Johannes

Vorige week beloofde ik te vertellen over de Duitse sterrenkundige Johannes Kepler. Op mijn elfde jaar maakte ik met hem kennis, doordat ik een biografie van hem in handen kreeg. Die was toevallig verzeild geraakt in de kinderboekenkast op onze zolder, tussen Karl May en Jules Verne, Selma Lagerloff en de Gebroeders Grimm. Op het omslag stond: 'Johannes Kepler, leven en werken, beschreven door de vermaarde auteur Arthur Koestler'. Toen ik zag dat er plaatjes in stonden, was mijn belangstelling gewekt.

Het boek, waarin ik al gauw tot over mijn oren verdiept raakte, oefende een duistere aantrekkingskracht op me uit. Dat kwam niet zozeer door de natuurwetenschappelijke passages, die ik saai en grotendeel onbegrijpelijk vond, maar door het hoofdstuk over de ongelukkige jeugd en de zwakke gezondheid van Kepler. Hij werd in 1571 geboren in het Zwabische stadje Weil. Zijn vader, een nietsnut die op het nippertje was ontsnapt aan de galg, leefde in onmin met zijn moeder, een feeks die zich inliet met toverkunst en die later op beschuldiging van hekserij zou worden vervolgd. Hun zoon Johannes was een pechvogel. Op school werd hij door andere jongens getreiterd en geslagen. Hij liep in zeven sloten tegelijk. En altijd was hij wel ziek of bezig het te worden. Niet alleen leed hij aan bleekheid, opgeblazenheid, bijziendheid, zwaarmoedigheid, maag-kolieken en galzucht, hij werd bovendien geplaagd door eczeem, steenpuisten en aambeien.

Als meisje van elf was ik gefascineerd door Keplers kwalen. Dat moet ook voor Kepler zelf hebben gegolden, want hij maakte een overzicht van alle lichamelijke ongemakken waaraan hij sinds zijn vierde levensjaar had blootgestaan. ,,1575: Ik stierf bijna aan pokken, was in zeer slechte gezondheid en mijn handen waren lelijk verminkt. 1585/1586: Ik leed voortdurend aan huidaandoenin-gen. Dikwijls schurft van chronisch rottende wonden aan mijn voeten. Aan de middelvinger van mijn rechterhand had ik een worm, aan de linker een enorme zweer. 1587: Op 4 april werd ik door koorts aangegrepen. 1589: Ik begon verschrikkelijk te lijden aan hoofdpijnen en stoornissen aan mijn ledematen. De schurft nam mij in beslag. Dan was er een droge ziekte. 1591: De koude bracht voortdurende schurft met zich mee. Een storing van lichaam en geest was begonnen vanwege de opwinding van het carnavalspel waarin ik optrad.''

Avond aan avond las ik bovenstaande regels in bed. De vermelding van een 'worm' aan de middelvinger van Kepler vervulde me met nieuwsgierigheid en vrees. Hoe zag zo'n worm eruit? Kon ik er ook eentje aan mijn vinger krijgen? Wat deed hij daar precies? Hield hij zich stil of was hij beweeglijk? Waar kwam hij vandaan? En, veel belangrijker nog, hoe raakte je hem kwijt? Lang nadat mijn moeder het licht bij me had uitgedaan, bleef ik onder de dekens tobben over de raadselachtige ziektes uit het boek. Ik betastte mijn voeten, om me ervan te verzekeren dat de 'schurft van chronisch rottende wonden' nog niet was uitgebroken. Zeker zo griezelig vond ik de aantekening over een 'droge ziekte'. Veroorzaakte die soms ondraaglijke dorst? Ik stelde me voor dat ik in mijn slaap door de ziekte zou worden overvallen en dat ik van pure droogte tussen de lakens zou verkruimelen. Tevergeefs zouden mijn ouders 's ochtends mijn naam roepen: hun kind was veranderd in een hoopje stof.

Nog steeds heb ik het boek over Johannes Kepler in mijn bezit. De rug is inmiddels scheef en de buitenkant vertoont ouderdomsvlekjes, net als de mijne. Een enkele keer blader ik er nog in, maar zonder de sensatie van destijds. Kennelijk is mijn bederf inmiddels zo ver gevorderd, dat ik voor geen verrotting of wormen bang meer ben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden