Johan Dijkstra was here

Stefan Kuiper en Auke Hulst gaan op zoek naar plekken die kunstenaars op hun meesterwerken afbeeldden. Aflevering 8: Johan Dijkstra's 'Kerkje te Oostum'. Dijkstra deed veel, en kón ook veel.

Soms voelt de ontdekking van een onbekend kunstwerk als een ontmoeting met een potentiële geliefde: bonkend hart, verhoogde concentratie, het liefst zou je het direct mee naar huis nemen. En soms voelt het als een opkomende notenallergie. Het was 2003 of 2004. Wij, een groepje van zeven derdejaars kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen moesten voor het vak Tentoonstelling een expositie inrichten uit een lokale privé-collectie met werk van het in 1918 opgerichte Groninger kunstcollectief De Ploeg. Die verzameling behoorde toe aan een gepensioneerde conciërge uit de Groningse wijk Leeuwenborg. Zijn naam: meneer Stubbe.

Ik heb 'm zojuist gegoogled: hij is een paar jaar geleden overleden.

Meneer Stubbe droeg verstandige schoenen, die onaangenaam kraakten wanneer hij zich door de expositieruimte bewoog. Hij klonk als een verkouden musje. Vrienden had hij weinig; zijn enige familielid, een broer, was jaren geleden naar Duitsland geëmigreerd, of naar Denemarken, het kan ook zijn dat 'ie verdronken was. Zijn pensioentje besteedde meneer Stubbe aan zijn grote passie: Groningana. De twee a's rekte hij eindeloos.

Toen we op een ochtend zijn seniorenflatje betraden om werk te selecteren bleek de verzamelaar voorbereidingen te hebben getroffen. Over de volle lengte van de woonkamer stond een behangtafel, waarop een deel van de collectie was uitgestald: litho's, tekeningen een enkele ets. In de hoeken stonden rijen schilderijen, op een tafeltje thee in soepkommetjes. We maakten aantekeningen. De verzamelaar oogde nerveus. Steeds wanneer een kunstwerk voor transport in bubbeltjesplastic verdween, wreef hij zijn handen voorzichtig langs elkaar, alsof zich daar, tussen zijn palmen, een klein, teer diertje bevond dat hij warm diende te houden.

Als eenzaamheid geluid zou maken, weerklonk in de flat van meneer Stubbe een oorverdovend lawaai. Misschien was het angst voor eindigheid en aftakeling, misschien was het hybris, maar voor mijn jongere ik raakte De Ploeg besmet. Zag ik in een museum een constructivistisch werkje van Wobbe Alkema, dan hoorde ik het tikkende Friese staartklokje van Meneer Stubbe. Een Jan van der Zee: Stubbes dampende thee. De Ploeg was verworden tot bejaardenkunst, hobbyistenkunst, Stubbe-kunst - goed genoeg om een tentoonstelling van derdejaars studenten te vullen, maar niet iets waar je je als jonge, slimme, ach wat, briljante kunsthistoricus in je vrije tijd mee wenste te afficheren.

Wat een kwast, mijn jongere ik. Wat een ontzettende kwast. Want welbeschouwd is er weinig reden om bij voorbaat een hekel aan De Ploeg te hebben. Goed, die cirkels en vierkanten van Wobbe Alkema blijven oervervelend, en je kunt je niet voorstellen dat er mensen bestaan die voor hun plezier een Hendrik de Vries aan de muur hangen. Maar daar staat een heel corps van goede, interessante kunstenaars tegenover: Wiegers, Altink, De Vries, Werkman natuurlijk. Fascinerend is Johan Dijkstra (1896-1978), Ploeger van het eerste uur, en een van de langst actieve leden. Dijkstra deed veel, kón ook veel: schilderen, tekenen, boeken illustreren en sigarenreclames ontwerpen. Hij illustreerde romans van Dostojevski en bedacht glas-in-lood-ramen voor publieke gebouwen. Als bestuurslid van De Ploeg werkte hij mee aan catalogi en tentoonstellingen. Als criticus van het Nieuwsblad van het Noorden kreeg hij het aan de stok met vakbroeders.

Hierboven ziet u een van zijn aardigste doeken: 'Kerkje te Oostum' uit 1922. De plek is beroemd: het was het op een na meest geliefde bedevaartsoord voor Ploegers (Blauwbörgje, een inmiddels afgebroken boerderij, was de populairste), en figureert op talloze doeken: als punt aan de horizon, vanuit het zuiden, monumentaal beeldvullend, in close-up.

Nu weet ik niet of u wel eens in Oostum bent geweest, maar het is daar in de winter geen pretje. Guur. Onherbergzaam. Zelfs nu, begin maart, vanuit een auto met verwarming kost het weinig moeite om je voor te stellen hoe het daar in vroeger eeuwen is geweest: de armoede, de schraalheid, 's levens felheid in een bestaan waarin je was overgeleverd aan het weer en de elementen. Geen wonder dat die kerkjes iedere zondag vol zaten.

Bij Dijkstra zijn zulke sombere beelden ver weg. Hij schilderde het kerkje zoals Van Gogh het zou hebben geschilderd: energiek, vibrerend, manisch haast, met vlammend oranje en verkoelend blauw, brandende steen tegen ijzige winterlucht, omringd door bomen die 'het teken van de wind' dragen. Het resultaat: plattelandslyriek; een schilderij dat je doet fluiten. Ideaal voor op een druilerige winterochtend in maart - óf ter decoratie van een troosteloze seniorenflat.

Lezen: Eric Bos, 'Een palmboom bij Zuidwolde: 25 opstellen over De Ploeg', BoekWerk, 2003, pp.128.

Doen: 'Iconen van het Groningerland. Jan Altink (1885-1971)'; tot 9 april 2012 in het Groninger Museum.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden