Jood of christen

Wat bepaalt iemands identiteit? Zijn het de genen of is het de omgeving? Is de identiteit een kwestie van vrije keuze of krijgt men haar min of meer opgedrongen, door de opvoeders of de overheid? Wordt men wat men in de kiem al is of komt men ter wereld met een schone lei, waarop de identiteit geleidelijk wordt ingevuld, al dan niet volgens een tevoren vastgelegd patroon?

Het zijn vragen waarop geen eenduidige antwoorden zijn. Daarom lenen ze zich eerder voor een roman dan voor een filosofische verhandeling. Nu is het zo dat men ook in de filosofie zelden eenduidige antwoorden krijgt, maar van haar verwacht men op zijn minst een zekere universaliteit en abstractie. Aan deze formele eisen hoeft een roman niet te voldoen: van een roman verwacht men aanschouwelijkheid en concrete verhalen, die een probleem op zijn best illustreren.

Filosofische vraagstukken mogen in een roman hooguit doorschemeren, bepalen mogen ze de handeling niet. De schrijver van een filosofische roman laadt op zijn minst de verdenking op zich dat het hem slechts te doen is om het etaleren van wijsheden; de lezer op zijn beurt voelt zich al gauw als vanuit de hoogte toegesproken. De narratieve (niet-filosofische) roman daarentegen 'beantwoordt' een filosofische vraag door haar te illustreren, waarmee een eerste stap is gezet naar inzicht. Een goede roman leest men voor zijn plezier; door een filosofische roman moet men zich heen worstelen. Van een goede roman wordt men ongemerkt wijzer; na lezing van een filosofische roman is men nog even wijs (of dom) als men tevoren al was.

Dat een roman op een onderhoudende manier het vraagstuk van de identiteit kan verhelderen bewijst de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse met zijn onlangs vertaalde boek 'De verdrijving uit de hel'. Het is -en dat is als compliment bedoeld- beslist geen filosofische roman, hoewel de schrijver van huis uit filosoof is en hoewel het filosofische vraagstuk van de identiteit er in al zijn facetten het belangrijkste thema van is - let wel: thema en niet onderwerp. Menasse laat zien dat je een hoogintelligente roman kunt schrijven zonder dat dat ten koste gaat van de leesbaarheid.

'De verdrijving uit de hel' beschrijft op parallelle wijze het leven van twee jonge mannen, de rabbijn Manasseh ben Israel, die op de vlucht voor de inquisitie in het zeventiende-eeuwse Portugal in Amsterdam belandt en de fictieve, ongetwijfeld op de persoon van de schrijver gebaseerde, half-Joodse Viktor Abravanel, die in het Wenen van de tweede helft van de twintigste eeuw met vallen en opstaan volwassen probeert te worden.

Er treden in de roman twee bijfiguren op die de thematiek van de identiteit op beknopte maar treffende wijze aanschouwelijk maken, in het eerste geval met een wrang-komische, in het tweede met een tragische ondertoon. De eerste is een (niet-Joodse) oom van Viktor, een enigszins verlopen figuur, een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Als nachtportier in een hotel maakt hij er een sport van de Joodse eigenaar, inclusief diens jiddelende taalgebruik, te imiteren en oogst daar onder de stamgasten veel bijval mee. ,,Hij leerde Joden te verachten, en tegelijk succes te hebben als hij er een speelde.''

Mettertijd vergroeit hij zozeer met zijn rol dat hij de karikaturale Jood niet meer speelt maar wordt. Als hij op een avond in een louche café zijn gebruikelijke show opvoert wordt hij door de antisemitische clientèle voor een echte Jood aangezien. Er vallen rake klappen en oom Erich rent naar buiten, wordt door een auto geschept en sterft. ,,Oom Erich was het eerste dodelijke slachtoffer van antisemitisch geweld in Oostenrijk sinds het herstel van de republiek,'' luidt het kil-ironische commentaar van de verteller.

Tegen het einde van de roman wordt het navrante levensverhaal verteld van de historische figuur Uriel da Costa, telg uit een welgestelde adellijke familie die al sinds vier generaties het katholieke geloof belijdt. Hij bekleedt de hoogste wereldlijke post in het kerkelijke leven van het 17de-eeuwse Porto. Op zeker moment wil hij weten wat zijn voorvaderen vóór de gedwongen doop geloofd hebben en wat dit geloof hem nog zegt. Hij leest het Oude Testament en beseft dat hij geen katholiek meer kan zijn. Hij vlucht naar Amsterdam en laat zich besnijden. Hij wordt een succesvol zakenman en een gerespecteerd lid van de joodse gemeente.

Als gevolg van een futiel conflict over de uitleg van de spijswet doet het rabbijnencollege hem in de ban. Nadat het leven onmogelijk voor hem is geworden verklaart hij zich bereid zijn standpunt te herroepen. De ban zal worden opgeheven, maar eerst wordt hij ter boetedoening publiekelijk gegeseld in een stampvolle synagoge. Vervolgens moet hij op de drempel van de synagoge gaan liggen, waar alle aanwezigen over hem heen stappen. Volledig gebroken gaat hij naar huis en schiet een kogel door zijn hoofd. Het commentaar van de opperrabbijn: ,,Alsof er nog een bewijs nodig was geweest... Deze man was geen jood. Een jood slaat niet de hand aan zichzelf!''

'Jood of christen?' - zal die vraag altijd gesteld worden? Ja, altijd. Daarover gaat 'De verdrijving uit de hel', een zeer leerrijke, geen filosofische roman.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden