Jongens moeten wennen aan zelfstandigheid

Leraren zien het dagelijks, wetenschappers kunnen het verklaren: jongens doen het op de middelbare school slechter dan meisjes. Maar de oplossing? „Je kunt ze niet voortdurend achter de broek zitten.”

’Druktemakers’ zijn het, ’stoorzenders in de klas’ en ’haantjes de voorste’. Wie zomaar wat leraren vraagt naar het gedrag van jongens in de laagste klassen van het vwo, krijgt al snel dit soort typeringen te horen. Jongens zijn ’altijd in voor een geintje’, heet het, ’niet per se vervelend’, maar ze vertonen ’precies het gedrag waarmee je op school níet uit de voeten kan’.

„Meisjes nemen hun schoolwerk serieus, jongens zijn met andere dingen bezig”, zegt Niek Fikkers, leraar geschiedenis en onderbouwcoördinator aan het Comeniuslyceum in Amsterdam. „Voor jongens is school een strijdtoneel waar ze zich moeten profileren.”

„Jongens zijn slim en scherp genoeg”, zegt Claudia Greven, lerares Nederlands en Duits aan het Dollardcollege in Oude Pekela. „In de klas doen ze vaak nog wel mee, maar huiswerk? Voetballen en computerspelletjes vinden ze belangrijker. Meisjes zijn nogal streberig, jongens vinden het al snel best.”

„Ze vinden het leuk om iemand een beetje uit te dagen”, vertelt Myrthe van Oostveen, lerares geschiedenis en Engels aan ’t Atrium in Amersfoort. „Dat kan ook de leraar zijn. Kauwgom in je mond houden, terwijl dat verboden is. En dan kijken wanneer de leraar dat in de gaten heeft – daar kunnen ze zomaar een heel uur druk mee zijn.”

Jongens en meisjes in het vwo, het is een wereld van verschil. In gedrag, maar ook in prestaties, want meisjes doen het duidelijk beter. Van alle meisjes die vorig jaar een diploma in het voortgezet onderwijs haalden, deed 20 procent dat op vwo-niveau. De kans dat jongens een vwo-diploma halen, ligt daar al jaren zo’n 3 procentpunt onder. Op de havo doet zich trouwens hetzelfde verschijnsel voor. Van de jongens blijft al met al 60 procent op vmbo-niveau steken, van de meisjes 55 procent.

De verklaring daarvoor wordt wel gezocht in de onderwijsvernieuwing in de hoogste klassen van havo en vwo. Zo’n tien jaar geleden raakte daar het ’studiehuis’ in zwang, een aanpak waarin leerlingen vaker in groepjes aan het werk werden gezet, hun eigen werk moesten plannen en vervolgens zelfstandig uitvoeren. Deze aanpak vergt vaardigheden die jongens zich later eigen maken dan meisjes, zo luidt deze verklaring.

Anderen verwijzen naar de ’feminisering’ van het onderwijs. Met name op de basisschool is de leraar vaak geen meester, maar een juf, zeggen aanhangers van deze theorie. Al die juffen begrijpen en waarderen het gedrag van meisjes beter dan dat van jongens. Geen wonder dus dat de basisschool minder goed in staat is jongens tot goede prestaties te prikkelen.

Maar recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek laten zien dat de verklaring voor de mindere prestaties van jongens elders gezocht moet worden. Op de basisschool doen jongens het nog goed; ze raken pas achterop in het voortgezet onderwijs, en daar zijn mannelijke leraren (nog) in de meerderheid.

Ook het ’studiehuis’, de nieuwe aanpak van de bovenbouw in havo en vwo, verklaart niet alles. Want jongens lopen hun achterstand vooral in klas 1 en 2 op, vóór zij met het studiehuis te maken krijgen.

De CBS-cijfers scheppen een duidelijk beeld. Al jaren halen jongens met een voorsprong de eindstreep van de basisschool. Het verschil is klein, maar gemiddeld is hun score op de Cito-eindtoets net iets hoger. Maar al voordat de stap naar het voortgezet onderwijs is gezet, beginnen de meisjes hun achterstand in te lopen. Jongens met een Citoscore waarmee ze naar het vwo kunnen, worden namelijk iets vaker naar de havo gestuurd dan meisjes.

Het gaat pas echt mis in de brugklas en in klas 2. In de brugklas zijn jongens nog oververtegenwoordigd op vwo-niveau zo’n 53 procent van de vwo-brugklassers is jongen. Inn de derde klas, is dat jongensoverschot verdwenen. In vwo-3 is nog maar een kleine 46 procent jongen.

Meiden slagen er dus vaker in het vwo-niveau vast te houden of vanuit een havo-vwo- brugklas in het vwo terecht te komen.

Wat gaat er precies mis met jongens in die eerste vwo-jaren? Leraren zien het dagelijks gebeuren, maar is er ook een verklaring voor dat verschil in gedrag?

Greetje Timmerman, docente genderstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen, zoekt het vooral in de opvoeding. Meisjes krijgen van huis uit nog steeds andere vaardigheden mee dan jongens. „Meisjes worden gestimuleerd om braaf thuis te zitten, om te lezen bijvoorbeeld”, zegt zij. „Jongens horen stoer te doen, buiten te spelen, in bomen te klimmen.”

Die opvoedingspatronen bestaan al sinds mensenheugenis en de verschillen in schoolprestaties tussen meisjes en jongens stammen dan ook niet van vandaag of gisteren. „Sinds de jaren zestig, toen meisjes gelijke kansen kregen in het onderwijs, hebben zij hun achterstand in hoog tempo ingehaald”, zegt Timmerman. „Ze zijn altijd al ijveriger geweest, ze blijven minder zitten en halen hogere cijfers.”

Vernieuwingen in het onderwijs versterken de verschillen, vervolgt Timmerman. „Wat in het ’studiehuis’ gebeurt, in de hogere klassen van havo en vwo, zie je al vanaf groep 7 of 8 van de basisschool. Het vermogen samen te werken, zelfstandigheid – zulke vaardigheden zijn de afgelopen tijd steeds belangrijker geworden in het onderwijs. En dat zijn vaardigheden die meisjes nu eenmaal meer meekrijgen in hun opvoeding.”

Die veranderingen in het onderwijs noemt ook Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, als verklaring voor de verschillen tussen jongens en meisjes. En ook hij ziet de invloed van de opvoeding.

Maar Jolles voegt er iets aan toe: de hersenen van jongens en meisjes ontwikkelen zich niet gelijk en ook niet in hetzelfde tempo. „Je ziet het in de klas: opgeschoten meiden en miezerige jongens. Dat verschil beperkt zich niet tot uiterlijke kenmerken, ook de hersenontwikkeling loopt uiteen.”

Het onderzoek naar biologische verschillen tussen jongens en meisjes is pas de laatste jaren goed op gang gekomen, waarschuwt Jolles, en daarom is er veel wat nog niet onomstotelijk vast staat. „Maar we weten honderd procent zeker dat de taalontwikkeling bij de meeste meisjes eerder plaatsvindt. En ook dat jongens psychomotorisch beter zijn en meer ruimtelijk inzicht hebben; ze kunnen beter skateboarden, bijvoorbeeld, zijn beter in gym. Maar taal is in het onderwijs de afgelopen jaren belangrijker geworden, en dat speelt meisjes in de kaart.”

Waarom hebben die verschillen juist in de eerste twee jaar van het voortgezet onderwijs zulke grote gevolgen voor jongens? Loopt de hersenontwikkeling uitgerekend in deze leeftijdsfase erg uiteen? Nee, zegt Jolles, die plotselinge verschillen in prestaties hebben vooral te maken met veranderende omstandigheden.

De basisschool biedt nog een geborgen omgeving met veel structuur, waarop ouders goed zicht hebben. In het voortgezet onderwijs is dat heel anders. Jolles: „Zonder die structuur, zonder toezicht van ouders is opeens veel meer zelfstandigheid vereist. En dat is lastig voor jongens op die leeftijd.”

Als dat de verklaring is, hebben scholen dan ook meteen de oplossing bij de hand? Meer begeleiding van school en ook steun van de ouders kunnen helpen, is de ervaring van leraren. „Als we merken dat jongens huiswerk niet serieus nemen, spreken we de ouders daarop aan”, zegt Myrthe van Oostveen (’t Atrium). „Dan spreken we af dat die zorgen voor toezicht daarop.”

„Je moet jongens vaak veel meer aan het handje nemen”, zegt ook Claudia Greven (Dollardcollege). „Maar je kunt ze niet voortdurend achter de broek zitten. Dat hoeft ook niet. Wat erin zit, komt er bij hen gewoon wat later uit. En ach, ze zijn maar één keer jong.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden