voor zaken naar de afgelegen provincie Alentejo is afgereisd en de eenzaamheid zwaar op Luiza drukt. Bazilio is een uitgekookte kerel die alle onderdelen van Lissabons losbandige leven heeft afgewerkt. In een oogopslag overschouwt hij de situatie en besluit de gok te wagen.

Vrijwel meteen treedt de onwrikbare romantische logica in werking, en moet de brave Jorge het afleggen tegen de getaande dandy Bazilio, die Luiza deelgenoot maakt van zijn meeslepende avonturen. Door “zijn witte boernoes over de vlakten van het Heilige Land te laten wapperen, of in Parijs kaarsrecht op de bok kalm zijn schichtige paarden te mennen” maakt Bazilio in de aan exotische bestemmingen verslaafde jonge vrouw de droom wakker van een ander, poëtisch bestaan, dat meer ruimte biedt voor heftige emoties. Bazilio vertegenwoordigt overduidelijk de lokroep van het onbekende en bevredigt Luiza's hunkering naar Schotse kastelen en Andalusische paradijzen.

De auteur geniet intussen zichtbaar van de hem geboden kans om zijn parodiërend talent te demonstreren. Het valt op dat geen van de geschetste droombeelden verband houdt met Portugal. Bazilio haalt zijn neus op voor 'zoveel achterlijkheid' en zijn boezemvriend Vicomte Reinaldo maakt het zelfs helemaal bont wanneer hij beweert dat alleen een krachtige aardbeving voor dit ontspoorde land nog uitkomst kan bieden. Toch is diezelfde Reinaldo, die overal iets op aan te merken heeft, het land tegelijk erkentelijk omdat precies de vele tekortkomingen ervan zijn vermaarde kwinkslagen mogelijk maken.

Het valt niet moelijk in deze haat-liefde verhouding het standpunt van Eça de Queiroz zelf te herkennen die eveneens op gespannen voet stond met Portugal. Hij verwijt het land dat het de blik op het verleden gericht houdt, haalt de Portugese lethargie over de hekel, bespot de zelfgenoegzame burgerij, de algemene hang naar pompeus taalgebruik, en vooral de niet te dichten kloof tussen de Grote Gevoelens die in de Portugese literatuur zo welig tieren en de werkelijkheid, die er een is van schouderklopjes en onderdanig geknik. Zijn oordeel wordt echter milder met de jaren, en de scherpte ervan neemt af naarmate hij zich verder van zijn vaderland bevindt: als diplomaat werkzaam in Havana, bezingt hij onverholen lyrisch de wegen van Minho en de voortreffelijke vinho verde.

Niet alleen Portugal moet het ontgelden. De rijk geschakeerde ironie van Eça de Queiroz komt ook tot uiting in de onnavolgbare manier waarop hij typetjes neerzet. Voor een goed begrip van de roman is bij voorbeeld de plaats die de drakerige dramaturg Ernestinho toegemeten krijgt een vingerwijzing. Ernestinho behoort tot de vriendenkring van het jonge echtpaar bij wie op zondagavond een kransje wordt belegd. Als een voorafspiegeling van Luiza's eigen lot slingert de onzekere ontknoping van een door Ernestinho bedacht stuk zich door 'Neef Bazilio'. Er wordt uitvoerig over de zaak van gedachten gewisseld en alle genodigden doen hun duit in het zakje. Jorge laat zich evenmin onbetuigd en spreekt stoere taal. De kwestie waar het om gaat, is deze: moet de door haar man op overspel betrapte gravin uit het stuk bij maanlicht aan de rand van een ravijn de dood worden ingejaagd (Ernestinho's voorstel)? Of verdient het aanbeveling de confrontatie tussen man en vrouw in een huiskamer te laten plaatsvinden (voorstel van de regisseur)? Slechts aan het eind van Neef Bazilio hakt Ernestinho de knoop door. Hij volgt de wijze raad op van zijn regisseur, die volhoudt dat alleen in het buitenland echtgenotes worden vermoord en dat het vergevingsgezinde Portugese publiek het minder op uit de hand gelopen hartstocht heeft begrepen. Ook Jorge zal uiteindelijk inbinden, want wanneer het op daden aankomt “schrompelt zijn hart ineen als een luchtballon”.

Precies omdat Eça de Queiroz dit soort dubbele bodems aanbrengt en zo vaak naar zijn lezers knipoogt, wordt zijn roman nooit tranerig en krijgt zelfs Luiza, ondanks haar trieste levensloop, nooit echt de allures van een tragische heldin. De geestigste karikatuur levert de auteur ons van Staatsraad Acacio, het prototype van de ambtenaar die voortdurend een lachwekkend hoogdravende stijl hanteert zonder ooit iets zinnigs te zeggen. Deze Portugese Monsieur Homais gaat nog steeds mee: in het Portugees betekent 'acaciano' tot op vandaag 'betweterig'. Voor het overige schept Eça de Queiroz aan de zijde van Jorge en Luiza nog een paar andere raak getekende figuranten. Zo is er de goedige, platonische Sebastiço, de door zijn proefschrift verdwaasde Julio en de oude vrijster dona Felicidade wier voorgeschiedenis op typisch Queiroziaanse wijze in een paar dodelijk laconieke regels wordt afgedaan: “Ze had gehouden van een officier der lansiers, maar die was gestorven en ze had alleen zijn daguerrotypie. Daarna was ze heimelijk verliefd geworden op een jonge bakkersgezel uit de buurt en had hem zien trouwen. Ze had zich toen volledig aan een hond gewijd, Bilro. Een ontslagen dienstmeisje gaf het beestje uit wraak gekookte kurk; Bilro barstte en stond nu opgezet in de eetkamer”.

Het personage, tenslotte, dat naast het jonge echtpaar en Bazilio het best uit de verf komt, is de dienstbode Juliana, die brieven van Luiza aan haar minnaar Bazilio achteroverdrukt en ze later als chantagemiddel gebruikt om steeds meer van Luiza gedaan te krijgen en haar in een steeds benarder situatie te dringen. Juliana is chagrijnig en hatelijk, maar tevens aandoenlijk, want - en hier klinkt Eça de Queiroz' sociale bekommernis door - haar verbittering is het logische gevolg van de haar aangedane vernederingen, van twintig jaar slapen in bedompte kamertjes, voor dag en dauw opstaan en kliekjes eten.

De auteur levert echter niet enkel kritiek op het mensonterende lot van het huispersoneel, maar ook op de positie van de vrouw in de Portugese negentiendeeeuwse samenleving. Luiza moet immers levenslang voor haar ene misstap boeten, terwijl Jorge in de Alentejo straffeloos mag scharrelen met de vrouw van de sigarenboer. Zij moet het geklets van Jorges vrienden over zich heen laten gaan, terwijl haar boezemvriendin Leopoldina door haar man de deur wordt gewezen. Bovendien is het hele boek een felle aanklacht tegen de leeghoofdige opvoeding van de meisjes uit de burgerstand die niet gewapend zijn voor het leven en pas door schade en schande leren inzien dat minnaars slechts “citroenen zijn die je uitgeperst achterlaat” zodra het waas van mysterie doorbroken is. En dat de romantische liefde een taalregister is dat beantwoordt aan de stilzwijgende afspraak dat wat op papier werkt, in het echte leven heel anders uitpakt.

Al bij al is het realiteitsgehalte van Eça de Queiroz' roman Neef Bazilio niet onproblematisch. Het lijkt in zijn geval meer om een met overtuiging aangehangen theoretisch credo te gaan - het milieu uitbeelden van de mens als een wezen dat is ingebed in een concrete, zich constant ontwikkelende werkelijkheid - dan een in de praktijk nageleefde poetica. Van Flaubertiaanse onpartijdigheid valt er in Neef Bazilio weinig te merken; van het inlevingsvermogen waarmee een Zola pal achter bepaalde eigenschappen van zijn personages ging staan, al evenmin.

Weliswaar streeft Eça de Queiroz naar waarschijnlijkheid, en versterkt hij door het opstapelen van saillante details de illusie van waarheidsgetrouwe werkelijkheidsweergave, aan de andere kant echter ondermijnt hijzelf stelselmatig deze illusie door zich te bedienen van een weinig ontziende ironie. Hij brengt namelijk lekken aan in een als waterdicht gepresenteerde constructie door afstand te nemen van zijn personages, hun geloofwaardigheid in twijfel te trekken en zijn lezers in een medeplichtige rol te dringen die afbreuk doet aan de grondbeginselen van het realisme. We zijn hier ver verwijderd van het 'glazen huis', het ordenende, doorschijnende bouwwerk waarmee Zola de ideale roman vergeleek. Bij Eça de Queiroz zit de barst al in het glas. Het is duidelijk dat hij naar nieuwe wegen uitkijkt, die hij op het einde van zijn leven met wisselend succes ook daadwerkelijk in zou slaan. In elk geval verleent dit bewuste doorbreken van een toen nochtans pas in gebruik genomen literatuurconcept aan Neef Bazilio een verrassende meerwaarde van moderniteit. Het mag de sombere Eça de Queiroz dan ook een troost wezen dat zijn land heus niet altijd achter de feiten aanholt, maar ook wel eens een nieuwlichter voortbrengt. Hemzelf, bij voorbeeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden