JOHNNY HALLYDAY MEER EEN ALLESETER DAN EEN FIJNPROEVER

Hij is al 33 jaar de vader van de Franse rock 'n' roll, die verder nooit een wereldster voortbracht. En zelfs híí bleef buiten Frankrijk vrij onbekend: Johnny Hallyday (51) is immers in alles het tegendeel van wat de wereld verwacht van een zingende Fransman. Maar daar is hij weer: Jean-Philippe Smet, 'le king français'. Maandag treedt hij op in het Amsterdamse Paradiso, aan het begin van een toernee die in de VS moet eindigen.

Levende fakkels en een gitarist die van de overkapping omlaag duikt, hangend aan een stuk elastiek, luisteren het spektakel op. Cadillacs met staartvinnen glimmen in het licht van ontploffend vuurwerk. De toegift wordt ingezet, waarna de uitgeputte gladiator zijn gitaar sloopt. Slot van een avondje rocken met Johnny. 'Merci, vous êtes formidable!'

Wie niet uit Frankrijk komt en het nationale zangidool voor het eerst aan het werk ziet, is even sprakeloos. Wat opdoemt uit de benzinedampen is een soundmix-show van rock 'n' roll-standards, verbasterd tot Viens danser le Twist (Let's twist again), Oh, laisse le partir (Let's have a party), Aussi dur que du bois (Knock on wood) en Le Pénitencier (House of the rising sun). Het zijn sleutelsongs in z'n show, in de cover-versie vaak bekender bij het publiek dan in de oorspronkelijke uitvoering. Het is Johnny's lievelingsmuziek. Tijdens de improvisaties kreunt hij vol hartstocht 'ooh rock 'n' roll' en waar een goed rock-concert al een vracht clichés bevat, verkiest Johnny de overdaad. Ondertussen klinkt in elke noot een Piaf-tremolo door.

Johnny Hallyday, zanger, acteur en motorfanaat, heeft sinds zijn doorbraak in 1961 meegedaan aan zowat alle modes en rages die uit Amerika zijn overgewaaid: van de twist, jerk, mashed patatoes, blues en flower power tot country, rockopera, glitter en metal. Op de bühne en het witte doek verscheen hij als een tweede Elvis, Dirty Harry en Mad Max. Hij is meer alleseter dan fijnproever. Het neemt niet weg dat de tot Fransman genaturaliseerde Belg tot de verbeelding spreekt van miljoenen landgenoten, en niet met zang alleen. Even vermaard om zijn romantische escapades als zijn vermeende leeghoofdigheid - in zijn eerste radio-interview wist hij de naam van de premier niet te noemen - stond hij 1 500 keer op een voorpagina. De natie kan hem niet met rust laten, Chirac en d'Estaing inbegrepen. Zijn rubberen evenbeeld is vaste gast in Les Guignols (het Franse Spitting Image) waarin hij voortdurend struikelt over de beginselen van de grammatica.

Hallyday (koosnaam Jojo) is de onbedreigde king français, en huisvriend van drie generaties rockfans. Buiten de Franssprekende landen, waar de Franse rock in laag aanzien staat, is hij zo goed als onbekend. Deze maand begint hij aan een toernee om vanuit kleine clubs de wereld te veroveren. Maandag doet hij Paradiso aan, waar zijn liedjes Pour moi la vie va commencer en Tes tendres années (1963) misschien nog kunnen worden meegeneuried. Eindbestemming is Amerika. Met een CD in het Engels, Rough Town, heeft hij de achtervolging ingezet op het hernieuwde succes van de zachte, blanke blues in de stijl van Eric Clapton.

Hallyday is in alles het tegendeel van wat de wereld verwacht van een zingende Fransman. Het is dan ook moeilijk te voorspellen wat de Amerikaanse concertbezoeker zal vinden van zijn vertolking van 'What is soul' (Je suis seul) en andere sigaren uit eigen doos. Het thuisfront kon meer dan dertig jaar wennen aan het fenomeen.

Wat is het mysterie achter de roem van Jean-Philippe Smet? Een dramatische levensloop om te beginnen. In 1943 wordt hij geboren in Parijs. Wie zijn ouders zijn, weet hij lange tijd niet. Jean-Philippe is zes maanden oud als vader Léon op weg gaat naar de melkboer voor een pak boter. Hij loopt een oud vriendinnetje tegen het lijf en komt niet meer terug. Moeder vertrouwt de zuigeling toe aan een tante. Zo komt hij terecht in een familie van reizende showdansers en kunstenmakers. Hij groeit hij op als enfant de la balle, een kind van een artiestenfamilie dat nooit in de schoolbanken zal zitten. Het is een jeugd vol geknor van een lege maag en hoofdstuk één van de Johnny-mythe. Bepalend voor het lot is ook zijn liefde voor cowboyfilms. Als tiener ziet hij in een Parijse bioscoop Loving You met een zekere Elvis Presley. Zijn toekomst wordt hem geopenbaard.

Het is 1958. Parijs is het centrum voor jazz en variété, maar telt een handjevol liefhebbers van de nieuwe rock 'n' rollmuziek. Ze scholen samen in de Golf Drouot, een tot club verbouwde minigolfbaan. Johnny is lid van een bende nozems - voyous of blousons noirs - en steelt scooters. Bedreven in het nadoen van rock 'n' roll-toppers, leent hij zijn artiestennaam van zijn Amerikaanse stiefneef Lee Hallyday. De mimiek en heupdraaiing worden afgekeken van platenhoezen.

In de Golf Drouot doet Johnny zijn nummers naast de jukebox en maakt hij bezoekers wijs dat hij geen Frans spreekt en uit Amerika komt. Bijna niemand gelooft dat de ritmes kunnen aanslaan in Frankrijk. Maar de music-hallzangeres Line Renaud ziet wel wat in Johnny, die barst van de energie, iets heeft van James Deans weemoedigheid, niet de enige Elvis-imitator is maar wel als een van de eersten zijn geluk beproeft.

Een smalend ontvangen optreden in het televisieprogramma L'Ecole des vedettes is de opmaat voor een eerste grote hit, Souvenirs, souvenirs (1961). Op gala's roepen de voorste rijen boe, maar vanaf de goedkope balkonplaatsen, waar de jonge rock 'n' rollfans zitten, wordt hij toegejuicht. Journalisten geloven hun ogen niet als zij de achttienjarige Hallyday over de grond zien rollen in een goud-lamé hemd, zijden pantalon en witte mocassins. Hij leert te zingen voor de achterste rijen.

Om de hele zaal pat te krijgen, wordt zijn stijl aangepast. Nadat hij bij Philips een contract tekent, verschijnt hij in smoking en lanceert hij de twist. Het is de eerste van vele probeersels die impressario's hem influisteren en die hij zelf later betreurt. Vooral taalbarrières maken hem tot een toegankelijk alternatief voor het buitenlandse aanbod. Zijn populariteit baant de weg voor een nieuwe jeugdcultuur in Frankrijk, die weldra de yéyé wordt gedoopt, naar het Engelse 'yeah yeah'. Het is een tijd waarin het Franse variété moeite heeft zichzelf te vernieuwen. Hallyday, geelblonde coup, blauwe ogen, wordt de mannelijke tegenhanger van Brigitte Bardot. Hoogtepunt van de yéyé-golf is de uit de hand lopende Nuit de la Nation op een plein in de hoofdstad. Op een juni-avond in 1963 ziet Parijs zijn jeugd twisten, rocken en deinen op boomtakken en terrasluifels. De politie komt eraan te pas. Le Monde haalt de gezaghebbende socioloog Edgar Morin erbij om zijn licht te laten schijnen over die historische nacht. Hij ziet een 'klasse' van jongeren uit alle milieus die het middelpunt is van een revolutie in de massacommunicatie. Een nieuwe amusementsindustrie grijpt de goedkope transistorradio's, koffergrammofoons en televisie aan om zeven miljoen jongelui (en evenzovele consumenten) te bereiken. Een ambivalente generatie is opgestaan, aldus Morin, één die niet wil horen bij de volwassen wereld met zijn sleur, bureaucratische dwingelandij, zedenpreken en gedachten over de dood, maar ook één die niet weet wat zij wil, 'ontevreden is met haar tevredenheid, een geestelijke ongemakkelijkheid voelt bij alle verworven gemakken en een affectieve armoede bij alle overvloed'. Frankrijk is jong. In 1960 is 38 procent van de bevolking tussen de 16 en 24 jaar. Hallyday belichaamt een adolescente opstandigheid die vóór hem geen stem had.

Intussen zet Johnny de zinnen op persoonlijk levensgeluk en trouwt met tieneridool Sylvie Vartan. Hij gaat in militaire dienst, 'zoals het hoort'. Terwijl andere jonge Fransen hun geweten onderzoeken of zij wel een wapen moeten vasthouden, verschijnt Johnny trots in uniform op omslagfoto's. Hij droomt van een ranch in de Verenigde Staten voor hem en Sylvie. Van engagement houdt hij zich meestal verre, maar hij is in staat tot verkleedpartijen die geen fan begrijpt - hoewel geen fan ooit op de vlucht slaat. In 1966 nog de vertolker van Cheveux longs, idées courtes (vrij vertaald: liever lange haren dan een nauwe blik) en eerder cool dan hip, neemt Johnny een jaar later de flower-powersingle San Francisco op. Een samenwerking met journalist Philippe Labro leidt tot Poème sur la septième, een gedicht over milieuvervuiling, op muziek van Beethoven. De geest van het Rapport van Rome waart erin rond. 'Frankrijk verliest zijn ziel', licht Johnny toe. 'Het land wordt steeds Amerikaanser.'

Zijn reputatie van slimme trendvolger ontstaat. Volgens sommige van zijn biografen is het een diepgewortelde overlevingsimpuls. Collega-artiesten zien er een artistieke verkenningsdrift in die hem tot eer strekt. Hoewel Hallyday een paar keer zijn afscheid aankondigt, overleeft hij zowat elk probleem dat eigen is aan een rockcarrière: ruzies tussen impresario's en de familie van de minderjarige ster, auto-ongelukken, schandalen over echtelijke ontrouw, verwikkelingen met de fiscus, contractbreuken (hij is een poosje vastgelegd bij zowel Vogue als Philips en wil naar Barclay), geruchten over zijn dood, over botkanker, instortingen op de bühne, eenzaamheid. In 1966 drinkt hij een flesje eau-de-cologne uit en snijdt zijn polsen door. Nog in het ziekenhuis houdt een radioverslaggever hem een microfoon onder de neus. Johnny slaapt veel, heeft niets te doen en probeert wat liedjes te schrijven. 'Ik zing al zeven jaar en heb nooit vakantie gehad. Het is een mallemolen'. Drie weken later staat hij weer in het Olympia. 'Je suis seul', zingt hij, ik ben alleen. 'Niet waar', antwoordt de zaal. 'Is er dan niemand die van me houdt?' 'Jawel', gilt het vrouwelijke publiek. Het concert is een triomf.

Telkens zal hij overeind krabbelen, als de absurde held Sysiphus, niet zelden na een openhartig interview met een roddeljournalist, waarin hij lek en gebrek in zijn privéleven doorneemt maar nu, voor eens en altijd, afrekent met het verleden. De boksfan neemt soms een borreltje te veel en er valt wel eens een klap, bijvoorbeeld als een hotelgast zich beklaagt over geluidshinder. Zijn faux pas worden hem vergeven. Onder de ruwe bolster gaat een kwetsbare ziel schuil, zo beseft het publiek. Oprecht is de liefdevolle, zachtmoedige wijze waarop ex-vrouwen hem beschrijven. 'Je kunt geen hekel aan hem hebben' en: 'Een rocker kan niet leven als monsieur Dupont'. Bernard Schmitt, regisseur van zijn concerten, noemt hem 'een figuur uit een Griekse tragedie op wie het publiek van alles projecteert. Zijn verschijning is tragisch door het zichtbare lijden in zijn gezicht, zijn langzame motoriek. Hij heeft de gave om de gevoelens van een stadion vol mensen te kunnen vertolken'.

Symbool van zijn eigen verlossing is Amerika, het land waaraan de rock 'n' roll ontsprong (volgens Hallyday was dat ook een beetje aan Detroit, de stad van de autofabriek met de Franse naam Cadillac). Op motortocht door het land verorbert hij alles wat met de rock-cultuur wordt verbonden. Hij zoekt Jerry Lee Lewis op in een nachtclub, strikt de drummer van Gene Vincent en neemt op in Memphis, waar de muzikanten niet, zoals in Frankrijk, 'neigen naar een popstijl'. Een anti-discoliedje betekent een heuse artistieke stellingname. Wanneer eind jaren zeventig zelfs de Rolling Stones en Cliff Richard disco gaan maken, loopt op Franse bodem nog een volbloed rock 'n' roller rond.

Om te leven zoals Johnny moet je talent hebben, schrijft zijn oude vriend Michel Mallory in een recent boek. Dat Johnny Hallyday niet graag eet van een plastic tafellaken en het naar vindt om slips te dragen, zoals de auteur onthult, zijn allang geen bijzaken meer. In de jaren tachtig wordt alles wat hij doet opgeschreven, in beeld gebracht of gepersifleerd. Als het niet uit de duim wordt gezogen. Zo is nooit opgehelderd of Johnny, gevraagd naar zijn mening over (de Franse schilder) Toulouse-Lautrec echt antwoordde dat Toulouse (de Franse voetbalclub) zou gaan winnen. Zijn zwakheden liggen er dik bovenop en het meeleven met de ups en downs van de mens achter de coryfee, die in de liefde vaak getroost moet worden, neemt surrealistische vormen aan. Informatie en onzin wisselen elkaar af: over zijn fitnessactiviteiten; de toevlucht naar de badoorden Cannes en Acapulco (de Mexicaanse minister van toerisme is een vriend); de altijd melige tête-a-têtes met Eddy Mitchell en Belmondo; het eeuwige geldgebrek - 'ik verhuis als ik poen nodig heb en als het beter gaat koop ik weer iets duurders' -; de ongecompliceerde meningen: 'de vrouwen van tegenwoordig willen hun eigen leven inrichten en dat is niet te rijmen met wat een man wil. Daarom zijn er steeds meer homo's en ongetrouwde vrouwen'. Maar de aanbidding van sterren, in Frankrijk misschien meer dan elders een openlijke hartstocht, maakt slachtoffers. Johnny reageert zich af op de snelweg en in zijn veroveringen. Tussen vijf huwelijken door beleeft hij een reeks van flirts. Betsy, Nanette, Sabrina, Babeth, Gisèle, Leah, Karine, Linda - voor sommige van zijn muzen is hij de kortste weg naar de voorpagina's.

Op het podium brengt hij in de jaren tachtig megashows waarin technische snufjes de overhand hebben, dankzij een groeiende stal van theaterregisseurs en creative directors. Frankrijk lijdt aan een rock 'n' rollcomplex, schrijven twee kritische muziekjournalisten. 'Het chanson wil alleen nog maar luidruchtig zijn. Zolang men luidruchtig is, is men rock 'n' roll.' De eeuwigdurende toernees vervreemden de muzikant van zijn artistieke roots, oordeelt het tweetal. Van creatieve uitwisseling of onbevangenheid is geen sprake meer.

Of Hallyday, geen meester van het sobere gebaar, in 1994 het symptoom is van een crisis in de Franse rock, is waarschijnlijk geen relevante vraag. Hij is de lieveling van een publiek dat vóór hem nooit een rocker had gezien. Door zijn kornuiten in het sterrencircuit wordt hij altijd geprezen om zijn karakter, zelden om zijn artistieke verdiensten. Hij is de bewonderde wees, het oorlogskind dat zijn sociale handicaps overwon. Alleen Hallyday kon zich verlagen tot het zingen van 'Jezus Christus is een hippie' zonder zich belachelijk te maken, aldus zijn meest kristische biograaf Serge Loupien. 'Er is alle reden hem te houden voor een magistrale overwinnaar, en toch is hij in wezen een verschrikkelijke loser. Want hij geeft altijd alles en houdt niets voor zichzelf'.

Het is zijn grote hart dat het publiek in de armen heeft gesloten, zijn ontwapenende toegeeflijkheid. Eerlijk bekende hij dat zijn gitaar tijdens optredens meestal uit staat.

'Geloof niet wat ze in de kranten schrijven', zingt hij in een lied. Discreet het zwijgen ertoe doen ligt hem toch ook niet, getuige zijn original uit 1982, Montpellier:

Gisteren reed ik met 230 door Montpellier ik heb even gelachen naar de radarfoto de smeris zei: Johnny toch# jij geeft zeker om niemand# het lijkt wel alsof je dood wilt ik lachte me een ongeluk.#

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden