Jonge moslims rukken op in de moskeeën

Het idee dat de moskeeën in Nederland een verlengstuk zijn van de islam in de herkomstlanden, klopt steeds minder. Veel moskeeën maken zich los van de landelijke koepels, jonge moslims eisen veranderingen. Ze willen dat de moskee zich op Nederland richt in plaats van op het herkomstland. Achter het gesloten front naar buiten is een hevig generatieconflict aan de gang.

Hoe statisch het leven in de moskee er voor de Nederlandse buitenwacht ook uit mag zien, daarbinnen is van alles gaande. “Er worden vaak heftige debatten gevoerd,” zegt cultureel antropoloog Thijl Sunier. “In het begin begrijp je daar niet veel van. Waarom ontstaat er enorme ruzie over de vraag of er in een moskee een tafelvoetbalspel mag staan? Ik kwam er langzaam achter dat er eigenlijk iets heel anders speelt. Jongeren zijn op zoek naar een islam die bij Nederland past, en eisen invloed in de organisatie van de moskee.”

Sunier promoveerde vorige week aan de Vrije Universiteit op een onderzoek naar 'trends' binnen zeventien islamitische organisaties in Rotterdam. In zijn proefschrift Islam in beweging beschrijft hij de opkomst van een jonge generatie moslims, die gericht is op integratie in Nederland.

Sunier: “Rond 30 procent van de jonge moslims in Rotterdam bezoekt regelmatig de moskee. Maar in hun opvattingen over het geloof en de uitoefening daarvan verschillen ze sterk van hun ouders. De kwaliteit van de olijven die je in de moskee kunt kopen interesseert ze niet. Ze willen zich op hun eigen manier verdiepen in het geloof, en contacten leggen met de Nederlandse omgeving. Oudere moskeebestuurders zien daar meestal de zin niet van in.”

De verklaring is logisch, maar maakt het conflict niet gemakkelijk oplosbaar. De ouderen hebben de psychologische overstap naar Nederland vaak niet kunnen maken. Velen dromen nog steeds over terugkeer naar hun geboorteland. “Voor jongeren speelt dat niet meer”, zegt Sunier. “Dat betekent ook dat ze het geloof los kunnen zien van de tradities van het land van hun ouders. Voor jongeren is de islam meer een ethisch denkkader dan een streng stelsel van wetten en voorschriften. Ze zien het als een zelfgekozen overtuiging, niet als een plicht zoals hun ouders. Ze benadrukken juist de mogelijkheden tot eigen interpretatie die de islam biedt. In dat opzicht zie je echt een 'Nederlandse islam' ontstaan.”

Loopgravenstrijd

Ouderen hebben daar moeite mee, klampen zich in een vreemde omgeving vaak vast aan traditionele regels. Zo kan in de moskee gemakkelijk een loopgravenstrijd ontstaan over de vraag of je je voor het gebed per se met een waterkom moet wassen, of ook gewoon even onder de douche mag springen.

Nederlanders tonen over het algemeen weinig begrip voor zulke subtiliteiten. “Tot m'n eenentwintigste heb ik geen hoofddoek gedragen,” zegt een jonge vrouw in 'Islam in beweging'. “Toen ik ging trouwen hebben we afgesproken volgens de regels te leven als voorbeeld voor onze kinderen. Toen zeiden ze op m'n werk: daar heeft je man je zeker toe gedwongen. Ik zei: onzin, ik heb hem zelf uitgekozen. Nu doe ik m'n hoofddoek naar m'n werk maar niet om omdat ik het ze niet duidelijk kan maken, ook aan klanten niet. Ik ga naar m'n werk met een sjaal, maar dan doe ik hem af.”

Haar man ergert zich intussen aan oudere moskeegangers, die vinden dat islamitische vrouwen in het openbaar altijd een hoofddoek moeten dragen. “Ze denken dat die cultuur en die traditie hun godsdienst is. De ouderen zijn zeer rigide, maar zo denken wij niet. Het is een goede godsdienst voor alle tijden. Die tijden veranderen en daar moet je in meegaan.”

Volgens een jongen van 21 denken de mannen in het theehuis dat de islam alleen uit regels bestaat. “Ze klagen de hele dag dat ze nooit in staat zijn al die regels te kennen. Dus doen ze helemaal niets en lopen de hele dag met dichte ogen rond. Maar dat is helemaal niet islamitisch.” Hij vindt het zelf ook 'goed' als vrouwen een hoofddoek dragen. “Maar als een vrouw daar anders over denkt, kun je haar niet dwingen. Ze moet eerst zelf overtuigd zijn. Moslim-zijn zit in jezelf.”

Suniers beschrijving van de Turkse Kocatepe-moskee, een van de grootste van Rotterdam, bewijst dat de moskeebesturen niet meer om de wensen van de jongeren heen kunnen. In 1991 werden er drie jongeren in het moskeebestuur gekozen. De islamitische jongerenvereniging werd nieuw leven in geblazen, er werd een tentoonstelling in de moskee georganiseerd voor alle wijkgenoten en er kwamen open-huisdagen. Aan het eind van de ramadan werden Nederlanders die iets met de moskee te maken hadden, uitgenodigd voor het breken van het vasten en het bijbehorende feestmaal. Er kwam een samenwerking met het wijkpastoraat, en de moskee raakte betrokken bij het wijkbeheer.

“De jonge bestuursleden hadden ook veel steun onder oudere bezoekers, maar het oude bestuur bleef dwarsliggen,” vertelt Sunier. “Ze maakten het bij voorbeeld onmogelijk een islamitisch jongerencentrum van de grond te krijgen. Nu zitten daar dus jongeren van een andere moskeevereniging in.”

Uiteindelijk besloten de jonge bestuurders zich niet herkiesbaar te stellen. Ze hebben zich nu in de plaatselijke politiek en het wijkbeheer gestort. Maar het proces in de moskee is niet gestopt, denkt Sunier. “De bezoekers zijn nu ontevreden, ik denk dat er snel weer nieuwe jongeren in het bestuur zitten.”

Het emancipatieproces wordt volgens Sunier bemoeilijkt door de Turkse moskeekoepels, die op het moederland gericht blijven en greep willen houden op de moskeebesturen. Ook dat geeft weer onderhuidse conflicten. Die koepels zijn de Turkse staatsorganisatie Diyanet, de Süleymanli-beweging, Milli Görüs en enkele kleinere organisaties. De grootste koepel, Diyanet, heet in Nederland gematigd te zijn maar verkondigt een sterk Turks nationalisme. De Süleymanli zijn meer op scholing en verdieping van het geloof gericht. De Milli Görüs heeft banden met de conservatief-islamitische Refah-partij in Turkije.

“Nederlanders houden van categoriseren,” zegt Sunier “maar de indeling 'modern' en 'conservatief' klopt niet meer. In alle bewegingen vind je zowel traditionele als moderne opvattingen.” De Refah-partij werd aanvankelijk geïnspireerd door de 'Grijze Wolven', maar is inmiddels een geaccepteerde politieke stroming in Turkije. “Dat je om die reden geen zaken moet doen met een Milli Görüs-moskee is dus al lang achterhaald.” Volgens Sunier overheersen dat soort simplistische oordelen in het welzijnswerk. “Daar worden de moskeeën vaak als 'bolwerken tegen integratie' gezien. Dat is jammer, want zo'n afwijzende houding werkt anti-Nederlandse gevoelens onder jonge moslims alleen maar in de hand.”

Eén platform

Rotterdam is tot nu toe de enige stad met een goed ontwikkeld moskeeënbeleid. Daar heeft juist het wijkpastoraat een belangrijke rol gespeeld door het ondersteunen van de initiatieven van jonge moskeebestuurders en het leggen van contacten met de gemeente. Het is er bij voorbeeld tot één platform gekomen, het 'Spior', waarin alle belangrijke moskee-organisaties vertegenwoordigd zijn. Daaruit blijkt volgens Sunier dat onderlinge verdeeldheid tussen moslimorganisaties geen regel hoeft te zijn. “Het is in Rotterdam zover gekomen, doordat de gemeente de moslims in de stad serieus ging nemen, en echt wilde samenwerken met het Spior. In Den Haag wordt zo'n aanpak nu ook overwogen. Dat wordt tijd vind ik. Als je integratie wilt bevorderen, kun je de islamitische organisaties niet blijven negeren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden