Review

John Tomlinson incarneert op imposante wijze tsaar Boris

AMSTERDAM - Het mooiste en aangrijpendste moment in de nieuwe productie van Moessorgski's 'Boris Godoenov' kwam vrijdagavond in het Muziektheater tijdens de overgang van de zesde naar de zevende scène. De joerodivy (de nar Gods) weigert op het verzoek van Boris in te gaan om voor hem te bidden; voor een tsaar Herodes zou hij dat nooit kunnen. Het hongerende volk verlaat daarop samen met de joerovidy links het toneel waarna de opengeschoven zijwand zich weer sluit en de met gouden mantel en kroon getooide Boris moederziel alleen en nog meer vertwijfeld dan hij al was op het immense podium achterblijft.

Regisseur Willy Decker heeft bij De Nederlandse Opera en bij andere operagezelschappen in Duitsland en België al vaker laten zien dat hij haarscherp de verhouding van een individu tot een mensenmassa kan aftekenen. In zijn allereerste 'Boris Godoenov' (een droomwens van Decker) slaagt hij er met minieme middelen in duidelijk te maken dat de bojaar Boris een tsaar tegen wil en dank is. Godoenov wordt bovendien gekweld door schuldgevoelens omtrent de dood van tsarevitsj Dmitri, die hij -zo wordt er geroddeld- heeft laten vermoorden om zelf de macht te grijpen.

Decker koos ervoor om de moord op het kleine jongetje in beeld te brengen en niet zoals in veel andere ensceneringen twijfel over Godoenovs betrokkenheid te laten bestaan. In de ijzersterke openingsscène plaatste Decker heel inventief het dode troonopvolgertje, Boris, het volk en intrigant vorst Sjoejski tegenover elkaar. Direct is daar de crux van het drama ondersteund met symbolen: een veel te grote gouden stoel als troon, een tsarenkroon en een portret van het gedode jongetje.

Even bestond de angst dat Decker zich weer eens te veel met die symbolen zou gaan bezighouden, zoals in zijn laatste enscenering bij DNO -een voorspelbare 'Katja Kabanová'. Maar Decker is terughoudend en ramt zijn visie er niet in zoals Harry Kupfer met zijn 'Boris Godoenov' in 1986 dat wel deed. Ging het bij Kupfer nog vooral om de knechting van het volk, bij Decker draait het om Boris en zijn schuldgevoelens. Prachtig is Deckers gebruik van het tsarevitsj-portret: soms metershoog als achterwand, onontkoombaar en dreigend, dan weer als klein schilderij dat gebruikt wordt om Boris op zijn troon te helpen klimmen -een letterlijk vertrappende opstap! In de laatste scène steken alle koorleden het portret in de hoogte waarmee Decker een fantastische draai geeft aan de iconenverering in Rusland.

Misschien wat veel van het goede is dat Decker de joerodivy in dezelfde luier laat lopen als het vermoorde kind; bovendien geeft hij hem nog een appel en een bloesemtak in handen verwijzend naar scepter en rijksappel van de tsaar. In zijn regie van de personages en die van het volk is Decker echter geweldig op dreef. De scènes met het ongemeen fel zingende Koor van De Nederlandse Opera zijn hoogtepunten en in de Britse bas John Tomlinson vond Decker een imposante zanger en acteur.

Tomlinson is de zoveelste Angelsaks die furore maakt in deze meest Russische operarol. Amerikaan Jerome Hines zong Boris op het hoogtepunt van de koude oorlog in het Bolsjoi van Moskou, Brit Robert Lloyd was na de val van de muur Boris in Sint-Petersburg onder Gergjev, nadat hij de rol hier in de Kupfer-productie had gezongen. In zijn vier monologen wist Tomlinson vrijdagavond de kern van het drama en de ziel van de toeschouwer te raken. Tomlinson is al jaren vertrouwd met de rol, maar zong hem hier voor het eerst geënsceneerd in het Russisch. Na afloop van de pauzeloze voorstelling werd hij door het publiek bijkans nog harder toegejuicht dan tijdens de kroningsscène op het toneel door het koor.

Naast Tomlinson vallen de andere rollen wat weg al voegde Chris Merritt met een geslepen gezongen Sjoejski wederom een onverwachte rol aan zijn repertoire toe. Countertenor Brian Asawa was aandoenlijk als het zoontje van Boris en de grote Helga Dernesch zong de kleine rol van Xenia's voedster. Frode Olsen (Pimen) kon de herinnering aan Willard White niet uitvagen en Christopher Ventris (Grigori) maakte weliswaar indruk, maar werd door de keuze voor Moessorgski's eerste versie tot een bijrol gereduceerd. En ook Edo de Waart maakte veel indruk. Aan het hoofd van zijn eigen Radio Filharmonisch Orkest realiseerde hij een uitgekiende, prachtig uitgebalanceerde lezing van de opera. De veelgeroemde onbeholpen ruigheid van Moessorgski's partituur was weliswaar wat afgezwakt en gladgestreken, maar dat paste wonderwel bij Deckers super-esthetiek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden