Joost Zwagerman: Ik voel mij steeds vaker een meneer Foppe

Multitalent Joost Zwagerman krijgt deze week de prestigieuze Gouden Ganzenveer vanwege de maatschappelijke verantwoordelijkheid die hij als schrijver tentoonspreidt. Zwagerman kan niet anders. „De psychologie achter multicultureel Nederland fascineert mij.”

’Door ’Fitna’ maken mijn hersens overuren. Wil je weten waarom wij volgens mij zo slecht kunnen omgaan met Geert Wilders?’

Joost Zwagerman (44) staat nog in de keuken koffie te zetten als de discussie al losbarst. „Wil je de lange of de korte verklaring horen?”, vraagt hij als hij aan de eettafel is komen zitten.

Doe de lange maar. „Dan moeten we terug naar de Tweede Wereldoorlog. Die ervaring bepaalt namelijk nog steeds hoe wij denken over het kwaad. Bij het proces tegen Eichmann bleek deze nazi geen monster, maar een doodgewone man. Een kantoorklerk. De banaliteit, de alledaagsheid van het kwaad, verraste: het kwaad zit in onszelf. Dat is ons ingepeperd. Wij zijn er sindsdien moreel op getraind het kwaad in onszelf te zoeken.

„Maar wat doet Geert Wilders? Hij breekt met die traditie door het kwaad buiten onszelf, in de islam, te plaatsen. Hij brengt zijn gewetensvolle tegenstanders in de war. Wij kunnen gewoon niet omgaan met iemand die het kwaad buiten onszelf plaatst. Ondertussen benadrukt Wilders dat hij opkomt voor de rechten van de vrouw en de homo, die door de islam onderdrukt worden. Dat zijn bij uitstek linkse thema’s. En wat is daarop uw antwoord, links Nederland?”

Hij lacht. Hij heeft zijn punt gescoord. Links Nederland is een terugkerend doelwit in zijn columns, met name de leden van de ’dat-mag-je-niet-zeggenbrigade’ die de problemen van multicultureel Nederland niet durven benoemen.

Zelf is hij ook links. „Als kleine jongen in de jaren zeventig was ik een echte Uyliaan. Ik vond dat de PvdA voor een rechtvaardiger samenleving streed.” Maar nu ziet hij het somber in voor de PvdA, omdat linkse critici zoals Paul Scheffer of Jeroen Dijsselbloem, die de sociaal-democratische aanpak bekritiseren, voor conservatief of racist worden uitgemaakt. „Die oud-linkse reflex is zo hardnekkig. Dat kan de definitieve kapseizing van links worden. Nee, dáár lach ik niet om.”

Sinds enige jaren behoort Joost Zwagerman tot het corps van columnisten. Zijn essays en columns verschenen in de Volkskrant en tegenwoordig in NRC Handelsblad en Vrij Nederland. In 2007 profileerde hij zich met het pamflet ’De schaamte voor links’, waarin hij de vloer aanveegde met de ideologische leegte van de PvdA. Ook in zijn andere werk betoont hij zich een tegendraads denker die het niet kan laten linkse collega’s onder vuur te nemen maar het anderzijds opneemt voor mensen die met de dood bedreigd worden.

De ochtend na de verschijning van ’Fitna’ nemen Wilders en vooral de reactie van de samenleving op zijn provocatie hem helemaal in beslag.

Zou er nu geen prachtige roman over Wilders te schrijven zijn?

„Ik vind Wilders fascinerend. In zijn jeugd droeg hij een punkjas en uit die tijd stamt naar het schijnt ook het bleken van zijn haar. Hij hield van de muziek van The Talking Heads, The Cure en The Stranglers. Ik schrok toen ik dat een keer las. Hij was net als ik: rebels, tegen het gezag. Wij groeiden beiden op in een tijd zonder toekomst, in de tijd van de kernbewapening. We maakten onze ogen zwart en luisterden naar boze popmuziek. Wilders is eigenlijk nog steeds de punker van weleer. Hij ziet nog steeds de apocalyps op zich afkomen. Alleen komt de tikkende bom nu uit de tulband van Mohammed. Maar een roman over hem? Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik werk veel intuïtiever dan mensen denken.”

Zo’n 25 jaar geleden bestempelden literatuurrecensenten Zwagerman tot wonderkind. Al rond zijn twintigste werd hem een grote toekomst voorspeld. Rond zijn dertigste was hij met vier verschenen romans – ’De houdgreep’ (1986), ’Gimmick’ (1989), ’Vals Licht’ (1991, ’De buitenvrouw’ (1994) – een van de meest gelezen Nederlandse schrijvers.

Maar Zwagerman deed meer. Hij schreef gedichten, korte verhalen en essays. Hij ageerde met de jongedichtersgroep De Maximalen tegen de hermetische poëzie van de oudere generatie, ging met schrijver Ronald Giphart op tournee in theaters, presenteerde het radioprogramma ’Ophef & Vertier’ en was gastheer in het tv-programma ’Zomergasten’. Hij riep bewondering op voor zijn multitalent, maar ook ergernis, omdat hij ongrijpbaar bleek.

Want niet alleen wisselde Zwagerman zoveel mogelijk van genre, stijl en medium, zijn onderwerpen en interesses lagen ook ver uiteen. Hij schreef over de gladde yuppenwereld binnen de Amsterdamse grachtengordel en over het burgermansbestaan in een Vinex-wijk. In zijn essays behandelde hij de beeldende kunst en Amerikaanse literatuur, maar ook de popmuziek en films.

Sinds zijn laatste roman ’Zes sterren’ uit 2002 is zijn aandacht verschoven naar de politieke constellatie in Nederland. In zijn tweewekelijkse columns in NRC zet hij zijn kijk op de actualiteit uiteen. Maar ook daarin zorgt hij ervoor dat hij niet in een van de vaste kampen van columnisten is in te delen.

Die ongrijpbaarheid koestert hij. In zijn essaybundel ’Transito’ staat een passage over de Amerikaanse kunstenaar Gerhard Richter, die opvallend veel stijlwisselingen heeft toegepast, die net zo goed op Zwagerman zelf van toepassing lijkt: „Ik vermoed dat Gerhard Richter met zijn non-identiteit zijn vrijheid wil afdwingen.”

Maar in één opzicht is Zwagerman wel constant: al zijn werk weerspiegelt de tijdgeest. In de jaren negentig werd het yuppiedom en het ongebreidelde consumentisme beschreven – vaak in de vorm van satire. Daarna wijdde hij zich aan de multiculturele samenleving. Zijn roman ’De buitenvrouw’ was een van de eerste boeken over dit thema. Sinds 2000 uit hij zich vrijwel alleen in essays. Een belangrijk onderwerp vormen de problemen waarmee Nederland worstelt. De jury van de Gouden Ganzenveer, de prijs die hij donderdag krijgt, roemt met name ’zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid’ en zijn werk als ’bruggenbouwer tussen kunst, literatuur en samenleving’.

Waarom probeert u altijd de tijdgeest te vangen?

„Omdat mijn hart en ziel daarnaar uitgaan. Ik ben immers inwoner van Nederland. Het land fascineert me. We zijn in verwarring over onze identiteit. Bij ’De buitenvrouw’ nam ik mij daarom echt voor: ik ga een boek schrijven over de multiculturele samenleving. Theo, de hoofdpersoon die een verhouding heeft met een zwarte vrouw, schaamt zich voor zijn politiek-incorrecte libido. Dat vind ik interessant: de psychologie achter deze nieuwe situatie in Nederland. Daarom interesseer ik me tegenwoordig zo voor de psyche van de linkse medemens. Waarom heeft iemand als Harry de Winter er 10.000 euro voor over om in een advertentie op de voorpagina van de Volkskrant te schrijven dat Wilders fout is en hij goed?”

„Ja, ik heb een onderwijzersdiploma. Maar ik wil geen boodschap uitdragen in mijn werk. Ik schrijf geen moraliserende boeken. Met mijn hand op mijn hart: ’De buitenvrouw’ is geen les, hooguit een levensles. Wel is zo’n boek een commentaar op de samenleving. Ik wil laten zien hoe wankel en weifelend wij omgaan met onze moraal.”

De laatste jaren is de tijdgeest nog nadrukkelijker aanwezig in uw werk, omdat u de roman hebt ingeruild voor het essay. Waarom het essay?

„Na de dood van Pim Fortuyn in mei 2002 was de verandering die Nederland onderging zo alomtegenwoordig dat ik er een andere schrijftechniek op los wou laten. Het essay, de polemiek en de column leken me passender. Ik werd bovendien, vaak tegen wil en dank, betrokken bij die gebeurtenissen, zoals toen ik in het tv-programma ’Zomergasten’ Ayaan Hirsi Ali te gast had, die de film ’Submission’ toonde. Er was opeens zoveel aan de hand in het land dat ik ook niet de rust en concentratie voor een roman op kon brengen.”

„Daar komt nog iets bij: toen ik ’Vals Licht’, ’Gimmick’ en ’De buitenvrouw’ had geschreven, verkochten die buitengewoon goed. Er zijn honderdduizenden exemplaren van verkocht. Dat is een overrompelend succes voor iemand van nog geen dertig jaar. Ik merkte toen dat mensen om me heen, vooral mijn uitgever Ronald Dietz, hoge verwachtingen hadden van de volgende roman. Het volgende boek moest 300.000 exemplaren opleveren! Dat had een verlammende werking op me. Ik raakte mijn onbevangenheid en schrijfplezier in één klap kwijt. Die kwamen pas weer terug toen ik me richtte op genres waarbij de macht van het getal geen rol speelt: poëzie en essays. En dat bleek toevallig precies te passen bij deze tijd.”

Dat succes was dus helemaal niet zo leuk.

„Door de druk die het opleverde, heb ik er niet van genoten. Maar kijk in wat voor mooi huis ik woon. Dat heb ik te danken aan die boeken, aan het financiële succes. Ik kan me nu permitteren om mijn hart te volgen. Dat is een enorme luxe, al is het natuurlijk niet oneindig. Ik werk er nu ook heel hard naast, met lezingen en dergelijke – om vrij te blijven, om gedichten en verhalen te kunnen schrijven, om over literatuur na te denken. Ik subsidieer mijzelf met mijn werk. Die lezingen zijn trouwens best leuk, maar ze kosten veel tijd. Dat is het enige nadeel.”

U bent wel een echte ouderwetse intellectueel met die brede, artistiek georiënteerde belangstelling.

„Ik ben allereerst een romanticus. Ik heb een fascinatie voor tragische levens, voor kunstenaars die hun persoonlijkheid wegsnijden uit hun werk. Dat is mijn zoektocht in mijn essays: ik zoek het kloppend hart van andermans kunst. Dat is een romantische zoektocht. Ik gebruik daarbij wel mijn intellectuele bagage, maar ik interesseer me niet uitsluitend voor het hooggebergte van de kunst. Natuurlijk, als mijn doodsuur heeft geslagen, zal ik naar Schubert of Bach willen luisteren of naar passages uit het werk van Nabokov of Salinger. Maar ik heb dezelfde fascinatie voor de massacultuur, bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van het ideale figuur van de playmate. Marilyn Monroe zouden we tegenwoordig te dik vinden. Dat is toch merkwaardig.”

„Ik wil niets uitsluiten van mijn blik vol verbazing. Ja, soms wordt mijn aandacht erg versnipperd over al die onderwerpen. Maar daar moet je niet al te moeilijk over doen. Ik zeg trouwens ook vaak ’nee’, bijvoorbeeld tegen spelletjes op tv of reclame. Voor Mercedes heb ik een zelfgemaakte tekst ingesproken, maar voor de tv-spotjes van de telefoongids heb ik bedankt. Later zag ik Arnon Grunberg terug in die tv-reclames.”

Toch roept die versnippering van aandacht over onderwerpen en onderwerpjes de vraag op wanneer u weer iets substantiëlers gaat schrijven. Een roman bijvoorbeeld.

„Iets substantiëlers? Ik heb net 1000 pagina’s essayistiek geschreven! Waarom is men zo gepreoccupeerd met de roman? De essays zijn mijn meest persoonlijke boeken. Het is zonde van het genre dat men essays niet substantieel vindt. Bovendien heb ik al zes romans geschreven. Connie Palmen nog maar vijf. Gek, haar wordt die vraag nooit gesteld.”

„Misschien ligt het ook aan mijn leeftijd. Ik lees zelf ook minder romans. Mannen van boven de veertig schijnen zelden nog romans te lezen, terwijl jongens dat juist wel doen. Als ze al iets lezen. Maar ik wil er niet te diep over nadenken. Ik volg mijn hart. Ik denk nooit: nu moet ik weer een roman schrijven. Ik heb geen uitgestippelde loopbaan. En wat zijn die paar jaar zonder romans nou op de eeuwigheid?”

„Toen ik het werk leerde kennen van schrijvers als Mulisch en Vestdijk, was ik onder de indruk van de vanzelfsprekendheid waarmee zij zich van verschillende genres bedienden. Vestdijk schreef met evenveel inzet romans, poëzie en essays. Mulisch hield gewoon jaren zijn mond als romanschrijver toen hijzelf vond dat de noodzaak tot het schrijven van non-fictie, documentaires en studies groter was. Gek, er was een tijd waarin dat heel natuurlijk en vanzelfsprekend werd gevonden, een romancier die het beste van zijn kunnen ook wijdt aan andere genres. In onze tijd lijk je je ervoor te moeten verantwoorden.”

„Politici moeten consistent zijn in hun opvattingen, maar kunstenaars zijn daarvan vrijgepleit. De kunstenaar die, à la Picasso, zeilt van het ene genre naar het andere, alles onderzoekt, uitprobeert en toe-eigent en zijn inspiratiebronnen overal vandaan durft te halen – zo’n kunstenaar probeer ik te zijn.”

„Er zitten nog een stuk of vijf romans in me. Dat weet ik zeker. Ik heb geen gebrek aan plannen en ideeën. Ik zou weleens een satirische roman willen schrijven over Nederland anno nu vanuit het oogpunt van de veertiger die ik nu ben. Op die leeftijd word je cultuurpessimistischer. Internet en pornografie lijken je gelijk daarin te bevestigen. Het lijkt me geweldig om een keer zo’n stelletje veertigers neer te zetten. Maar wanneer, dat weet ik niet.”

„Nu ik boven de veertig ben, voel ik me steeds vaker een meneer Foppe, het typetje van Wim de Bie. Ik heb de behoefte heel beleefd te zijn, tegen iedereen ’u’ te zeggen. Je moet eens zien hoe zo’n achttienjarige Marokkaanse jongen kijkt als je hem met ’meneer’ aanspreekt. Hij denkt natuurlijk: wat een rare man, met die bril, maar het doet zulke jongens zichtbaar goed om voor het eerst in hun leven zo te worden aangesproken.”

Is dat een vorm van volksverheffing?

„Ik noem het zelf mijn meneer Foppegedrag. Maar ik denk wel dat het op kleine schaal iets goeds teweegbrengt.”

Zou u niet voelen voor de politiek? Essays schrijven vanaf de zijlijn is zo vrijblijvend.

„Nee zeg. Dan zou ik mijn vrijheid kwijt zijn. Dan zou ik niet kunnen doen wat ik leuk vond. Het was wel verrassend dat de ministers Plasterk en Bos ’De schaamte voor links’ zo snel na verschijning hadden gelezen en erover wilden debatteren.”

„Maar ik vond het ook eervol dat de stichting de Gouden Ganzenveer ook mijn bloemlezingen noemde als een van de redenen voor de prijs. Onlangs heb ik een bloemlezing samengesteld met de beste essays van Nederland en Vlaanderen van de afgelopen 125 jaar. Daar heb ik maanden van mijn leven in gestoken door in allerlei archieven naar pareltjes te zoeken. Het was een van de leukste werkzaamheden van mijn leven. Ik ben altijd een fanatieke lezer geweest, maar ik had nooit gedacht dat ik dat ooit toe zou kunnen passen. Deze bloemlezing is echt zendelingenwerk. In het eerste deel van de bloemlezing ontsloot ik voor een groot publiek verhalen van bijvoorbeeld Bordewijk, Belcampo en F. B. Hotz die tot ons cultureel erfgoed behoren. Vergis je niet, dat zijn voor jonge lezers vrijwel vergeten schrijvers. De essaybloemlezing, die over een half jaar verschijnt, laat zien wat de hete hangijzers waren in andere tijden. Ik vind het niet zozeer nuttig dat die essaybloemlezing komt, maar zelfs noodzakelijk.”

Klinkt hier dan toch de onderwijzer Zwagerman?

„Nee, de idealist, de pleitbezorger, de romanticus.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden