Joodse tweedeling op Curaçao

Op 25 juni 2006 werden de Thora?s feestelijk overgebracht van de Asjkenazische synagoge aan de Lelieweg naar de nieuwe aan de Magdalenaweg. (FOTO COLLECTIE SHAAREI TSEDEK) Beeld
Op 25 juni 2006 werden de Thora?s feestelijk overgebracht van de Asjkenazische synagoge aan de Lelieweg naar de nieuwe aan de Magdalenaweg. (FOTO COLLECTIE SHAAREI TSEDEK)

Op Curaçao hebben de 225 Sefardische en Asjkenazische Joden gescheiden synagoges. Van samengaan is geen sprake. Oud zeer speelt een rol.

Vanaf midden 17e eeuw vestigden zich Sefardische joden uit Spanje en Portugal op Curaçao. Ze werden er actief in de handel en begin 20e eeuw hadden ze de status van een soort rijke Curaçaose adel.

Het duurde tot 1926 voor de eerste Asjkenazische joden uit Oost-Europa zich definitief op het eiland vestigden. Ze kwamen uit het Poolse Galicië en het aangrenzende Roemeense Bessarabië en de Boekovina, en waren gevlucht voor de armoede en het toenemende antisemitisme.

Je zou verwachten dat de Sefardische joden de nieuw aangekomen geloofsgenoten zouden opvangen. Maar de orthodoxe Asjkenazim kwamen niet of nauwelijks in de synagoge van de destijds nog orthodoxe gemeente Mikvé Israel.

Niet alleen omdat de Asjkenazische en Sefardische riten verschillen en een Asjkenazische dienst informeler is dan een Sefardische. Ze kwamen er vooral niet, omdat ze zich niet welkom voelden.

Volgens Isaac Emmanuels standaardwerk over de Sefardische gemeente accepteerde deze geen Asjkenazische joden als leden. De vrees bestond dat de nieuwelingen uit Oost-Europa op den duur hun eigen tradities en riten zouden doordrukken.

Toen de Asjkenazim later onder voorwaarden wel lid mochten worden van Mikvé Israel, hoefde het al niet meer. Sinds 1930 hadden ze een eigen gebedsruimte en in 1933 richtten ze een sociale vereniging op.

De afstand die de Sefardim bewaarden is wel te begrijpen. Wat moesten zij met die groep arme en vaak ook nog eens laagopgeleide joden die plotseling hun wereld binnenkwam? Eén van de eerste migranten, Selig Seibald, was in Polen nooit naar school gegaan omdat hij al op jonge leeftijd voor het gezin moest zorgen, nadat zijn vader in de Eerste Wereldoorlog was omgekomen.

De Asjkenazische joden konden eigenlijk alleen maar opkijken tegen de Sefardim, die over het algemeen in de hoogste maatschappelijke regionen van het eiland verkeerden. En dat zij, de Asjkenazim met hun andere tradities en achtergrond, een geïsoleerde positie in de Curaçaose maatschappij innamen, was voor hen helemaal niet zo vreemd. In Polen en Roemenië was het niet anders geweest. Alleen al door hun andere omgangstaal, het Jiddisch, stonden zij ook daar apart van de rest.

Volgens de nu negentigjarige zakenman Herman Tauber bestond er in die beginjaren een complete scheiding tussen de beide groepen joden. „We waren niet slim genoeg en niet goed genoeg. Dat kon ik goed merken. Daarom wilden we het beter doen dan zij. We kwamen misschien later aan, maar we wilden wel de eersten zijn.”

Op de openbare school kwamen de kinderen wel met elkaar in contact, maar ze hadden weinig gemeen, omdat ze maatschappelijk gezien in een andere wereld leefden. Soms werd een Asjkenazisch kind door een Sefardisch vriendje op een verjaarspartijtje uitgenodigd. Maar over het algemeen was het verschil in achtergrond te groot voor hechte en blijvende vriendschappen.

Ondanks de religieuze en sociale kloof waren de zakelijke contacten tussen beide groepen in de eerste jaren goed. De Oost-Europese joden kochten handelswaar bij de gevestigde Sefardische handelaren en gingen daarmee als marskramers langs de deuren. Maar geleidelijk aan openden ze hun eigen winkels, waarmee ze concurrenten werden van de Sefarden.

Al in juni 1932 stuurden ruim vijftig Curaçaose handelaren, joods en niet-joods, een brief aan de gouverneur waarin ze zich beklaagden over de ’deloyale concurrentie van de zyde van ongewenschte immigranten [] die ongelooflyk lage levenseischen stellen en er geen personeel op plegen na te houden’.

Ze gaven aan de gouverneur te kennen dat ’dit heilloos bedrijf [] tot gevolg dreigt te hebben, dat verscheidene reeds wankel staande oude zaken in staat van faillissement geraken en dat honderden kantoor- en winkelbedienden werkloos worden’.

De oplossing van het probleem zou volgens hen liggen in een wettelijk verbod aan vreemdelingen ’van het slag als hierboven bedoeld’ om op het eiland een bedrijf uit te oefenen. Om ’de hardheid van den maatregel te temperen’ stelden ze voor dat het verbod alleen geldig zou zijn voor vreemdelingen die ná 1 juni 1926 op Curaçao waren aangekomen.

Aangezien de eerste Oost-Europese jood in juli 1926 op het eiland was gearriveerd, is wel duidelijk dat de voorgestelde maatregel tegen de Asjkenazische joden was gericht. De Asjkenazim zullen dat in die tijd ook zeker zo ervaren hebben. Dat verklaart de wrok die sommigen nog koesteren over de ongastvrije ontvangst door hun geloofsgenoten.

Als reactie op bovengenoemde noodkreet van de Curaçaose handelsstand werd in oktober 1932 de ’Verordening houdende eenige bepalingen betreffende kooplieden’ ingediend.

In de memorie van toelichting noteerde gouverneur Van Slobbe dat nieuwe kooplieden een bankgarantie dienden te overleggen ’waardoor bevorderd wordt, dat personen, als door adressanten bedoeld, teruggehouden worden een zaak te openen en worden geweerd als leden van den handelsstand, die zij door hunne gedragingen en levenswijze eerder afbreuk doen dan bevoordelen’.

De Nederlandse minister van koloniën, Simon de Graaff, zag een vestigingsverbod evenwel niet zitten. In een geheime brief van november 1932 probeerde de gouverneur hem er nog van te overtuigen dat de lokale handelsstand beschermd moest worden tegen de concurrentie van de Asjkenazim. Hij schreef dat diverse van ’dergelijke kooplieden met achterlating van schulden’ het gebied al hadden verlaten. Maar volgens de Nederlandse minister was concurrentie een universeel verschijnsel, ook als die van vreemdelingen kwam ’die aan hun levenswijze zeer lage eischen stellen’.

De concurrentie werd groter toen Asjkenazische kooplieden vanaf 1934 rechtstreeks (goedkope) goederen uit Japan gingen importeren. Voor de gevestigde zakenlui was dit aanleiding om opnieuw stevig te lobbyen voor een vestigingsverbod. In een brief aan de Koloniale Raad drongen zij wederom aan op spoed met de ontwerpverordening uit 1932. Die kwam er pas in 1937.

In die jaren speelde nog een kwestie die ongetwijfeld een wig heeft gedreven tussen de twee groepen joden. Uit een geheime brief van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst aan de Nederlandse ministers van koloniën en justitie blijkt dat sinds Hitlers machtsovername in 1933 alle joden op Curaçao Duitse producten boycotten. In theorie althans. Want soms gingen de financiën voor de principes. Zo bleef de Sefardische Elias Curiel het Duitse Holsten bier importeren. Tot verontwaardiging van de Asjkenazische joden.

Vanuit hun achtergrond is die verontwaardiging begrijpelijk. De Sefardim van Curaçao, die omstreeks 1500 zijn gevlucht voor de inquisitie op het Iberisch schiereiland, hadden sindsdien nooit meer aan vervolgingen blootgestaan. Terwijl de Oost-Europese joden het antisemitisme nog maar zo kort geleden aan den lijve hadden ondervonden. Voor hen was de Jodenvervolging veel herkenbaarder en bedreigender, en daarom kwam de import van Duits bier door een geloofsgenoot bij deze groep extra hard aan.

Inmiddels hebben de meeste Asjkenazim hetzelfde welstandsniveau bereikt als het gros van de Sefardim. Opvallend is dat een deel van hen nu vindt dat het allemaal wel meeviel met de houding van de Sefardische joden. Waarschijnlijk omdat de relaties inmiddels stukken beter zijn. Sommige Asjkenazische Joden zijn lid van beide gemeenten; en er zijn een paar onderlinge huwelijken. Ook gaan alle Joodse kinderen ’s middags naar dezelfde Hebreeuwse School.

Bij enkele, vooral jongere, Asjkenazim is zelfs enig begrip voor de houding van de Sefarden destijds. Zoals iemand van de naoorlogse generatie zei: „Als ik naar oude films kijk, kan ik me wel iets voorstellen bij de reactie van de Sefardische joden. Dus ik kan het ze ook niet echt kwalijk nemen. Ik had misschien hetzelfde gedaan. Er was nu eenmaal een groot cultuurverschil.”

Toch voelen slechts weinig Asjkenazim voor een samengaan met de inmiddels liberale Sefarden. Hoe praktisch dit ook zou zijn voor twee zulke kleine gemeenten.

Naast de religieuze tegenstelling tussen orthodox en liberaal speelt hier waarschijnlijk de Oost-Europese Jiddisjkait een rol. Kennelijk zijn voor de Asjkenazim het joods-zijn en het gevoel voor traditie belangrijker dan voor de Sefardim. Dat maakt het extra moeilijk om beide groepen bij elkaar te brengen.

Het boek is mede tot stand gekomen met steun van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl) en het Joods Historisch Museum, Amsterdam (www.jhm.nl).

Enthousiaste Curaçaose pioniers verenigden zich in april 1947 in een landbouwopleiding, als voorbereiding op hun emigratie naar een kibboets in Israël. (FOTO PRIVÿCOLLECTIE ESTHER GAL-JESSURUN CARDOZO.) Beeld
Enthousiaste Curaçaose pioniers verenigden zich in april 1947 in een landbouwopleiding, als voorbereiding op hun emigratie naar een kibboets in Israël. (FOTO PRIVÿCOLLECTIE ESTHER GAL-JESSURUN CARDOZO.)
(Trouw) Beeld
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden