Jongeren over hun toekomst

De arbeidsmarkt trekt aan en de banen liggen voor het oprapen. Toch heeft een grote groep laagopgeleide jongeren geen werk. Trouw volgt zes van deze jongeren gedurende een jaar om te kijken welke opleiding ze gaan volgen, welke begeleiding ze daarbij krijgen en hoe hun leven er uiteindelijk uit gaat zien.

Veel meisjes op het vmbo kiezen voor de kappersopleiding terwijl er een overvloed aan kapsters is. De zorgsector is minder populair onder de scholieren terwijl juist daar vacatures zijn. Bovendien ligt het salaris er een stuk hoger dan in andere sectoren.

„Laagopgeleide jongeren zijn zich hier vaak niet van bewust. Ze kiezen voor opleidingen die geen toekomstperspectieven bieden, maar die wel maatschappelijke status hebben. Het beeld dat jongeren van de arbeidsmarkt hebben, is niet realistisch”, zegt Klaas Pieter Derks van CNV Jongeren. Alle betrokken instanties, van CWI (Centrum voor Werk en Inkomen) tot Taskforce Jeugdwerkloosheid en van jongerenloketten tot vakbonden maken zich zorgen over deze ontwikkeling.

Scholen spelen een belangrijke rol in dit proces. Ze moeten jongeren begeleiden bij het maken van een goede beroepskeuze en op dit moment gebeurt dat te weinig, zegt Kees Hoogendijk, projectleider van het 10000 leerbanenplan van MKB-Nederland. „Het onderwijs op de roc’s en mbo's moet anders. In de techniek bijvoorbeeld zijn veel laaggeschoolde functies beschikbaar. Scholen moeten hier direct op inspelen. Dat betekent dat er meer instroommogelijkheden moeten komen gedurende het studiejaar. Sommige scholen werken al met deze flexibele instroom, maar dat zijn er te weinig. Daardoor zitten jongeren soms lange tijd thuis.”

Derks van CNV Jongeren vult aan: „Als leerlingen geen stageplaats kunnen vinden, doen ze rustig een half jaar niets. De school biedt geen alternatief.” En juist die stages zijn volgens FNV’er Rutger Groot Wassink heel belangrijk. „Je ziet vaak dat scholieren blijven hangen bij een stageadres.”

„Scholen maken zich vooral zorgen over het aantal inschrijvingen dan over de toekomst die jongeren met sommige opleidingen hebben”, zegt Willem Buitelaar van Taskforce Jeugdwerkloosheid. Wat er te koop is op de arbeidsmarkt wordt minder in ogenschouw genomen. „Op dit moment daalt de jeugdwerkloosheid maar het bemiddelen van jongeren naar een leerbaan gaat langzamer dan voorheen. Dat komt onder meer doordat veel jongeren onvoldoende of de verkeerde opleiding hebben, geen werkervaring hebben en niet gemotiveerd zijn.”

De verschillende roc’s erkennen dat veel van hun leerlingen geen realistisch toekomstbeeld hebben. „Je ziet dat veel van hen hun hart volgen”, zegt André van den Berg van het roc van Twente. „Wij zijn inmiddels genoodzaakt om een stop in te voeren op de kappersopleiding omdat er onvoldoende stageplaatsen zijn.”

Van den Berg is van mening dat het roc nog veel kan verbeteren in de beroepsvoorlichting. „Het aantal vroegtijdige schoolverlaters moet teruggedrongen worden.”

Jaarlijks verlaten bijna zestigduizend jongeren voortijdig het onderwijs, van wie 56 procent uit het mbo afkomstig is. Daarnaast verschilt de uitval op het mbo per niveau, zo blijkt uit onderzoek van de MBO Raad. Op het hoogste niveau haalt 70 procent van de leerlingen een diploma, op het laagste niveau slechts 37 procent.

Ook verschillen de uitvalpercentages per stad of regio. Op het platteland is die uitval een stuk lager dan in de stad. 8,5 procent van de leerlingen van het roc van Twente vertrekt zonder diploma, terwijl 45 procent van de leerlingen van het roc van Amsterdam voortijdig de school verlaat.

Waarom is het verschil zo groot? „Buiten de Randstad wonen minder allochtonen, en juist zij breken hun opleiding vaak voortijdig af. En wij hebben te maken met de problematiek van de grote stad”, zegt een woordvoerder van het roc van Amsterdam. „Bij ons op school zitten veel leerlingen die een hoop bagage met zich meedragen. Ze hebben soms te maken met mishandeling, alcoholmisbruik van de ouders en ouders die over het algemeen ook werkloos thuis zitten.”

Hoewel scholen een belangrijke taak vervullen bij het stimuleren van hun leerlingen, hebben ook ouders, vrienden en vriendinnen veel invloed op de keuze voor een beroep. Hoogleraar Justus Veenman, verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, deed onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van laagopgeleide jongeren. Volgens Veenman zijn veel ouders, met name die van allochtone jongeren, niet betrokken bij het onderwijs van hun kinderen. „Jongeren maken dan keuzes voor bepaalde beroepen die weinig perspectieven bieden op de arbeidsmarkt. Ouders corrigeren hun kinderen niet. Een tweede ontwikkeling die je bij veel laagopgeleide jongeren ziet heeft te maken met het feit dat ze van huis uit hebben meegekregen dat ze snel moeten beginnen met werken om geld te verdienen. Ze kijken niet vooruit. De meesten hebben een baantje, maar als de conjunctuur daalt, zijn zij de eersten die werkloos thuis zitten.”

Maar er speelt volgens Veenman meer. Wanneer de scholieren stoppen met school, is het een logische stap dat ze een uitkering aanvragen. Ze komen dan terecht bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI), een onderdeel van de gemeente. In sommige steden zijn er speciale jongerenloketten die de ex-scholieren opvangen en hen via reïntegratiebedrijven proberen aan het werk te krijgen. In sommige gevallen lukt dat, in andere niet. „Er vindt naar mijn mening veel te weinig samenwerking plaats tussen verschillende instanties. Scholen, jongerenloketten en ook de jeugdzorg moeten elkaar op de hoogte houden van de jongeren. Eigenlijk zou je een soort overkoepelend orgaan moeten maken dat verantwoordelijk is voor alles.”

Ook Buitelaar van de Taskforce deelt de mening van Veenman. „Als scholen, CWI en gemeenten hun bestanden uitwisselen, houd je veel meer grip op de jongeren. Veel instanties redeneren nog te veel vanuit de eigen organisatie en dan blijft een grote groep jongeren onzichtbaar.” Buitelaar doelt op de groep jeugdwerklozen die niet staan ingeschreven bij een school of het gemeentelijk jongerenloket. Ze hebben vaak vroegtijdig hun school afgebroken en komen niet in aanmerking voor een uitkering. Ongeveer vijftigduizend jongeren zijn onzichtbaar voor de instanties.

Waar deze jongeren zich precies bevinden, weet niemand. Volgens Hoogendijk van MKB-Nederland werkt een deel van hen als uitzendkracht. „Uitzendbaantjes zijn populair onder jongeren. Dat is prima, mits ze tijdens hun flexbaan maar wel een vakdiploma halen, anders staan ze als ze 23 zijn met lege handen op straat.” Een ander deel van de jongeren verdwijnt vermoedelijk in het criminele circuit en zwerft rond op straat.

Derks van CNV jongeren maakt zich ernstige zorgen over deze ontwikkeling. „Jongeren die vroegtijdig stoppen met hun opleiding, worden vaak aan hun lot overgelaten. Dat mag niet. Ze moeten niet zomaar verdwijnen in de maatschappij. Instanties moeten zich meer bewust worden van dit probleem. Desnoods moet je 15-jarige een leer- werkverplichting opleggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden