JOHN BERRYMAN, WOORDVOERDER VAN EEN BRILJANTE, CHAOTISCHE GENERATIE

Sommige schrijvers komen zo dichtbij dat ze onvermijdelijk deel gaan uitmaken van je eigen bestaan. Voor Rob Schouten is de Amerikaanse dichter John Berryman zo iemand. ''John Berryman zit in mijn hoofd, als een soort voorvader''. Aflevering twee in de serie 'Verzonken Liefdes'. De zomerserie 'VERZONKEN LIEFDES' is gewijd aan auteurs of boeken die buiten de actualiteit een profiel verdienen.In de komende weken zijn bijdragen te verwachten over:Erich Maria Remarque: Im westen nichts neues (door Hans Ester); Kostas Tachtsis (door Tom van Deel); Gerard de Nerval (door Liesbeth Korthals Altes); Eça de Queiroz (door Ilse Logie); Eduard Mörike (door C.O. Jellema); Flann O'Brian (door Peter de Boer). Eerder schreef Antoine Verbij over J.M. Coetzee.

John Berryman is van alle dichters wier werk ik ken degene die mij het meest na staat. Je hebt dichters die bewondering en verbijstering afdwingen, Fernando Pessoa bij voorbeeld, of sympathie, neem W. D. Auden. Maar John Berryman zit in mijn hoofd, als een soort voorvader. Daarom schrijf ik maar eens over hem, al kost het me moeite want het is niet eenvoudig om over familieleden te schrijven.

Waarom John Berryman? Omdat hij er naar mijn mening in geslaagd is zijn eigen leven, de biografische feiten eruit, meer nog, dat wat zich in zijn hoofd, zijn verstand en zijn emoties afspeelde, tot poëzie te transformeren waarin geen spoor van anekdotiek of autobiografisch effectbejag zit. Hoe persoonlijk zijn werk ook lijkt en is, het is tegelijkertijd formeel en mythologisch, het duwt je met je neus in de pieken en dalen van de intelligentie en emoties van de mens die zichzelf probeert te besturen. Het is, om het maar even heel eenvoudig te zeggen, poëzie van de menselijke geest.

Ik denk dat ik zijn werk en zijn leven min of meer bij toeval heb leren kennen, namelijk toen ik een jaar of tien geleden voor Vrij Nederland een boek te bespreken kreeg, 'Poets in their youth', van een zekere Eileen Simpson die gaande het boek de ex-echtgenote van Berryman bleek te zijn. Later leek hij steeds dichterbij te komen. Toen ik in het seizoen 1986-1987 in Amerika lesgaf aan de University of Minnesota, bleek hij aan dezelfde subfaculteit te hebben gewerkt. Zijn dochter Martha liep er in de gangen rond. Ik woonde er op een adres dat twee straten van zijn voormalige huis was verwijderd, kwam oude kennissen van 'm tegen die spraken over z'n brille, z'n enorme kennis, z'n onmogelijke karakter, z'n onverzadigbare hang naar vrouwen, z'n alcoholisme.

Mijn eerste kennismaking met John Berryman, Simpsons Poets in their youth gaat over de zogenaamde 'middle generation' van Amerikaanse dichters, de schrijvers die kwamen na Eliot, onder wiens torenhoge, in wezen Britse invloed ze trachten vandaan te komen. Het was een groepje bijzonder getalenteerde dichters dat opeens aan het woord kwam: Robert Lowell, Theodore Roethke, Randall Jarrell, Delmore Schwartz, Elizabeth Bishop en John Berryman. Allemaal oorspronkelijke geesten maar voor een deel ook verloren dichters met ontspoorde levens.

Over John Berrymans leven lijkt een doem te liggen. Ik zou het niet opschrijven als het niet zo van belang was voor zijn poëzie. Hij werd op 25 oktober geboren in het oliestade McAleste in Oklahoma, een van de vervelendste staten van Amerika, al zal Berryman bij herhaling vertederd terugdenken aan 'Okiehome.' John Allyn Smith heette hij bij zijn geboorte, naar zijn biologische vader.

De familie Smith behoorde aan de buitenkant tot de onopvallende middleclass, maar er rotte iets in het gezin. Vader Smith leed in toenemende mate aan depressies en manies. In 1921 werd hij vice-president van een lokale bank maar na drie jaar moest hij onder duistere omstandigheden ontslag nemen. De familie probeerde het met een restaurant in Tampa, Florida, maar ook dat liep uit op een desillusie.

Johns dominante moeder, Martha, (een vreselijk mens, lijkt me uit de briefwisseling met haar zoon, zo'n moeder waar je een heel leven lang niet van loskomt) trok met haar twee zoons John en Robert in bij John Angus Berryman, met wie ze vermoedelijk een relatie begon. Op een zaterdagmorgen in juni 1926 werd vader Smith, die in toenemende mate ten prooi was geraakt aan onomkeerbare depressies, dood aangetroffen in de gang. Zelfmoord, luidde de conclusie, maar het is niet onwaarschijnlijk dat Martha een actieve hand in zijn dood had. Tot het eind van zijn leven is John Berryman blijven worstelen met het einde van zijn vader. Dood, zelfmoord, drankzucht en depressies spelen, bijna fatalistisch, een overheersende rol in zijn leven en daarmee vanzelf ook in zijn werk. Hij was zich er overigens zeer wel van bewust dat hij zijn eigen psychische problemen stelselmatig aan zijn vaders zelfmoord toeschreef, maar realiseerde zich niet dat hij de rol van zijn dominante moeder daarbij schromelijk onderschatte.

Nog in zijn laatste verzen, de hallucinerende 'Dream Songs', is hij niet uitgepraat over de fatale gebeurtenis in zijn jeugd:

He only, early in the morning, rose with his gun and went outdoors by the window and did what was needed.#

I cannot read that wretched mind, so strong & so undone. I've always tried, I - I'm trying to forgive# who's frantic passage, when he could not live# an instant longer, in the summer dawn left Henry to live on.#

De jonge John was elf toen zijn vader stierf en hem liet doorleven. Martha Smith trouwde niet veel later met John Angus Berryman die zijn stiefzoons zijn naam gaf. Na zijn middelbare schooltijd bezocht John Berryman 'South Kent', een college in Connecticut, het was wellicht zijn laatste poging tot een schadevrij leven. Hij leerde er roken en dansen. Een groot gedeelte van de tijd ging ook op aan het versieren van medestudenten. In een aardig boekje over deze studententijd, 'John Berryman and the Thirties', geeft Berrymans medestudent E. M. Halliday een kijkje in de studentenwereld van die tijd. Halliday die net heeft leren dansen heeft last van erecties tijdens de dans en vraagt zijn vriend Berryman om raad. “Moet ik een beetje afstand bewaren misschien?” “Ben je nou helemaal halfgaar. Je moet 'm er juist tegenaan houden. Als zij van je wegdraait is 't haar eigen schuld en is het toch een trut. Doet ze het niet, beste jongen, zorg dan dat je haar naam en telefoonnummer te pakken krijgt.”

Maar John Berryman was ook het mikpunt van meedogenloze pesterijen van z'n medestudenten. Na weer eens zo'n diepe vernedering legde hij zich op de rails voor een naderende trein en het kostte zijn plaaggeesten de grootste moeite hem er weer vanaf te praten. Berryman wist wat zelfmoord was en hoe je er druk mee kon uitoefenen.

Na zijn studententijd ontwikkelde Berryman zich tot een briljante leraar die aan diverse universiteiten met zijn enorme kennis van de literatuur respect afdwong en een aandachtig gehoor vond. Ik hoorde hem een keer, rijdend op de rondweg van Chicago, op een oude bandopname gedichten voordragen. Eigen werk was aangekondigd, maar de meeste tijd ging op aan het voorlezen van andere, oudere dichters als Walt Whitman en Hart Crane die hij met een prachtige sonore bariton las, niet zonder eerbied maar tegelijkertijd alsof het zijn eigen werk betrof. Intussen leek zijn huiselijk leven nergens naar. Getormenteerd door duistere machten, slapeloosheid en chronisch alcoholmisbruik zocht hij een uitweg in drie huwelijken (waarvan er twee op de klippen liepen), talloze buitenechtelijke affaires met vooral studentes en vrouwen van collega's, en poëzie. Hij moet een onmogelijk mens geweest zijn. Een van zijn biografen schrijft: “Berryman had een enorm ego, zoals zijn poëzie en essays laten zien. Hij kon ruw zijn, wantrouwend, hooghartig, kwetsend . . . en meer.”

Het duurde lang voor Berrymans poëzie erkenning vond. Zijn vroege werk is epigonistisch en doet denken aan Yeats, die hij sterk bewonderde (hij wist het zover te krijgen dat hij ooit een kopje thee met de grote man mocht drinken), en W. A. Auden. Maar in 'The Nervous Poems' uit zijn bundel 'The Dispossessed' uit 1948 proef je de latere Berryman. Hij begint daar voor het eerst te experimenteren met grammatica, idioom, ritme en klanken. Zijn opus magnum, de 'Dream Songs' waaraan hij jarenlang werkte, is de vervulling van dit vroege werk: een geweldig, autobiografisch maar tegelijkertijd zelfkritisch, intelligent en bij vlagen ondoordringbaar, belezen maar van tijd tot tijd ook primitief, geestig en hopeloos depressief portret van de maker. Die zich in het nawoord overigens haastte te ontkennen dat zijn alter ego in deze gedichten, een zekere Henry Bones, iets met John Berryman te maken zou hebben. In de 'Dream Songs', een kleine vierhonderd gedichten van steeds drie maal zes, vaak strikt rijmende en ritmische regels lang, legt Berryman als het ware zijn getergde zenuwstelsel bloot. De gedichten gaan, in de persoon van Henry Bones, over alles wat een menselijk leven kan bederven en verrijken. Hij zit in een café en kijkt jaloers naar een mooie vrouw te midden van een stel boerenpummels. Hij explodeert achter de katheder in het collegezaaltje, hij hervindt zich op een serene ochtend in een park na de zoveelste mislukte afkick-opname. Hij zit te broeden hoe hij de haat jegens zijn vrouw in daden zal omzetten. Vaak zijn ze fragmentarisch, zoals het bewustzijn dat ze pogen op te roepen, je hoort verschillende stemmen spreken, registers worden naast en door elkaar uitgetrokken:

Hunger was constitutional with him, women, cigarettes, liquor, need need need until he went to pieces.# The pieces sat up and wrote, they did not heed their peacedom but kept very quietly on# among the chaos.#

Vrouwen, Slapeloosheid, Alcohol en Dood, ze komen als onontkoombare golven steeds terug, steeds opnieuw maar ook steeds anders. Kwade buien en bitter-vrolijke stemmingen wisselen elkaar af. En bij elkaar gehouden door een onontkoombaar strakke vorm pulseert, explodeert en enerveert deze poëzie als een prisma waarin het hele bestaan reflecteert. Vertalen van zijn werk gaat nauwelijks, daarvoor bevat het te veel idioom en 'slang.' Soms lijkt het wel of Berryman er een sport van maakt halfverstaanbaar te brommen. En dan opeens is hij weer geestig:

Misunderstanding. Misunderstanding, misunderstanding. Are we stationed here among another thing? Sometimes I wonder.# After the lightning, this afternoon, came thunder: the natural world makes sense: cats hate water# and love fish.

Wie er op let, ziet hoe deze poëzie beheerst wordt door het motief, nee, de werkelijke aanwezigheid van de Dood. Bij voorbeeld als Berryman het bericht hoort van het overlijden van zijn vriend Delmore Schwartz, het onvervulde talent, ook al alcoholisch, in een miserabel hotelkamertje. En van Randall Jarrell en Sylvia Plath. Over de zelfmoord van Plath schreef hij een van zijn mooiste gedichten, met de beginregel “Your face broods from my table, Suicide”, en aan het slot vraagt hij zich af waarom hij met zoveel gestorven zusters en broeders als enige nog tegen het verkeerde tij in probeert te zwemmen. In een ander gedicht somt hij het lot van zijn generatiegenoten op:

I'm cross with God who has wrecked this generation. First he seized Ted, then Richard Randall, and now Delmore. In between he gorged on Sylvia Plath.

Berrymans gevecht met zijn eigen leven was ook een worsteling met de zin van het bestaan. Na zijn zoveelste behandeling voor alcoholisme dacht hij erover om zich tot het jodendom te bekeren, maar even later liet hij zich onverwacht katholiek dopen. Maar het was in zekere zin al te laat. De dichter die altijd beweerd had dat een schrijver niet naar God toe bewoog maar naar 'nietswording', naar het worden van een stem voor machten en passies die voorgoed in de mens besloten lagen, kon zichzelf niets meer wijsmaken.

Op de ijskoude ochtend van 7 januari 1972 verliet John Berryman, 57 jaar oud, Professor of Humanities aan de Universiteit van Minnesota en winnaar van de Pulitzer Price en de National Book Award voor poëzie, zijn huis, zei tegen zijn (derde) vrouw: “Je hoeft je geen zorgen meer over me te maken” en begaf zich met de bus naar de brug over de Mississippi, die daar tientallen meters lager diepbevroren lag. Daar sprong hij, nagekeken door een handjevol verbijsterde studenten die toevallig langskwamen, kalmpjes vanaf, de dood tegemoet waarover hij in een van z'n sarcastische buien schreef:

Connection with Henry seemed to be an acre in Hell: he crossed himself with horror. Doubtless a bell ought to've been hung on Henry# to warn a-many lovely ladies off before they had too much, which was enough,# and set their calves to flee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden