Joden in Turkije bleven vijf eeuwen lang gevrijwaard van vervolgingen

Concert door Sefardisch Ensemble Janet en Jak Esim: di 17 nov. 20.15 u., De Doelen Rotterdam; do 19 20.30 u., Tropeninstituut Amsterdam; za 21 20.30 u. Rasa, Utrecht. Lezing Geschiedenis Sefarad in Turkije door prof. Esther Benbassa en aansluitend de film 'Als ik jou vergeet Istanboel' (Frans, met simultaanvertaling): wo 18 20.30 u., Soeterijn Amsterdam; vr 20 9-11 u. gastcollege TCIMO Universiteit van Leiden, vr 20 20.30 u. lezing en film Rasa Utrecht; foto's van joods-Turkse fotografen Ersin Alok en Mili Mitrani tot eind nov. in de foyers van Soeterijn en Rasa.

De joodse 'renaissance' culmineert dit jaar in de viering van de aankomst in het Ottomaanse Rijk van de uit Spanje en Portugal verdreven Sefardim. Sultan Beyazid II verbaasde zich, zo luidt de overlevering, over de stommiteit van koning Ferdinand: 'door de uitwijzing van de joden verarmde hij Spanje, en verrijkte Turkije.' Voor ruim honderdduizend joden betekende het Ottomaanse Rijk een oase van rust na het pijnlijke en vernederende afscheid van Spanje. De Turken begrepen dat ze met de kennis van de Sefardim (Sefarad = Spanje) op het gebied van medicijnen, drukpers en textielfabricage hun voordeel konden doen, en lieten hen in betrekkelijke vrijheid leven. Uniek was het Ottomaanse systeem van 'millet' (volk of natie). Joden, Grieken en Armeniers, hadden het recht hun eigen onderwijs en rechtspraak te organiseren mits zij een (hoge) belasting betaalden. Het was hen verboden dienst te nemen in het leger of in de ambtenarij te gaan, maar voor het overige werden zij ongemoeid gelaten. De Sefardim leefden in een eigen wereld, met een eigen taal, het Ladino: Spaans met een tikkeltje Turks en een vleugje Hebreeuws.

Dat veranderde toen Ataturk in 1923 de Turkse Republiek uitriep. Alle minderheden werden tot Turken verklaard, en de joden zagen hun status aparte in rook opgaan. Ataturks Republiek werd een wereldse staat, die geen rekening hield met religieuze verworvenheden.

Zeventig kwijnende jaren volgden voor de Sefardim. Velen vertrokken naar Palestina, anderen gingen na de tweede wereldoorlog naar Amerika of, na 1948, naar Israel. Door de neutrale houding van de Turkse regering waren de joodse inwoners veilig voor de nazi's, wat niet gezegd kan worden van de nakomelingen van de Sefardim die zich in Thessaloniki - indertijd Ottomaans, later Grieks - hadden gevestigd: zij kwamen in de tweede wereldoorlog bijna allemaal om.

Van de ongeveer dertigduizend joden die in Turkije zijn gebleven, leeft het merendeel in Istanboel en op de Prinseneilanden in de Zee van Marmara. Een anecdote vertelt over de trektocht van een tiental mannen elke zaterdag langs de zestien synagoges van Istanboel, om er de 'minjan', het voor de sabbathviering vereiste aantal van tien te kunnen maken. De synagoges waren van onschatbare waarde voor de Sefardim, niet alleen als Godshuis maar zeker ook als sociaal-culturele centra. Des te groter was de wond die op 6 september 1986 werd geslagen met de aanslag door een Arabisch zelfmoordcommando op een synagoge in de Istanboelse wijk Galata. Tweeentwintig mensen kwamen om, en de klok staat er nog steeds op zeventien over negen, het tijdstip waarop de mitrailleurs het vuur openden.

De komende week te bekijken film van Nora Seni, 'Als ik jou vergeet, Istanboel' over de terugkeer van een joodse vrouw in de Turkse stad, begint niet voor niets met beelden uit een synagoge. De jonge Sefardim, even werelds als hun tijd, ergeren zich soms aan de nadruk die religie binnen het jodendom krijgt - voor hen betekent de herwaardering van het jodendom vooral een cultureel verschijnsel, waarin het de taal, het oude Ladino is dat met name aandacht verdient.

Toch was het het bloedbad in de synagoge in 1986 dat het joodse bewustzijn bij menigeen heeft wakker geschud.

In dit herdenkingsjaar wordt er in Istanboel volop gepubliceerd over 'los Sinko Siklos', de Vijf Eeuwen in 'el payis de adopsyon', het land van adoptie, zoals een dichter schrijft op de Ladino-pagina van het weekblad Salom ('shalom', vrede). Het blad staat vol met activiteiten rondom het 'Quintencennium', naast joodse actualiteiten in de Balkan en elders. Opvallend is de terughoudende berichtgeving over Israel. Nog steeds is het devies 'geen aanleiding geven' als het gaat om de vereenzelviging met de joodse staat. Weliswaar staat de Turkse overheid niet onwelwillend tegenover de joods-Turkse gemeenschap: de PTT bracht zelfs een postzegel uit met de afbeelding van het schip vol Sefardim dat door sultan Beyazid in 1492 zo hartelijk werd verwelkomd. Boze tongen beweren dat de nadruk op de Ottomaans/Turkse gastvrijheid wordt ingegeven door een slimme pro-Amerikaanse politiek: kijk ons eens aardig zijn voor de joden, terwijl elders in het land de Koerden in de pan worden gehakt. Maar dit terzijde.

Fretloos

Het Ladino is ook de taal waarin zoveel mooie liederen zijn geschreven. In Turkije is het Sefarad Ensemble Janet en Jak Esim bekend om haar vertolking van Sefardische liederen, onder begeleiding van cello, piano, trommels, Turkse luit en fretloze gitaar. Het ensemble wordt in het kader van de vijfhonderd-jaarviering naar Nederland gehaald door de Amsterdamse Stichting Kulsan ('Kultur' en 'sanat', cultuur en kunst uit Turkije). De muziek van het ensemble is doorgegaan waar die van de Spaanse joden in 1492 ophield, hetgeen bijzonder goed te horen valt als je het Sefarad Ensemble vergelijkt met muziek van Sefardische groepen uit Spanje en Zuid-Frankrijk. In hun vertolking is het zware, statische ritme rechtstreeks uit de middeleeuwen overgeleverd. Sefaradmuziek uit Turkije is met haar tijd en haar omgeving meegegroeid, zonder de vaste afstanden tussen de noten zoals de Westerse muziek die kent, waardoor de klanken een grote verscheidenheid en nuance krijgen. De zang en percussie is typisch Oosters: het hele lichaam wil meedeinen op de muziek, waar een Spaanse vertolking voornamelijk uitnodigt tot een gezellige rondedans.

Het repertoire van het Esim-ensemble weerspiegelt de diaspora. Even Turks als Spaans klinkt het lied 'Hay manas tururururu'. Een slaapliedje werd voor het eerst gezongen in de oude joodse wijk Haskoy in Istanboel, de woede over het verraad van de geliefde stamt uit Edirne, een ballade uit Sarajewo, en op het repertoire staat zelfs een liturgisch lied uit Amsterdam, een van de andere Sefardische hoofdsteden. Het 'joodse thema' van de eeuwige verdrijving vindt weerklank in de ballade 'Una tarde de enverano' ('Op een zomermiddag') uit het Marokkaanse Fez, dat het verdriet over het verloren land bezingt:

'Ik ween, want mijn vaders stem

klonk eens over deze velden.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden