John Rüdecker kon als geen ander een fluweelzachte huid uit zandsteen hakken.

De beeldhouwer, schilder en tekenaar John Rüdecker wordt met Piet Mondriaan, Jan Sluijters, Bart van der Leck en Charley Toorop tot de belangrijkste vernieuwers van de Nederlandse kunst van de eerste helft van de vorige eeuw gerekend.

Vooral als beeldhouwer maakte hij naam in de jaren twintig en dertig en groeide hij uit tot de godfather van de Nederlandse beeldhouwkunst. Toch staat hij bij het grote publiek nu nog vooral bekend als de beeldhouwer van het Nationaal Monument op de Dam, dat hij in de nadagen van zijn carrière ontwierp en dat zeker niet het beste werk is van zijn omvangrijke oeuvre. Er is altijd kritiek geweest op het monument en dat is misschien ook wel de reden dat zijn reputatie wat verschrompeld is.

Ten onrechte, leert de grote overzichtstentoonstelling die het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem wijdt aan Rüdecker, die vijftig jaar geleden stierf, een paar maanden voor de onthulling van wat zijn levenswerk had moeten worden.

Zelf moet Johannes Anton Rüdecker (1885-1956) zich ook gerealiseerd hebben dat de opdracht voor een nationaal monument ter herinnering aan de Duitse bezetting eigenlijk te laat kwam. Toen hij in 1952 de definitieve opdracht kreeg, hadden de eerste verschijnselen van de beroepsziekte silicose zich al geopenbaard. Bij het bewerken van steen ontstaat altijd stof, maar vooral bij het door hem veel gebruikte zandsteen is dat het geval.

Dat de inademing van steenstof kan leiden tot stoflongen, was toen al bekend. Maar Rüdecker had nooit beschermende maatregelen genomen. Ook rookte hij, hoewel de dokter hem in 1940 al had gemaand daarmee te stoppen, in ieder geval tijdens het werk in zijn stoffige atelier. In 1951 verbood de overheid het werken met zandsteen, wat ook gevolgen had voor het materiaalgebruik voor het nationaal monument, maar voor Rüdecker was het toen al te laat.

De tragiek van de beeldhouwer die sterft voordat hij zijn laatste werk heeft kunnen voltooien, dat ook nog eens de kroon op zijn carrière had moeten worden, druipt ook af van de oude Polygoon-filmbeelden die te zien zijn op de expositie. Als op 12 januari 1956 het beeld van de Vrede, een vrouwenfiguur, op zijn voetstuk op de Dam wordt gehesen, drieëneenhalve meter hoog en drieëneenhalve ton zwaar, moeten Rüdeckers zonen Noeki en Hanni de honneurs waarnemen. Hun vader is te ziek. Toen al werd zichtbaar dat Rüdecker zich niet meer persoonlijk had kunnen bemoeien met de uitwerking van zijn ontwerp, dat in weinig meer herinnerde aan wat hem oorspronkelijk voor ogen stond. Het steen miste de bezieling en samenhang die zo kenmerkend waren voor zijn werk.

Diezelfde avond overleed John Rüdecker en zijn dood was voorpaginanieuws. De dichter Roland Holst wijdde er een kwatrijn aan:

Wat meldt de wacht van

de Amsterdamse wallen?

Een hamer is de groote hand ontvallen

Armer aan warmte en eenvoud,

manbaar hart

Laat gij, ontslapen, Holland en ons

allen.

Onderweg naar de begraafplaats in Blaricum hield de begrafenisstoet even stil op de Dam. Aan de opgeheven arm van het juist geplaatste Vredesbeeld was een vlag bevestigd, die halfstok hing. Bij het graf zou onder meer architect Oud spreken, die samen met Rüdecker had gewerkt aan het ontwerp voor het nationaal monument. „Onze beeldhouwkunst mist ontzaglijk veel aan hem. En het is niet te zeggen wat zijn vele vrienden missen aan deze grote leeuwachtige jongen, waar we allemaal van hielden.”

Op 4 mei van dat jaar onthulde koningin Juliana het Nationaal Monument op de Dam. Dezelfde dag werd, zoals gepland, in het Stedelijk Museum in Amsterdam het eerste museale overzicht geopend van het werk van Rüdecker, door directeur Sandberg bij die gelegenheid getypeerd als de ’koning der Nederlandse beeldhouwers’.

Van Rüdeckers toenmalige roem is nu weinig meer over, ook al bevindt zijn werk zich in een groot aantal Nederlandse musea. Maar misschien kan de tentoonstelling in Arnhem daar verandering in brengen. Het uitgebreide overzicht laat niet alleen heel veel beelden zien, zowel van steen als eikenhout, maar ook zijn veel minder bekende schilderijen en tekeningen.

Het aardige daarvan is dat in de krachtige en rake lijnen waarmee Rüdecker figuren tekent of schildert, zich vaak al het beeld weerspiegelt dat hij misschien ook voor ogen had. Het schilderij dat hij rond 1911 maakte van arbeiders die werken aan de riolering bij de Zeeburgerdijk, is daar een mooi voorbeeld van. Het lijkt alsof hun lijven tot leven gekomen beelden zijn. Rüdecker was toen net doorgebroken en maakte vooral luministische schilderijen.

Zijn talent voor tekenen, schilderen en modelleren had hij van zijn vader, die stukadoor en beeldhouwer van ornamenten was. Op zondagmiddagen ging hij met zijn vader en twee broers vaak naar de gipsbinnenplaats van het Rijksmuseum. Op die plek werd vervolgens zorgvuldig getekend naar de opgestelde afgietsels van grafmonumenten en ornamenten en naar kopieën van hoogtepunten uit de Europese beeldhouwkunst.

Rüdeckers talent blijkt al uit zijn vroegste werken, zoals het houten beeldje Marmottenmeisje, een bedelares die bedeesd geld vraagt van mensen die haar marmotje willen bekijken. Al even knap is het eikenhouten Dronken mannetje, dat uit dezelfde tijd dateert. Er zit zoveel leven in dat je het mannetje op zijn slingerende benen ziet voortwankelen over straat.

Zijn belangrijkste inspiratiebronnen bij het maken van zijn ’levende’ beelden waren de beeldhouwer Auguste Rodin en vooral diens beeld l’ Homme qui marche (1888) en de Nike van Samothrace (200-190 v. Chr.), het beroemdste ’bewegende’ beeld uit de klassieke kunstgeschiedenis.

Dat zijn hoofd vol zat met dromen van beelden die hij in hout of steen tot leven wilde brengen, daarover sprak hij nooit. Rüdecker was geen man van uitgebreide verhandelingen over de kunst en zijn werk. Maar wat zich in zijn hoofd afspeelde, weten we toch door de zwart-wit litho La Naissance (De geboorte) die hij in 1924 maakte van een kwikzilverachtig meisjesfiguurtje dat opstijgt uit een dromende kop. Later zou hij deze meisjesfiguur ook in steen uitvoeren.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij bekend als expressionistische beeldhouwer. Hij maakte visionaire koppen en mens- en dierfiguren die de beeldhouwkunst tot dat moment niet had gekend.

Tegelijkertijd was hij in staat om zeer naturalistisch te werken, wat vooral vanaf 1930 steeds meer het geval was, toen hij opnieuw in Parijs woonde en werkte, de stad waar hij ook van 1911 tot 1914 had gewerkt. Wat opvalt is dat hij toen ook steeds vaker gebruik maakte van huidkleurige zandsteensoorten waarvan hij als geen ander de fluweelzachte uitstraling kon benadrukken. „Niemand kan zo’n huid hakken als John”, zei Mari Andriessen over zijn collega.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden