'Jonge jongens bijschaven, dat is mijn ambitie'

De laatste 35 jaar behoorde in slechts twee gevallen de landskampioen voetbal niet tot het supertrio Ajax, Feyenoord, PSV. DWS (1964) en AZ '67 (1981) waren de enige uitzonderingen. 'De Rest' is financieel en sportief ver achterop geraakt. Toch lopen bij 'De Rest' niet louter gefrustreerden rond. Aan de vooravond van de 42e jaargang betaald voetbal vertellen zes vertegenwoordigers van 'De Rest' - uit uiteenlopende disciplines - hun verhaal. Morgen: Johan de Kock, 30 jaar, verdediger bij Roda JC.

Toch is hij vorige week in het trainersvak begonnen. Bij zijn geliefde Sparta neemt hij de geselecteerde B-junioren onder zijn hoede. Zeventien jaar ervaring als prof neemt hij mee, zeventien jaar ervaringen met clubtrainers bij Sparta, FC Groningen, Anderlecht, PSV en Dordrecht '90. En daar ging dan zijn jeugd bij Olympia nog aan vooraf. Alvorens over de uitdaging van het heden te praten, kijkt de jeugdtrainer eerst terug op zijn trainers. Het gaat van positief tot negatief. Het positieve wint, maar toch niet zo nadrukkelijk dat hij ooit zelf hoofdtrainer zou willen zijn. “Nee, die ambitie heb ik helemaal niet.”

“Toen ik bij Sparta in het betaald voetbal terechtkwam, was ik al 21 jaar. Ik moest helemaal niet zo nodig, want het was erg gezellig bij Olympia. Van de C-tjes tot de A-tjes had ik nooit een echte trainer meegemaakt. Het was nog de tijd van de jeugdleiders. Ik had al die jaren te maken met Adri Nobel, een beste man, een goed mens, maar echt nog een jeugdleider. Qua voetbal heb ik in de jeugd niets geleerd. De eerste trainer die me wat leerde was Hans Bentzon, hij had vroeger ook bij Sparta gespeeld. Ik was pas vijftien toen ik bij het eerste elftal van Olympia kwam. Bentzon zag iets in mij. Ik was van origine aanvaller, een snelle, maar Bentzon zette me op allerlei posities, hij schaafde me echt bij. Ik heb zelfs nog eens een wedstrijd gekeept. Via Bentzon ben ik tenslotte vrij laat in het betaalde voetbal terechtgekomen.”

“Sparta, dat was voor mij ineens een andere wereld en dat was ook mijn eerste trainer daar, Mircea Petescu. Hij was gek op loopwerk, zijn oefenstof was dramatisch. Elke dag, week in week uit, kreeg je hetzelfde programma. Petescu had één goede eigenschap. Hij luisterde altijd heel goed naar Louis van Gaal. Louis was in en buiten het veld de dirigent van Sparta. Hij zag het spel, deed altijd zijn mond open. Het was jammer dat Louis niet wat sneller was, anders was hij een grote voetballer geworden. Na Petescu kregen we Barry Hughes. Die was totaal anders. Hughes luisterde absoluut niet naar Louis van Gaal. Barry vond Louis vreselijk eigenwijs. Ik vond Hughes juist een fantastische trainer. Er was wel eens kritiek op zijn tactische aanpak, maar Hughes was wel een trainer waar je als speler voor door het vuur ging. Dat zie je niet zo vaak; dat een speler ook voor zijn trainer speelt. Het was een heerlijke tijd, altijd lachen, als het regende liet Hughes ons in witte trainingspakken trainen en dan lagen we in die pakken een uur in de modder te glijden. We presteerden nog goed ook. Onder Hughes stonden we zelfs even met Sparta bovenaan. Ik zal het nooit vergeten, PSV kwam in dat seizoen naar Spangen en gokte volledig op een countertje. Nooit heb ik in mijn leven meer gelachen dan onder Barry Hughes. Hans Kraay werd ook nog even trainer bij Sparta, maar die lag al na een dag aan de zuurstoffles.”

“Han Berger haalde me van Sparta naar FC Groningen. Met Han heb ik nooit één probleem gehad. Hij was heel gedreven en had goede, altijd op de wedstrijd afgestemde oefenstof. Onder Han kwam ik voor het eerst bij het Nederlands elftal, dat is ook zijn verdienste geweest. Hij was de eerste trainer die in mij ook een centrale verdediger zag.”

“Bij Anderlecht heb ik nadien uiteenlopende trainers gehad. Ik begon er met Arie Haan. Ik weet dat er kritiek op Arie is, maar ik vond hem eerlijk gezegd een ideale trainer. Hij schold nooit en liet iedereen in zijn eigen waarde. Hij was ook nog een beetje voetballer onder de voetballers. Arie ging nog wel eens met een paar spelers op stap. Dat was vooral gezellig. Na Arie kreeg ik met Georges Leekens te maken. Dat was een ramp. Leekens heb ik al die tijd maar twee dingen horen roepen: duelleren en klets er in mannen. Nou ja. Anderlecht had altijd een technisch elftal gehad en toen moesten we ineens lange ballen geven en erin kleunen. Toen Leekens werd ontslagen kwam de oude Raymond Goethals. Onder hem heb ik ook heel veel gelachen. We noemden hem Columbo. Goethals was heel verdedigend ingesteld, maar hij was wel een tactisch brein, hij wist altijd alles van de tegenstander. Hij wist alleen nooit de namen van spelers goed uit spreken. Zo had hij het altijd over Marco van Batsen. En Wim Kooiman, die net als ik uit Oud-Beijerland komt, werd altijd Koeman genoemd. Na Goethals kwam Aad de Mos bij Anderlecht. Een apart geval, mag ik wel zeggen. Aad de Mos is een heel onbetrouwbare man. Hij deed iets dat geen trainer zich kan permitteren: spelers tegen elkaar opstoken. De Mos heeft in het voetbal bijzonder veel vijanden. Daar heeft hij het zelf naar gemaakt. Hij had er ook een handje van jonge spelers de grond in te stampen. Eerlijk zijn vind ik belangrijk, ook in de voetballerij. Wel, het zegt genoeg dat Aad de Mos op den duur overal de hele selectie tegen zich krijgt.”

“Bij PSV was Bobby Robson mijn eerste trainer. Ik zeg niet graag iets negatiefs over Robson. Hij is zo'n goed mens. Hij werd twee keer kampioen met PSV, maar toch werd Robson, laat ik zeggen, niet helemaal serieus genomen. Hij moest weg en dat was de schuld van de spelers. We hebben die aardige man gewoon laten vallen. Ik vond het rot. Nou, later heb ik bij PSV dus weer te maken gekregen met Aad de Mos. Ik kan reëel over hem oordelen. Zelfs toen hij eens een beslissing in mijn voordeel nam, gruwde ik van hem. Ik was geblesseerd geweest en in die tijd goed vervangen door Mitchell van der Gaag. Die jongen verdiende gewoon zijn plaats. Maar toen ik weer fit was, werd Mitchell zonder een woord van uitleg weer bij de tweede groep gezet. Zo ga je als trainer niet met mensen om. Ik heb assistent-trainer Willy van der Kuijlen op zeker moment gewaarschuwd. PSV had veel geblesseerden waardoor allerlei jonge spelers mee moesten doen. Later, toen de selectie weer compleet was, liet De Mos die jongens keihard vallen. Jij moet er voor zorgen, zo heb ik Willy toen gezegd, dat die jonge gasten goed worden opgevangen.”

“Bij Dordrecht '90 heb ik vorig seizoen tenslotte nog twee trainers meegemaakt. Ik begon er met Nico van Zoghel. Nico is echt een geschikte peer, maar onder hem duurde de omschakeling van eerste divisie naar eredivisie gewoon te lang. Op den duur klikte het niet meer tussen de nogal gevoelige groep en Nico. Nu is hij assistent-trainer bij Vitesse, ik denk dat die functie hem beter ligt. Toen we er al hopeloos voorstonden met Dordrecht, kwam Jan Versleijen. Onder hem hebben we het bijna nog gered. Jan is een prima, rustige coach. Ik vond Versleijen zelfs zo goed dat ik waarschijnlijk nog voor een jaartje had bijgetekend wanneer hij bij de club was gebleven.”

Maar diverse clubs zagen in jou al een trainer

“Dat gold ook voor Dordrecht. Ik kon er assistent van de hoofdtrainer worden. Men hoopte dat ik dan ook nog zou blijven spelen. Maar dat kan toch niet? Speler-coach, ik kan me niet voorstellen dat zoiets werkt. Bij Dordrecht had ik dan ook op de cursus voor Oefenmeester I gemoeten. Dat wil ik helemaal niet. De jeugd trainen, dat vind ik leuk, schaven aan een ploegje en aan jonge jongens, daar eindigt mijn ambitie. Na Dordrecht belde Willem II. Daar kon ik ook de jeugd gaan doen. Een goeie club natuurlijk, Willem II, maar wel in Brabant. Ik woon weer in Oud-Beijerland, dan is Sparta toch een stuk dichterbij. Bij Sparta ken ik de mensen. Ik vind Sparta ook echt een fijne club, ben blij er weer terug te zijn. Ik train nog mee met de eerste selectie. Trainer Henk ten Cate heeft al eens lachend gezegd dat je maar nooit weet waar dat meetrainen van mij nog goed voor kan zijn. Ik weet het, Sparta zoekt nog een verdediger, maar aan spelen denk ik echt niet meer. Ik heb het spelen ook nog niet gemist.”

“Het is natuurlijk bekend dat Sparta het van de jeugd moet hebben. Sparta heeft ook altijd goede jeugd. De meeste jeugdelftallen doen het beter dan die van Feyenoord. Twee B-junioren zijn nu pas door Feyenoord bij Sparta weggehaald. Dat gaat ver, het geeft ook aan dat de scouting bij Feyenoord niet optimaal is, maar er is niks aan te doen. Wat me opvalt is dat de jongens met wie ik nu werk werkelijk willen slagen in het betaalde voetbal. Op hun instelling is niets aan te merken. Het zijn allemaal oud-spelers van Sparta 1 die een geselecteerde jeugdploeg leiden. Mike Snoei doet de D-tjes, Wout van Driel de C-tjes, ik zelf dus de B-tjes en Frank Franken de A-tjes. Die jeugdspelers worden van oudsher in heel het land gescout. Sparta zit echt overal. Het leuke is dat ik te maken heb met jongens van veertien tot zestien jaar. Die gasten kun je nog aardig naar je hand zetten. Ze hebben niet de houding dat ze alles al weten.”

Je was ooit een aanvaller, je werd verdediger. Hoe denk je als trainer-coach ? Als aanvaller of als verdediger?

“In Nederland wordt al zo lang negatief gedaan over verdedigen. Alle jeugdspelers willen alleen maar aanvallen. Alsof verdedigen een schande is. Die situatie is in dit land gaandeweg een beetje scheef gegroeid. Voor mij als jeugdtrainer is het simpel: de spelers mogen en moeten zich naar hun talent ontwikkelen, maar als ik een ploeg coach, begint de opbouw bij de verdediging. Altijd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden