Review

JOHN LE CARRE, 'DE IDEALE VIJAND' De spion die uit de koude oorlog kwam

John le Carre, 'De ideale vijand', vert. Rob van Moppes, uitg. Luitingh-Sijthoff - F 34,90.

Hoe het ook zij, ik heb het moeten doen met wat summiere gegevens uit de encyclopedie. John le Carre heet van zichzelf David John Moore Cornwell en werd in 1931 in Engeland geboren. Hij studeerde in Oxford, doceerde Frans en Duits in Eton en was van 1960 tot 1964 in diplomatieke dienst. In geheime diplomatieke dienst, mogen we aannemen. Een erudiet man dus die zijn spionnenzaakjes kent, maar daaraan heb ik nooit getwijfeld.

Het is niet zo, dat ik popelend op elke nieuwe Le Carre zit te wachten. Het kan bij hem vriezen of dooien is mijn ervaring. Soms vind ik en van zijn boeken mooi, soms kan ik het niet uitlezen omdat ik verstrikt raak in al die namen, in al die geheime diensten, sub-diensten en zijdiensten. Ik zak door de vele bodems (geen twee, minstens zeven) zonder vaste grond onder de voeten te vinden. Kortom: ik kan er geen touw aan vastknopen en raak hevig gefrustreerd.'The spy who came in from the cold' (niet zijn eerste maar zijn derde boek) was in 1963. Een sensatie. Een melancholieke spion, overtuigd van de futiliteit van zijn doen en laten, niet in lust verstrikt maar in liefde, een mens voor wie je sympathie kon voelen: waar was je zo iemand ooit eerder tegengekomen onder de zwarte ridders die zich verscholen in het struikgewas van Disneyland? Het genre wer door dat ene boek meteen op een hoger peil geheven. Verder genoot ik van 'A small town in Germany' en 'The little drummer girl', maar 'The honourable schoolboy' staat hoog op de lijst van de vervelendste boeken die ik ooit niet heb uitgelezen. Nu moet daar wel bij worden aangetekend dat ik door de spionnensector dwaal als Hansje door het Bessenland. Dat komt omdat ik geen namen kan onthouden en elk orientatievermogen mis. Maak van mij een spion en je krijgt een tekenfilm in de oude stijl gratis en voor niks: lachen, gieren, brullen.

Dus kan ik me in het spionnenbedrijf moeilijk inleven, maar ik vlei me met de gedachte dat diezelfde onwennigheid me de mogelijkheid biedt om door Le Carre niet zelden valse romantiek heen te prikken. Hij maakt zijn spionnen natuurlijk veel mooier dan ze zijn, want welk halfweg fatsoenlijk mens zou het in dat smerige vak langer dan een week uithouden zonder horendol te worden? Liegen, bedriegen, intrigeren, een moordje of wat voor bestwil . ..en dat alles voor de eer en de macht van het vaderland. Ammehoela! Je wordt er zelfs niet uitzonderlijk goed voor betaald, heb ik me laten vertellen. Ju, ju wat een volkje!

In Carre's laatste boek 'The Night Manager' (in het Nederlands om onduidelijke redenen vertaald als 'De ideale vijand') heeft hij zijn werkterrein verlegd. Hij moest wel, la guerre froide est finie. Zijn held Jonathan Pine, geheim agent en ondergedoken in de horeca, infiltreert onder de Zwitserse hemel in een machtige kongsi van misdadigers. Hoe is Rope, “de slechtste man van de wereld”, zo rijk geworden? Door de drugshandel, dat spreekt. Ik kan het niet helpen, als ik over de strijd tegen de drugshandelaren lees, moet ik altijd denken aan de overpeinzing van Oblomovs oude knecht over kakkerlakken en aanverwante zaken: “Als je ze vandaag opruimt zijn er morgen weer een heleboel.” Beter kun je de onoplosbaarheid van het probleem en de onwezenlijkheid van de bestrijding moeilijk samenvatten.

Maar Jonathan heeft met die Rope ook nog een oud, persoonlijk appeltje te schillen. Eens, in Egypte, heeft de smiecht de vrouw die door Jonathan werd bemind en uit plichtsbesef verraden, door zijn trawanten laten doodslaan. Oef, oef, wat een verstrengeling van schuldgevoel en oprechte woede! Die vrouw was een dure hoer en voor dat type valt onze Jonathan. Hij raakt dan ook hartstochtelijk verliefd op de veelal met juwelen behangen maitresse van Rope.

Wat ik vreemd vind is, dat die vrouwen Jonathans charmes niet kunnen weerstaan. Ze dwingen hem bijkans tot bijslaap. Terwijl Le Carre zijn held in typisch Engelse gentleman-trant zozeer onderbelicht, dat hij op mij als een albino overkwam. Ik zie hem voor me met zijn witte wimpers. En een albino als Don Juan . . .

Hij is wel dapper, bovenmenselijk dapper, hij blijft zijn geliefde dekken (overdrachtelijk vanzelf) onder de zwaarste martelingen. En trouw is hij ook, hoewel hij in ontrouw is getraind.

Terwijl hij in de kerker zit, harrewarren in Engeland de geheime diensten, subdiensten en bijdiensten voornoemd. Er wordt geconspireerd en gekonkelefoesd, ambtenaren blijken in de macht van captains of industry, een smerig spel wordt smerig gespeeld. Zelfs loopt de hele operatie in de soep. Dat neem ik tenminste aan, ik begrijp er, zoals gewoonlijk, weer bijzonder weinig van.

Jonathan brengt het er levend af. Als u mij vraagt “Waarom?” dan moet ik antwoorden “Ik weet het niet.” Hij trekt zich met zijn moppie terug in de obscuriteit van het Engelse landleven. Waar hij volgens mij thuishoort. Nou nee, ik vind 'The Night Manager' niet een van le Carre's betere boeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden