Review

JOOST ZWAGERMAN, 'COLLEGA'S VAN GOD' EN 'DE KUS VAN MICHAEL JACKSON'Een schrijverschap van elastiek: religie, poezie, rockmuziek

Joost Zwagerman, 'Collega's van God', uitg. De Arbeiderspers, 240 blz. - f 34,90; 'De kus van Michael Jackson', uitg. Bert Bakker, 75 blz. - f 14,90.

In wezen was zijn befaamde boutade 'Het juk van het grote Niets', over de stilstand in de vaderlandse, hermetische poezie, dan ook een pleidooi voor een nieuw soort romantisch elan en gericht tegen abstraherend, steriel modernisme. Ook zijn romans pulseren van heftig leven. De laatste, 'Vals licht', over een man die verliefd wordt op een hoertje, is zelfs een regelrechte nazaat van de negentiende romans van Zola, de gebroeders De Goncourt en Huysmans, waarin geobsedeerd wat nu low life zou heten, misdaad, prostitutie, zwerverschap, op het elitaire literaire repertoire werd genomen.

Ook in 'Collega's van God', een verzameling essays (waaronder het eerder genoemde 'Het juk van het grote Niets') en interviews, die eerder verschenen in allerhande dag- en weekbladen, blijkt Zwagerman vooral gefrappeerd door schrijvers en kunstenaars die in hun werk een irrationele en zelfs religieuze passie aan de dag leggen.

Dat blijkt bij voorbeeld uit het heel goede interview (een van de beste die ik las) met Adriaan Morrien, nestor van de gevoelspoezie, waarin diens begoocheling door schoonheid en droefenis aan bod komt. Wat is mooier dan de dood van een schone vrouw, verzuchtte de ware romanticus en Morrien zegt het hem als volgt na: "Bij het zien van om het even welke mooie vrouw is er altijd de droefenis om het besef van onvermijdelijk verval" . De keuze van de genterviewden, Morrien, Kees Ouwens, Geerten Meijsing en Cees Nooteboom, verraadt onmiskenbaar Zwagermans Wahlverwandschaft met verschillende varianten van het romatische kunstenaarschap.

De kern van 'Collega's van God' wordt uitgemaakt door de essays over een achttal kunstenaars die in de zienswijze van Zwagerman allemaal een vorm van 'geloofsijver' en 'religieus besef' aan de dag leggen of hebben gelegd. Het is minstens een divers stelletje, dat een ander niet gauw zo bij elkaar zou weten te vegen, maar dat maakt er ook wel het eigenzinnige van uit: J.D. Salinger, Henry Miller, Madonna, Prince, Gerard Reve, Arthur Schopenhauer, Andy Warhol en Lewis Carroll.

Van hen was alleen de laatste een gelovige in de conventionele zin des woords, maar juist dat aspect interesseert Zwagerman niet zo. Hij schildert de schepper van 'Alice in Wonderland' als ongeveer de saaiste man die men zich kan voorstellen, met evenwel een merkwaardige, nooit helemaal opgehelderde passie voor kleine meisjes. De overige zeven mag men gerust als religieuze dissidenten beschouwen, voor wie het gewone kerkgaande geloof nauwelijks of geen rol speelde.

In het portret van Henry Miller, met de alleszeggende titel 'De kut als kosmos', wordt Millers levenslange preoccupatie met het seksuele als een in wezen religieuze obsessie voorgesteld. Op een soortgelijke wijze krijgt Arthur Schopenhauer een religieus pakketje opgeplakt, om zijn in 'Die Welt als Wille und Vorstellung' (de bijbel van veel romantische kunstenaars) beschreven theorie van de irrationele Wil, de oerimpuls die alle menselijke gedrag dirigeert. Bij de rocksterren Prince en Madonna ligt het paradoxaal-religieuze karakter van hun werk makkelijker voor het grijpen, ze vermengen in hun muziek en videoclips onmiskenbaar bij voorkeur seks en religie.

Eerlijk gezegd overtuigen Zwagermans speculaties omtrent de betreffende religieuze imborsten mij niet steeds. Het portret van Andy Warhol bijvoorbeeld, net als andere overigens met veel vaart en verve en uiterst leesbaar geschreven, laat het beeld van de ongevoelige, plastic popkunstenaar grotendeels intact, afgezien van wat nuancerende opmerkingen van vrienden en het feit dat hij een keer per week een uurtje naar de kerk ging. Het geheim van zijn vermeende geobsedeerdheid komt niet uit de verf.

Kortom, het religieuze in hun scheppingsdrang, het collegiale met God, lijkt me vooral een literair bindmiddel om deze acht kunstenaars naast elkaar te zetten dan een werkelijke overeenkomst.

In 'Collega's van God' geeft Zwagerman ook een aantal van zijn geruchtmakende stukken over de hedendaagse poezie. Het valt niet te loochenen dat hij en de Maximalen een zekere verzadiging bij de overheersende poezie van de jaren zeventig en tachtig treffend hebben aangewezen en daadkrachtig hebben bestreden. Maar Zwagerman eist wel heel erg veel eer op als hij, zoals in 'Maximale jaren' het geval is, een hele generatie dichters, zoals Elma van Haren, Robert Anker, Tomas Lieske en Tonnus Oosterhof onder het maximale juk veegt, of minstens beweert dat ze de door de Maximalen gewenste poezie zijn gaan schrijven.

Zeker, er zit her en der meer vuur en vaart in de poezie dan tien jaar geleden, maar om het primaat van de veranderde tijdgeest (hoe bescheiden ook, want ook Zwagerman kijkt als inmiddels gearriveerd literator goed uit niet tegen al te zere benen te schoppen, alleen dat van Michael Zeeman loopt fikse averij op) te claimen, lijkt me te veel van het goede. Het beste dat je ervan kunt zeggen is dat bovengenoemde dichters net als de Maximalen, maar zonder zich aan hen iets gelegen te laten liggen, de dichtkunst nieuwe impulsen geven.

Onlangs kwam Joost Zwagerman ook 'De kus van Michael Jackson' uit, een verzameling van zijn stukjes voor jongerentijdschriften, en dus een zoveelste contributie aan zijn beeld van veelzijdig schrijver. Het zijn bijna allemaal artikeltjes over popmuziek en aanverwante cultuur, met meer oog voor de sociologische dan voor de muzikale waarden geschreven, komt het me voor, Zwagerman is zelf een onmiskenbaar produkt van die popcultuur en zijn enthousiasme ervoor is groot. (Met het binnendringen van elementen uit de popcultuur in de Nederlandse literatuur is overigens wel degelijk een nieuwe trend aanwezig).

Ook in deze poprecensies speelt een duidelijke voorkeur voor de meer gevoelige, gepassioneerde rockmuziek een rol. Het zijn overigens veel vluchtiger stukjes dan die in 'Collega's van God' en ik maak me sterk dat dezelfde teksten van een minder bekend journalist nooit gebundeld zouden zijn.

Voor welke leeftijdsgroep het allemaal bedoeld is, weet ik niet, maar Zwagerman gaat redelijk diep op zijn hurken zitten. Ervan uitgaand dat zestienjarigen toch al min of meer als volwassenen wensen te worden toegesproken, vermoed ik dat het voor dertien- en veertienjarigen is bedoeld. Er zit onbedoeld iets van de begrijpende oudere in teksten als deze: "Je wilt niet bekennen dat je je rot en ongelukkig voelde en dat je alleen wilde zijn. Dat hoef je ook helemaal niet te zeggen. Je loog uit een soort zelfbescherming. Liegen om je flink te houden vind ik geen misdaad. Als je niet wilt vertellen waarom je niet naar de stad wilde, nou dan hoeft dat toch zeker niet? Dan kun je je best beroepen op een kleine leugen" . Tegelijkertijd bewijst zo'n boekje dat Zwagermans schrijverschap van elastiek is, zich niet schaamt voor het allermodaalste en zich uitstrekt van Abba tot Schopenhauer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden