Jodendom en film sluiten elkaar uit

Sylvain De Bleeckere

De joodse film Die Fülscher van Stefan Ruzowitzky won vorige maand de Grote Prijs voor Beste Film op het 34ste Filmfestival van Gent. Nochtans sluiten jodendom en film elkaar vanuit hun wezen uit, stelt Sylvain De Bleeckere.

Jodendom en film met elkaar verenigen lijkt een onderneming die van bij het begin tot mislukken is gedoemd. Film is immers een medium dat zijn wezen vindt in het combineren van twee media: het auditieve medium van de klankband en het visuele medium van het bewegende beeld. Aangezien de auditieve component ondersteunend of aanvullend deel uitmaakt van de beeldcomponent, denkt iedereen bij film niet eerst aan de geluiden en klanken, maar aan de beelden. Die beeldcomponent is in de joodse cultuur zeer problematisch.

Dat de joodse cultuur beelden als een ‘Fremdkörper’ beschouwt, heeft geen technische gronden. Het jodendom viseert de techniek niet en heeft geen bijzondere bezwaren tegen het inzetten van technische middelen om iets te ondernemen. Integendeel, het past helemaal in de visie van Genesis op de mens – heer en meester van de schepping – dat Adams kinderen de natuur met alle middelen hun wil opleggen. De joodse argwaan voor beelden slaat evenmin op esthetische bezwaren. In een joodse optiek getuigen beelden niet van slechte smaak. De enige reden waarom beelden niet thuishoren in de joodse cultuur is metafysisch en vooral theologisch van aard.

Als er één typisch joods gegeven bestaat, dan toch wel de tien geboden. Ze worden als groep genoemd in Ex 34, 28 en Deut 4, 13 en 10,4. De teksten spreken klare taal. Niemand minder dan God zelf grift de geboden in de twee stenen platen. Het tafereel is in 1956 in scène gezet door Cecil B. DeMille in zijn The Ten Commandments, met Charles Heston in de rol van Mozes en de inslaande bliksem in de rol van God. Met een onbetwistbaar gezag bevestigt Ex 32, 16 dat ,,de platen Gods eigen werk waren en het schrift dat erin was gegrift, Gods eigen schrift was’’. God, de auteur van de geboden, overhandigde ze aan Mozes nadat die veertig dagen helemaal alleen en zonder eten of drinken in Gods nabijheid verbleef. Mozes kreeg de opdracht de goddelijke woorden op zijn beurt over te schrijven. Die vormen het fundament voor het verbond tussen God en het joodse volk.

Met het gezag van de Thora zijn en blijven de tien geboden de hartslag zelf van het godsgeloof waaraan het joodse volk zijn identiteit ontleent. Op het platform van de tien geboden is er geen onderscheid meer tussen de religie en het volk: de joden – de gelovigen – worden Joden – het volk.

In de canon van de tien geboden verschijnen het eerste en het tweede gebod als een duo. Zij bevatten de sleutel voor de joodse houding tegenover het beeld. In de plechtige versie van het boek Exodus zeggen de eerste twee geboden het volgende: ,,Toen sprak God deze woorden: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Heer, uw God, duld geen andere goden naast mij.’’

Wanneer Mozes afscheid neemt van zijn volksgenoten die hij uit de slavernij van Egypte heeft geleid, herinnert hij hen nog een laatste keer aan het fundament van het eerste en het tweede gebod. Hij drukt de joodse mannen en vrouwen, nu ze op het punt staan een echt volk met een eigen land te gaan worden, op het hart: ,,Zorg er dan voor dat u het verbond dat de Heer, uw God, met u heeft gesloten, niet vergeet door tegen zijn gebod in iets af te beelden en een godenbeeld te maken. Want de Heer, uw God, is een verterend vuur, hij duldt geen andere goden naast zich.’’ (Deut 4, 23-24)

De Thora proclameert dat het joodse volk zijn ware identiteit ontleent aan het goddelijke beeldengebod. Het gebod is in werkelijkheid een radicaal verbod. De radicale negatie van beelden vormt de kern van het diep gewortelde joodse iconoclasme. In Gods naam geen beelden! Het iconoclasme gaat nog verder: alle beelden die er zijn, moeten worden vernietigd. Uit de Thorateksten over de beelden weerklinkt een erg agressieve toon. Op dat punt onthult de metafysische of bovennatuurlijke kern van het joodse iconoclasme zijn ware aard. Beelden zijn een vloek in de ogen van God zelf, omdat ze tussen Hem en zijn volk komen te staan en dat duldt Hij niet. Het iconoclastische gebod dat God zijn volk oplegt, is als de klei waaruit Hij Zijn volk vormt: het bepaalt het denken, voelen en handelen van het joodse volk.

Het is een hele sprong van de wereld van Exodus en Deuteronomium naar die van de twintigste eeuw. Veronderstel even dat Mozes het joodse volk de twee stenen platen pas aan het eind van de negentiende eeuw bezorgde en op de drempel van de twintigste eeuw met zijn testament het volk uitgeleide deed. De joden zouden het Beloofde Land binnentrekken en vaststellen dat er overal bewegende beelden te zien zijn. Filmbeelden, vertoond in daartoe gebouwde tempels, maar uiteindelijk ook op de gevels van gebouwen zoals in Time Square van Manhattan en beelden in alle huiskamers. Wat moet het uitgesproken joodse (religie) én Joodse (volk) iconoclasme beginnen met een dergelijke omnipresentie van de beeldcultuur?

De radicaliteit van het Thoragebod is door de feitelijkheid van de filmische cultuur achterhaald. Ondertussen heeft ook de joodse cultuur zelf een complexe en bewogen geschiedenis gekend, een periode die nog dagelijks dramatisch voortloopt. De joden hebben zich tijdens de eeuwenlange diaspora leren aanpassen en hebben leren overleven. Zelfs in de huidige joodse staat Israël verloopt het dagelijkse bestaan niet zonder beelden. In alle steden zijn er bioscopen, in de meeste huiskamers staat een televisietoestel. Diverse joodse televisiestations zenden eigen programma’s uit. En in Israël laten zich heel wat joodse cineasten opmerken.

Dat is vandaag. Wie even terugkeert naar de begindagen van de ontwikkeling van het filmmedium, komt algauw terecht in Hollywood, California. De geschiedenis leert dat het gouden filmlabel Hollywood zijn bestaan te danken heeft aan enkele van de 25 miljoen joodse, meestal Oost-Europese immigranten die in de loop van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten een nieuw thuisland vonden. In zijn standaardwerk, An Empire of Their Own: How The Jews Invented Hollywood (1988) brengt Neal Gabler de joodse roots van Hollywood in kaart.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw ontdekten de ambitieuze jonge Amerikaanse joden Louis B. Mayer, Samuel Goldfish en de gebroeders Warner, actief in de kleding- en juwelensector, een gat in de toenemende markt van de vrijetijdsbesteding. Goldfish veranderde zijn naam in Goldwyn en fuseerde zijn bedrijf met dat van Mayer: het ontstaan van Metro Goldwyn Mayer (MGM) filmstudio’s, de grote concurrent van Warner Bros Studio’s. De Walt Disney Company werd na de dood van de stichter, de rasechte Amerikaan Walt Disney, succesrijk uitgebouwd door de jood Michael Eisner. Die huurde joodse producers in als Jeffrey Katzenberg, Michael Ovitz en Joe Roth die nog aan het hoofd had gestaan van 20th Century Fox.

Aan het einde van de twintigste eeuw richtten de joden Steven Spielberg, David Geffen and Jeffrey Katzenberg één van de machtigste nieuwe filmstudio’s van Hollywood op: DreamWorks SKG. The Jampacked Bible On line, een educatieve site voor joodse jongeren, heeft een rubriek ‘Hollywood Jews’ en noteert: ,,DreamWorks is het moderne gelaat van de joden van Hollywood.’’ Niemand minder dan de gewezen Hollywood-icoon Marlon Brando, die Hollywood ontgoocheld de rug toekeerde, deed zijn beklag in de Larry King Live show op 5 april 1996: ,,Hollywood wordt gerund door joden – het is de eigendom van joden.’’ Voor die uitspraak werd hij beschuldigd van antisemitisme.

Sommige hedendaagse radicaal islamitische, anti-Amerikaanse groepen citeren vandaag graag die uitspraak van Brando om tegen Hollywood te ageren vanuit het mozaïsche beeldenverbod dat ook in de Koran voorkomt. De joodse religie heeft in zijn cultuurstrijd tegen het beeld de duimen moeten leggen. Ook de islam zal op zoek moeten gaan naar een opbouwende dialoog tussen het oude godsgeloof en het hedendaagse cultuurbeeld.

Sylvain De Bleeckere is filosoof, redacteur van CineMagie en doceert cultuurwetenschappen aan de Pedagogische Hogeschool Hasselt/Universiteit Hasselt.

Dit artikel verscheen eerder in Tertio.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden