Joods of rooms-katholiek, het interesseerde niemand een zier

Wat een bijzondere treinreis moet dat zijn geweest van Amsterdam naar Brussel. Hoe komt het nou weer dat een willekeurige vrouw uit Ecuador tegen jou honderduit begint te praten over Joden die de Palestijnen wreed onderdrukken, allemaal rijk, gierig en machtig zijn en grote gezinnen van minstens tien kinderen nemen om de wereld te kunnen domineren?

Je vraagt me hoe vaak ik zulke gesprekken met mensen met antisemitische vooroordelen heb moeten voeren. Het eerlijke antwoord is: dat valt eigenlijk reuze mee. Misschien komt dat doordat de tijd waarin ik opgroeide heel anders was dan nu. Vlak na de Tweede Wereldoorlog (ik ben zoals je weet van 1951) was het not done om onplezierige opmerkingen over Joden te maken, in elk geval in Nederland. Daarvoor was de herinnering aan de deportaties nog te vers. De enige jongen die me op het speelplein van de Hyacinthschool in Den Haag voor 'brillenjood' uitmaakte en me vervolgens in elkaar sloeg was zelf Joods. Ook uit de rest van mijn jeugd herinner ik me geen angst voor discriminatie. Op het gymnasium in Leiden werd met geen woord gerept over je religieuze afkomst, het maakte hoogstens wat uit of je zoon van een hoogleraar of (zoals in mijn geval) handelsreiziger was. Toen Israël in 1967 in oorlog met zijn Arabische buurlanden Egypte, Jordanië en Syrië raakte, stond het hele dorp Voorschoten (waar mijn ouders woonden) als één man achter de bedreigde Joodse staat. Er werd een benefietavond in het Dr. Van der Stoel-centrum gehouden die veel geld opbracht voor de kleine David die het tegen de reusachtige Arabische Goliath opnam.

Uit mijn studententijd aan de Universiteit van Amsterdam herinner ik me een Midden-Oosten-congres dat adhesie aan de Palestijnse bevrijdingsbeweging betuigde. Maar bij mijn weten hadden zelfs de organisatoren van dat congres niets tegen Joden. In de linkse jaren zeventig vochten sociaal-democraten, pacifisten, trotskisten, maoïsten en radencommunisten elkaar de tent uit.

Maar of je een protestant uit Leeuwarden, rooms-katholiek uit Simpelveld of Joodse Amsterdammer was, interesseerde niemand een zier. Iedereen noemde zich internationalist. Laatst las ik het boek van John Jansen van Galen over de geschiedenis van Vrij Nederland, waar ik kort na mijn studie ging werken. Door dat boek viel me pas op hoeveel Joodse collega's ik toen had: Martin van Amerongen, Frits Barend, Igor Cornelissen, Lisette Lewin, Ischa Meijer, Renate Rubinstein, Joop van Tijn. Toen stond ik daar eigenlijk weinig bij stil. Je was kritisch journalist, je denominatie deed er niet toe.

Het verschil tussen ons is dat jij opgroeit in een tijd van identiteitspolitiek en beginnende herzuiling. De leden van jouw generatie zijn zich veel meer bewust van hun religieuze, culturele en etnische wortels dan wij babyboomers ooit waren. De een draagt een hoofddoek, de ander een kruisje, de derde pronkt met haar davidster. Mij hoor je niet zeggen dat het verkeerd is. Maar de keerzijde is dat je tegen nare vooroordelen bestand moet zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden