Jood en moslimvriend

Met zijn sympathie voor de Arabieren bezegelde De Haan zijn doodvonnis

JAAP GOEDEGEBUURE

Op het stofomslag van Jan Fontijns biografie van schrijver, dichter, journalist en rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan (1881-1924) staan twee portretfoto's. Samen vertellen ze een groot deel van het verhaal. Aan de achterzijde zien we De Haan op de dag van zijn promotie, de kruin bedekt met een keppeltje. Op de voorkant is hij gekleed als Arabier, met hoofdtooi en overkleed.

Het is precies deze combinatie van twee onverenigbaar geachte hoedanigheden, belijdend jood en moslimvriend, die hem fataal werd. Nadat hij in 1919 als overtuigd zionist was afgereisd naar het Britse protectoraat Palestina, kreeg hij al snel oog voor de onrechtvaardige behandeling van de niet-Joodse bevolking. Hij sloot zich aan bij een orthodox-religieuze groepering die weliswaar sympathiseerde met de inrichting van een Joods tehuis in het oude Israël, maar de stichting van een Joodse natiestaat verwierp en bovendien voorstander was van vreedzame coëxistentie met de oorspronkelijke Palestijnen en de Arabische buurvolken. Daarmee bezegelde hij zijn doodvonnis. In 1924 werd hij op last van de Hagana (de paramilitaire organisatie van de in Palestina gevestigde zionisten) geliquideerd.

Het uiterst complexe, in zichzelf verdeelde personage Jacob Israël de Haan is een kolfje naar Fontijns hand. Die verdiende zijn sporen als biograaf met 'Tweespalt' en 'Trots verbrijzeld', een ruim opgezet en buitengewoon erudiet tweeluik over schrijver-medicus Frederik van Eeden, niet toevallig De Haans mentor en voorbeeld.

Voordat De Haan zo omstreeks zijn dertigste terugkeerde naar het geloof der vaderen, had hij al een geduchte reputatie van lastpak en gelijkhebberige ruziemaker opgebouwd. Zijn iets oudere zus Carry van Bruggen, als tweelingziel met hem verbonden, zette hem in haar autobiografische roman 'Eva' (1927) met recht en reden neer als gedreven zoeker naar een ideaal waarbij hij rust hoopte te vinden, wel wetende 'dat de onvoldaanheid hem eenmaal weer zou aangrijpen, vroeger of later, en dat hij al z'n leven zou zoeken, bouwen en breken'.

Regelmatig joeg 'Joop' de Haan tijdens zijn studie voor onderwijzer met polemieken én excentriek gedrag zijn docenten in de gordijnen. Hij werd socialist en manifesteerde zich als activist met de pen, waarbij hij er geen probleem van maakte om van de partijlijn af te wijken wanneer hij de waarheid aan zijn kant dacht te hebben. In 1904 kwam hij met de schandaalverwekkende roman 'Pijpelijntjes' uit de kast als homoseksueel. Ontslag bij het socialistische dagblad Het Volk (waar De Haan de kinderrubriek redigeerde) was het gevolg.

De helft van de biografie is gewijd aan De Haans laatste vijf levensjaren, die hij zonder onderbreking doorbracht in Palestina. Het is het beste deel van het boek. Niet bepaald gesteund door een overvloed aan bronnen gaat Fontijn minutieus de gangen van zijn held na en voorziet diens handelingen en opinies zorgvuldig en gedetailleerd van een sociaal-politieke context.

De Haan krijgt reliëf dankzij de met royale hand geciteerde fragmenten uit zijn stukken voor de Nederlandse pers, zijn poëzie (door Fontijn getypeerd als een alternatief dagboek) en een paar treffende anekdotes. Karakteristiek is een herinnering van de Arabische Adil Aoueddah. Toen die naast zijn vriend De Haan op straat liep, zag hij hoe Joden voor hem op de grond spuwden. "Dat doen ze niet uit respect voor u!", zei hij. "Neen", antwoordde De Haan, "dat doen ze uit respect voor u, want als ik alleen ben, spuwen ze in mijn gezicht."

Gegeven de kloof tussen Joden en Palestijnen die na 1924 alleen maar dieper is geworden en op dit moment onoverbrugbaar lijkt, mag De Haans stellingname uitzonderlijk en tegelijk voorbeeldig worden genoemd. Wanneer hij de moeilijkheden beschrijft die hij tegenkomt bij het zoeken van een hotel voor Adil en hemzelf, lezen we: "De extreme Joden doen hier tegen iedereen, die hun niet aanstaat, precies datgene, waarvan zijzelf in ballingschap zo wreed geleden hebben." Het is een uitspraak om in te lijsten.

Eén markant aspect van De Haans persoonlijkheid en doen en laten blijft tamelijk onderbelicht: zijn liefdesleven. In een van zijn beroemdste gedichten vraagt hij zich met geprangd gemoed af of hij als inwoner van Jeruzalem naar de Klaagmuur gaat om te bidden of om de mooie Hassan te ontmoeten. Maar wie die Hassan is, komen we helaas niet te weten, net zomin als we zicht krijgen op andere aanbedenen.

Jan Fontijn: Onrust, het leven van Jacob Israël de Haan. De Bezige Bij; 685 blz. euro 49,90

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden