Joop Admiraal

Joop Admiraal (Ophemert, 1937) is acteur. Van 1971 tot 1982 was hij vaste acteur bij het Werkteater waarvoor hij, onder andere, ’U bent mijn moeder’ maakte. Voor deze aangrijpende solovoorstelling – waarin Admiraal zichzelf en zijn demente moeder speelt – ontving hij een Louis d’Or en de Adolf Grimme Prijs.

Sinds 1986 is Joop Admiraal verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. De komende maanden is hij, naast Olga Zuiderhoek, Kees Hulst en Dragan Bakema, te zien in het nieuwe toneelstuk van Frank Houtappels: ’Uit liefde’.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Moeder geloofde niet. Ze weigerde ons te laten dopen, zei: ’Dat doen de kinderen later zelf maar, als ze dat willen’. Piet en ik waren de enigen in het dorp die niet gedoopt waren. Ik herinner me nog dat ik er liever over zweeg. Ze moesten eens weten dat ik een heiden was‿ Vader ging wel naar de kerk, maar had met moeders standpunt geen moeite. Onze buren, de familie Bonstra, waren tamelijk gelovig. Hij was veldwachter, net als vader. Zijn vrouw, tante Loes, heeft mij een gebedje geleerd: ik ga slapen, ik ben moe, sluit mijn beide oogjes toe, Here houdt ook deze nacht over mij getrouw de wacht. Het Onze Vader heb ik mezelf geleerd. Ik bad het soms wel tien keer achter elkaar omdat ik vond dat ik aan niets anders mocht denken. Heel geconcentreerd. Zodra ik werd afgeleid, begon ik opnieuw. Ik dacht: God luistert alleen als ik goed mijn best doe. En ik sloot ieder gebed af met: ’wees goed voor vader-moeder-Piet-Bets-Willemiek-en- ik.’ Ik ging ook naar aparte jeugddiensten, geleid door een verlichte predikant. Op een dag predikte hij over een vruchtdragende en een dode boom waarvan de takken in elkaar verstrengeld waren. Die dode boom, zei hij, moest worden omgehakt en de vruchtdragende boom zou tot in de hemel groeien. Ineens begreep ik dat ik de enige vruchtdragende boom in ons gezin was en dat mijn ouders, mijn broer, mijn schoonzus en hun kind dus nooit in de hemel konden komen. Toen dat tot me was doorgedrongen, heb ik, huilend, afscheid van God genomen. Ik wilde dolgraag naar de hemel, maar niet zonder vader-moeder-Piet- Bets-en-Willemiek.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ik heb koning Alcohol aanbeden, hoewel, koning, ’t is eerder een duivel. Dat was zo prettig van die Refusal-pillen: zodra ik die had geslikt, zwegen de stemmen in mijn hoofd. ’Toe maar, je mag tijdens een bruilof best een glas champagne drinken!’ ’Doe het nou niet, je weet toch wat ervan komt?’

Het is op de Kunstnijverheidsschool begonnen. We hadden een feestje bij een meisje uit de klas en ik had voor mezelf een fles jenever gekocht. Die zette ik aan mijn mond. Heel raar. Ik ben erg ziek geworden, maar dat was geen reden om het nooit meer te doen. Op mijn vijfendertigste dacht ik: als ik nu niet stop met drinken, ga ik eraan kapot. Ik ging naar de Jellinekkliniek en zei: ’Ik ben geestelijk in de war want ik word ’s morgens wakker en denk meteen aan alcohol, terwijl ik weet dat het slecht voor me is’. ’Hoeveel drinkt u dan?’ ’Nou, heel veel, een liter jenever per dag. Als het niet meer is’. ’Dan bent u een alcoholist, uw lichaam vraagt erom’. Dat was voor mij een grote opluchting: het zat dus niet in mijn geest. Ik was niet zelfdestructief, ik was gewoon verslaafd. Ik kon er iets aan doen. Het ging niet één, twee, drie, maar het is me uiteindelijk toch gelukt. Toen ik net van de drank was, was ik bang voor alcoholisten, bang voor kroegen ook. De verleiding, begrijp je? Later zag ik wel eens ’s morgens vroeg een jongen met een flesje bier lopen en dacht: o, wat héérlijk, zoals hij de dag in gaat! De wereld is zo grijs, zo kaal als je niet hebt gedronken. Ik kon me vroeger ook niet voorstellen dat je seks had zonder dronken te zijn. Ik zie die grijze wereld nog steeds, maar weet er door dagelijks marihuana te roken nog wat kleur aan te geven. Die marihuana heeft me er, toen ik na zeven jaar een terugval kreeg, ook weer bovenop gekregen. Het gebeurde tijdens de vakantie. Ik dronk dat rode spul, hoe heet het nou‿ Campari! Die kon je daar ook in flessen van anderhalve liter krijgen. Als ik opstond, begon ik meteen te drinken. Ik logeerde bij mensen en verzon allerlei redenen – ’O, waar is mijn horloge?’–- om steeds weer naar mijn kamer te gaan en dan: klokklokklok‿ ja, als je de drank gaat verstoppen, dan zit je mis. Na een halfjaar had ik de boel weer onder controle. Ik ben nog altijd alcoholist – dat blijf je je hele leven – maar ik drink niet meer zoveel. Het is prettig dat ik speel want voor de voorstelling drink ik niet en daarna is het te laat om nog grote hoeveelheden naar binnen te slaan. Dan ben je moe en wil je naar bed.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Na een geslaagde première, kijk ik altijd even omhoog en zeg: ’Dankjewel God’. Vragen doe ik niet. Als je niet in God gelooft, kun je ook niets aan Hem vragen. Ik dank God – dat woord zit er nu eenmaal ingesleten – omdat het zo goed gaat in mijn leven. Ik ben tevreden. Ik heb helemaal niets te klagen.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik bezoek Ramses elke zondag in het verzorgingstehuis. Dan neem ik een slof sigaretten – kan hij best betalen, maar hij rekent er nu eenmaal op – chocola en bloemen, altijd bloemen, voor hem mee. Hij zegt dat hij dat fijn vindt. Hij is altijd erg enthousiast al valt hij ook wel eens zomaar in slaap. Dan hebben Kitty (Courbois, AV) en ik te veel over onszelf zitten praten, of is hij de vorige avond uit geweest. In het begin schrok ik daar wel van. Nu zeg ik: ’Knap maar even een uiltje, dan ben je straks goed wakker’. We hebben het heel gezellig samen. Ramses klaagt nooit. Hij zegt wel steeds: ’Ik ga naar huis’. Of dat we met z’n drieën een toneelstuk moeten maken. We zeggen dan een beetje ja. Dat vindt hij al genoeg.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Weet je wat zo wonderlijk is? Als ik op vakantie ben in Griekenland droom ik vaak dat ik er ineens achter kom dat vader en moeder nog leven. Ze wonen dan in Buren, ik ben hen helemaal vergeten en ik schaam me dood. Tot een confrontatie komt het nooit, in die droom. Ik reis naar Buren – het is oorlog, een zware onderneming – en weet niet wat ik moet zeggen. Ik kan toch niet zeggen: ’Ja, sorry, ik dacht dat jullie dood waren?’ Die droom komt in allerlei varianten terug, maar de boodschap is steeds dezelfde: ik heb vader en moeder in de steek gelaten. Raar hè? Terwijl ik toch geen lullige dingen heb gedaan‿ het is onzin, echt een onzindroom! Ik heb vader de laatste weken van zijn leven verzorgd. Wij wisten al langer dat hij kanker had, maar omdat er toch niets aan te doen was, hebben we het een tijdje voor hem verzwegen. Toen duidelijk werd dat hij niet lang meer te leven had, stelden we voor dat vader in het ziekenhuis waar mijn broer Piet als anesthesist werkte, verzorgd zou worden. Daar kon hij rustig sterven. Maar vader zei: ’Ik blijf liever hier’. ’Oké’, zei ik, ’dan blijf ik ook’. Het was 1975, ik zat bij het Werkteater. Ik belde op: ’Mijn vader gaat dood, ik wil voor hem gaan zorgen’. Vonden ze goed. Mijn vader waardeerde dat heel erg. Hij nam het Werkteater op in zijn dankgebed. Hij was in die weken erg met het geloof bezig. Hij schreef ook allerlei religieuze gedichten die nooit afkwamen. Het laatste ging zo: ’Er ging een gebod uit van de Heer, dat een broeder tot me zal komen‿’ Daar dacht hij veel over na; over hoe Christus in de hemel op hem wachtte. Hij hallucineerde ook veel. Dan vertelde hij dat hij boven aan het plafond hing en ons in de kamer zag zitten. Moeder werd daar erg zenuwachtig van. ’Hij praat mis’, riep ze dan, ’hij praat mis! Nee, Jo, dat kán niet!’ Ik wist, doordat ik wel eens lsd had genomen, dat je wel eens een slechte trip kon hebben en had geleerd hoe je iemand daar uit kon krijgen. Dus als mijn vader riep dat hij op zee was en bijna verdronk, zei ik dat ik een bootje had en dat ik hem wel naar de kant zou roeien.

Vader vond het ook zo erg dat moeder – die toen al tamelijk in de war was – niet in het hiernamaals geloofde. Drie weken voor hij stierf was de buurvrouw, tante Loes, op bezoek en vader zei‿ gek eigenlijk, ik bedenk me nu ineens dat we dezelfde angst hebben gedeeld‿ hij zei dat hij bang was dat moeder niet in de hemel zou komen omdat ze zo stellig was in haar ongeloof. Tante Loes is toen met moeder in de achterkamer gaan zitten en heeft met haar gepraat. Na een tijdje kwam ze ineens, in haar nachtjapon, te voorschijn, ging aan de rand van vaders bed staan en zei: ’Jo, ik ga met je naar de kerk’. Een ontroerende scène. Vader dankte God en moeder ging naar bed. Kort daarna kreeg ze een verschrikkelijke aanval. Ze begon helemaal te shaken, dat hele verhaal had haar emotioneel geheel verward. We belden mijn broer die dacht dat het hielp als hij heel hard ’Rustig nou moeder!’ riep, maar ze was niet tot bedaren te brengen. ’Ik ben ontvoerd!’ schreeuwde moeder, ’ze hebben onze schilderijen hier opgehangen, maar ik weet heus wel dat ik niet thuis ben’. Piet is gekomen, moeder kreeg een kalmerend spuitje en is diezelfde avond nog op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis opgenomen. Vader en ik waren opgelucht dat ze wegging. Ze vroeg in die tijd zoveel aandacht, slikte te veel pillen, stond soms ineens – midden in de winter – in haar nachtpon in de tuin. Nu was er eindelijk rust in huis. We hadden het goed samen, vader en ik. Soms was hij bang, dan probeerde ik hem te troosten. ’U komt zeker in de hemel’. Op het laatst is hij in coma geraakt en langzaam weggegleden. Moeder was nog te veel in de war om bij de begrafenis aanwezig te kunnen zijn. Ze is nog wel opgeknapt – pas veel later is ze echt dement geworden – maar ze wist niet meer hoe vader was overleden.

De laatste vier jaar van haar leven herkende ze niemand meer. Als ik haar een hand gaf, stak ze die in haar mond. Ik had haar ooit beloofd dat ik dit nooit zou laten gebeuren, maar toen het zover was, kon ik er niets meer aan doen. Ze zat in een katholiek verpleegtehuis, lieve meisjes hoor, toegewijd en respectvol, maar van euthanasie kon natuurlijk geen sprake zijn. Vlak voordat ze doodging was ze erg onrustig: zuchten, kreunen, hijgen, echt iemand die lijdt. Ik vroeg de dokter of hij iets kon doen. ’Dat gaat niet’, zei die man, ’want dan verliest ze het contact met haar omgeving’. Ik voel nog hoe kwaad ik werd. Ik beloofde hem dat ik de hele nacht zou blijven bellen als hij haar niets zou geven. Dat heeft hij ten slotte toch gedaan. Een beetje valium, om rustiger te worden. Het klinkt hard, maar ik heb echt op haar dood gewacht. Als zo’n verpleegster zei: ’U hoeft niet bang te zijn hoor, uw moeder haalt de ochtend wel’ dacht ik: zég! dat wil ik helemaal niet! Maar dat durfde ik natuurlijk niet te zeggen. Dus zei ik: ’Dankjewel’. Toen ze eindelijk stierf was ik blij. Ik was er klaar mee. Dat was bij mijn vader ook zo gegaan: het rouwproces was tijdens zijn leven al in gang gezet. Ja‿ lieve ouders. Ik heb verschrikkelijk veel van vader en moeder gehouden.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Begin jaren tachtig – ik was alleen, had geen vriend – heb ik wel eens zelfmoord overwogen. Ik dacht: als Kino, mijn hond, en mijn moeder er straks niet meer zijn, maak ik er meteen een eind aan. Ik ben toen een jaar lang in therapie geweest, bij de Jellinekkliniek. De zus van Johan van der Keuken was mijn therapeute. Een lieve, goede vrouw – inmiddels ook overleden. Ik voerde wekelijks gesprekken met haar. Over mijn depressie, over het plan dat ik had mijn demente moeder in een voorstelling op te voeren, maar ook over Gerard Thoolen, die zwaar depressief was en al een jaar lang de hele dag bij mij in huis op bed lag. Het ging met mij vlug beter, maar ik ben voor de gezelligheid wat langer gebleven. Ik heb sindsdien geen zelfmoordplannen meer gehad. Dat komt misschien wel door Jaap; dat Jaap er is. Ik moet er ook niet aan denken dat hij zou overlijden. Als hij er niet meer is, heb ik er ook geen zin meer in. Denk ik.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Toen ik vijfentwintig was, ben ik een keer vreemd gegaan, met Jaap. Ik was met Ramses die dat zo vaak deed dat ik het op den duur ook maar ging doen, uit wraak, om hem te treffen. Hij werd vreselijk kwaad want dát was natuurlijk niet de bedoeling. Hij mocht alles en ik mocht niks. Ik voelde wel iets voor Jaap, maar ben toch bij Ramses gebleven. We hebben het negen jaar met elkaar uitgehouden. Uiteindelijk kwam er door de drank, door het eindeloze geruzie, een einde aan. Als mensen zeiden: ’Het is goed dat je van hem af bent, die man deugt niet’, werd ik razend. Hij deugt wel! Ik hield van hem, ik hou nog altijd van hem. Hij was mijn eerste liefde. Het is heel bijzonder als Ramses verliefd op je is. Hij vond me geweldig, zei dat ik vreselijk veel talent had‿ ja, heerlijk. Zoiets vergeet je nooit meer.

Later, veel later, toen Jaap en ik allebei alleen waren, besloten we samen verder te gaan. Dat is inmiddels tweeëntwintig jaar geleden.”

VIII Gij zult niet stelen

„Ik was een laf iemand, iemand die aardig gevonden wilde worden. Ik haalde geen kattenkwaad uit, ik vocht alleen met jongens die nestjes uithaalden. Ik was gek met beesten, als ze naar waren tegen beesten ging ik er, hoe klein ik ook was, met mijn vuistjes op af. En áls ik al iets deed wat niet mocht, werd dat binnen de kortste keren aan mijn ouders doorverteld. Moeder zei dan: ’Als het zoontje van de veldwachter zoiets doet, gaat iedereen zich straks zo gedragen’. Vader was niet zo streng. Hij was goed voor de asocialen, die gingen niet naar de kerk, daar had niemand vat op. Die vrouwen kwamen bij hem en riepen: ’Admiraal, Admiraal! M’n man wil bloed zien!’ En dan ging vader weer mee. Hij gebruikte nooit zijn gummistok; als er ruzie was, pakte hij de mensen beet en gooide ze uit elkaar. Ik weet nog dat hij een keer tegen me zei: ’Ik zal je nooit slaan want ik ben bang dat ik je dood zal slaan’. Eng? Nee, helemaal niet. Ik weet toch dat hij me niet sloeg? Vader was zo sterk: hij kon in zijn eentje een aambeeld, dat door vier mensen in een smidse werd geplaatst, optillen. Dat kon niemand. Ik was trots op hem. Ik voelde me veilig. Mij kon niets overkomen.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Vroeger speelde ik altijd iemand anders. Een baby, een oude man, een generaal, een zielige oude vrouw of een vrouw met heel veel praatjes: als ik maar niet mezelf hoefde te zijn. Een pruik of een snor op, een buik voor: heerlijk! Vermommen. Wie ik dan zelf was? Een lul. Niks. Een niksman. Toen ik ’U bent mijn moeder’ ging maken, dacht ik nog dat ik alleen mijn moeder zou spelen en dat iemand anders Joop Admiraal moest zijn, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen iemand zo’n niksige rol aan te bieden. Daarom heb ik het zelf maar gedaan.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik ben altijd jaloers geweest op acteurs die helemaal vanuit zichzelf kunnen spelen. Dat is nog steeds mijn streven: niet meer te spelen, maar te zijn.

Soms lukt het me te spelen wie ik ben: gewoon, een oude man. Ik begin te begrijpen dat er van zo’n oud, mager lijf een zekere schoonheid uit kan gaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden