JOANNES PAULUS II

,,Aan de vooravond van het grote jubeljaar voegt de paus aan de drie mannelijke patronen van Europa (Benedictus, Cyrillus en Methodius) drie vrouwelijke toe: Birgitta van Zweden, Catharina van Siena en Edith Stein. De Kerk heeft zich soms te zeer door culturele omstandigheden laten beïnvloeden, zo legt hij uit, als gevolg waarvan de zending en de getuigenis van vrouwen te weinig in het licht is gesteld.'' De priester Antoine Bodar schetst het portret van een meer dan vijfentwintigjarig pausdom.

Toen Karol Wojtyla op de avond van zijn verkiezing tot paus, 16 oktober 1978, zich vanaf de loggia van Sint Pieter aan Stad en Wereld voorstelde, ervoer ik eenzelfde teleurstelling als bij Joannes XXIII. De laatste in 1958 gedrongen en dik, Wojtyla twintig jaar later stevig en stoer - geen typen die in uiterlijk al heiligheid doen vermoeden zoals Joannes Paulus I, Paulus VI en Pius XII, de paus van mijn kinderjaren. Maar meteen zei de nieuwe paus, terwijl hij zich daar gemoedelijk naar voren boog, iets waarom de menigte op het plein moest lachen. En zelf keek hij uiterst vrolijk. Voor een paus klaarblijkelijk een nog jonge man. Ik begreep dat wel naar zijn achtenvijftig jaren, niet zozeer naar zijn uiterlijk. Getroffen bij zijn inauguratie, zes dagen later, heeft me zijn veerkracht en vanzelfsprekendheid. Daar sprak een natuurlijke leider op het Petrusplein, in wakkerheid meer een ferme kolonel dan een vrome bisschop.

Uit de eerste jaren van het pontificaat van Joannes Paulus II is mij bijgebleven hoe de paus op pastorale reizen met de telkens samengestroomde massa mensen wist om te gaan - zijn beurtelings spreken en zwijgen, wachten en tarten, zijn wijze van communiceren door een enkele grijns of een enkel gebaar, zijn genieting van dat spel van over een weer, steeds meester van de situatie en mijn leermeester in welsprekendheid. Amuserende televisie toentertijd, waardoor ik aanvankelijk de opvolger van Petrus vooral als man van theater en communicatie bewonderde.

Spannend van meet af aan was vanzelfsprekend de ook door mij zo ervaren omgang van de paus uit Polen met zijn vaderland, feitelijk zijn politieke strijd met het gesloten Sowjetblok die een eerste ontknoping leek te krijgen in de moordaanslag op 13 mei 1981. Vaticaanse televisiebeelden van de ineenzakkende paus (in zijn open jeep die in razende vaart het plein van Sint Pieter verlaat) zijn inmiddels niet minder heruitgezonden dan die uit Dallas van de moordaanslag op president Kennedy achttien jaar eerder. De aanslag op Joannes Paulus II maakte Karol Wojtyla in enen tot wereldleider.

Toen kwam de aankondiging dat de paus Nederland zou bezoeken. De Heilige Vader zou komen in mei 1985. In de voorbereiding tot zijn komst werd opgeroepen tot biechten, het verwaarloosde sacrament van zondenvergeving. De woede om de oproep was zo groot dat ik ernstig geïnteresseerd geraakte. Inmiddels had ik het appartement betrokken in de Amsterdamse Kerkstraat niet ver van De Krijtberg, de kerk van de jezuïeten aan het Singel, waar de liturgie over de volledige breedte zonder hinderlijke creativiteit in weldadige eenvoud werd gevierd - daarom mijn bedehuis. Het moet na de Avondmis van Witte Donderdag zijn geweest dat ik voor het eerst sinds jaren de biechtstoel binnenging. 'Dat is lang geleden', zei de rector na afloop, 'maar u bidt het Confiteor [de schuldbelijdenis] zo prachtig in het Latijn'. Wijlen pater Frans Dubois bleek een milde en bemoedigende herder. De roeping tot het priesterschap had ik twintig jaar eerder begraven maar de aantrekking daartoe was niettemin gebleven, eerst meer sluimerend, stilaan sterk soms - vooral als gevolg van studie (Platonisme en Middeleeuwse kunst) maar ook door een eigentijdse figuur: Op 19 oktober 1984 was de Poolse priester Jerzy Popieluszko ontvoerd en, zoals een tiental dagen later bleek, vermoord. Dagelijks beheerste zijn verdwijning het nieuws en daarmee zijn persoon als priester. In Popieluszko keerde Jean Marie Vianney, de Franse priester uit de negentiende eeuw, als voorbeeld in mijn geheugen terug.

Op 8 mei, drie dagen voor aankomst van Joannes Paulus op vliegveld Eindhoven, kwamen op het Malieveld in Den Haag katholieken bijeen - samen eensgezind in wantrouwen en vijandschap jegens de Heilige Stoel, zetel van de 'Pools bekrompen' bisschop van Rome. (Zij zouden bekend worden als Acht Mei Beweging - tot eigen opheffing als organisatie in 2003.) Mijn belangstelling was hogelijk gewekt. Ik kleefde bijkans aan het televisietoestel opdat mij niets van het pauselijke bezoek zou kunnen ontgaan. Ik zag de lege straten van mijn geboortestad 's-Hertogenbosch, terwijl de paus in zijn papamobiel daar doorheen voer met aan zijn zijde de Bossche bisschop Ter Schure, niet bemind door Bosschenaren. Ik zag de zuinige ontvangst door minister-president Lubbers en de zijnen op het Catshuis in Den Haag, tentoonspreiding van polderhoogmoed. Ik zag de pontifex in zijn automobiel door Utrecht naar de Jaarbeurs trekken, bekogeld met stenen door straatlui, en daar aangekomen, bekritiseerd door een dame uit de Achterhoek. Zo veel afkeer van de Heilige Vader bewoog mij in louter toekeer naar de Heilige Vader.

Op kilte en lompheid in Nederland volgde in Vlaanderen vriendelijkheid en wellevendheid. Ook daar kritiek, maar in hoogachting geuit. Door de televisie werd ik verder vertrouwd met de paus die daar op stedelijke pleinen in historische decors als Kerkleider werd onthaald en voorging in viering van Eucharistie. In zijn optreden en getuigen heeft hij mij overtuigd.

Een week later maakte ik de bisschop mijn wens kenbaar alsnog mijn roeping te willen volgen. Na zeven jaren van voorbereiding en tegenwerking werd ik in 1992 gewijd tot priester.

II

Sinds zijn bezoek aan de Lage Landen en mijn stap naar het priesterschap volgde ik Joannes Paulus II anders als voorheen - meer van binnen uit, in standvastige betrokkenheid. Sinds 1998 woon ik daarenboven hoofdzakelijk in Rome. Geenszins aangewezen op partijdige pers heb ik zelf de Moederkerk in haar wereldmiddelpunt leren kennen en zo ook in zijn wereldoptreden de opvolger van Petrus. Ik lees veel van en over de paus en zijn beleid. En hoewel ik voorafgaand aan mijn gang naar de Eeuwige Stad meer uit geloofsgevoel (sensus fidei) dan uit deskundigheid heb gesproken en geschreven, is mijn inzicht in de Kerk door theologische studie in Rome alleen verdiept maar niet veranderd.

Consequente genuanceerdheid. Dat is de enige sleutel die past en het pauselijke bewind recht doet. Dank zij Wojtyla's lange pontificaat is de Kerk opnieuw gestabiliseerd en gestructureerd.

De persoonlijke keuze van de paus in 1981 om Joseph kardinaal Ratzinger te benoemen tot prefect van de Congregatie van de Geloofsleer is de juiste aanvulling gebleken. De theoloog Ratzinger had bij het concilie bemoeienis gehad met de dogmatische constitutie over de Kerk (Lumen Gentium) en de filosoof Wojtyla met de pastorale constitutie over de Kerk in de wereld (Gaudium et Spes). Beiden hadden na het concilie allengs het besef gekregen dat de spirituele crisis in ten minste West-Europa alleen gekeerd zou kunnen worden door het schip van de Kerk op vaster koers te brengen. Beiden deelden het besef dat de dogmatische constitutie leidraad zou moeten zijn voor nadere ontvouwing van de pastorale, opdat de Kerk de wereld werkelijk zou leiden en niet opgaan in de wereld.

Over twee voorwaarden om dat doel te bereiken zijn Wojtyla en Ratzinger het van aanvang volledig eens - wie de geschriften van de paus met die van de kardinaal zou vergelijken, valt de overeenkomst terstond op: het niet aflatend getuigen van waarheid omdat Christus de waarheid is en het niet aflatend getuigen van heiligheid omdat God de heiligheid is. Heiligheid voert naar waarheid. Terwijl in de wereld waarheid als betrekkelijk geldt, verklaart Joannes Paulus in zijn dertiende encycliek Fides et Ratio uit 1998 dat de mens op de vleugels van geloof en rede tot de waarheid kan geraken. In geloof strevend naar heiligheid kan het verstand, dat deels door zondigheid is verduisterd, zich openen naar de waarheid. Elke mens is tot heiligheid geroepen. Wie de roeping tot heiligheid volgt en dus de weg gaat tot volkomenheid van het christelijke leven, zal de waarheid op het spoor komen die de volmaaktheid van de liefde is.

Waarheid en heiligheid zijn grote begrippen. Maar de paus is wel filosoof, hij is ook herder. Hij brengt heiligheid overal op de wereld dicht bij. Zo goed als tastbaar. Hij heeft te zeer ervaren dat de mens verwilderd raakt wanneer hem het visioen ontbreekt. De afwezigheid van het ideaal geldt immers te velen - voorheen in het verworden communisme, nu in het verworden kapitalisme met alle gevolgen van uitbuiting en zelfzuchtige verrijking. Heiligheid wordt geconcretiseerd in heilige mensen. En heiligen maakt de Kerk niet, zoals buitenstaanders wellicht denken, de Kerk erkent heiligen. God alleen geeft heiligen.

In de ene gemeenschap, die de aardse met de hemelse Kerk is, blijft daarom de verbinding tussen ons die in het ondermaanse leven met hen die in het bovenmaanse voortleven. De hemelingen evenwel zijn inniger met Christus verbonden dan wij, de pelgrims. Daarom bevestigen juist zij de gehele Kerk in heiligheid. Wij kunnen ons tot heiligen wenden die, dichter bij God, voor ons bij Hem kunnen pleiten. Maar heiligen zijn allereerst onze voorbeelden. Zij hebben Christus nagevolgd en wijzen Zijn weg naar heiligheid. Daarom heeft Joannes Paulus II meer lieden dan al zijn voorgangers samen tot de eer van de altaren verheven, opdat elke streek of elke kring een eigen na te volgen heilige zou hebben.

Waarom uitgeweid over Wojtyla's beleid van heiligverklaring? Het toont enerzijds iets van zijn geestelijke leven. Het maakt anderzijds deel uit van zijn algehele beleid.

De Heilige Vader is biddende Kerkleider. Als pelgrim de eenheid wetend met de heiligen in de hemel trekt hij in meer dan honderd reizen de aarde over om het Evangelie tot aan haar uiteinden te verkondigen en overal als zegel heiligen als vertegenwoordigers van Gods nabijheid te erkennen. Zelf kent hij diepe aanhankelijkheid en hoge voorspraak bij de meest heilige en daarom meest uitverkoren mens -zonder zonden op de aarde in de moederschoot ontvangen en in de hemel opgenomen met reeds verheerlijkt lichaam, verenigd met haar Zoon (de Godmens). Die mens is de vrouw Maria - onder wier bescherming Joannes Paulus zich reeds als bisschop in 1958 heeft gesteld, getuige zijn wapenspreuk Totus Tuus (Geheel de Uwe), toen gekozen. Tien jaar eerder als jonge priester heeft Karl Wojtyla het theologisch proefschrift verdedigd over de Spaanse carmeliet Joannes van het Kruis, de als mysticus vereerde heilige, met wie hij ten minste het voeren van de pen reeds deelde.

Toen, in 1948 aan de dominicaner universiteit in Rome, betrof het onderzoek naar de spanning tussen Joannes' mystieke geschriften en de Kerkelijke theologie zoals opgeschreven door de dominicaan Thomas van Aquino. Zes jaar later, in 1954 bij de verdediging van het filosofische proefschrift aan de universiteit van Krakau, ging het om onderzoek naar de fenomenologie van Max Scheler in relatie tot dezelfde Thomas. Beide proefschriften, het theologische en het filosofische, kaderen Wojtyla's intellectuele vorming: Het Thomisme, de leer van de Kerk, afgetast enerzijds in de richting van literaire mystiek, anderzijds in de richting van eigentijdse wijsbegeerte. Mystiek, de innerlijke omgang met de persoonlijke God, als onverdiende gave door Hem aan de mens geschonken. Fenomenologie, de zoekende poging vanuit de verschijnselen tot schouwing van het wezen daarvan te geraken. Beide geestesrichtingen, die van doen hebben met de onzichtbare binnenzijde van het menselijke bestaan, tekenen mede de geestesgesteldheid van de paus.

III

Op 1 mei 1987 verklaart Joannes Paulus II in het stadion van Keulen Edith Stein zalig. Langs de fenomenologie van Edmund Husserl heeft zij de waarheid ontdekt in de mystiek van Teresa van Avila. Als jodin geboren wordt zij heiden maar keert terug naar de ene God Die zij omhelst in de katholieke Kerk maar evenzeer trouw belijdt in het geloof van haar eigen uitverkoren volk. Zoals Wojtyla poogt zij fenomenologie in verbinding te brengen met Thomisme. Zij treedt in bij de Carmel, waarvan ook Teresa van Avila en Joannes van het Kruis in hun tijd deel uitmaakten, en wordt vermoord in Auschwitz-Birkenau. Edith is geboren in 1891 in Breslau, Karol in 1920 in Wadowice, beiden in de grensstreek van destijds tussen Duitsland en Polen. Het concentratiekamp, waar Edith in 1942 is omgebracht, niet ver van Karol's geboorte-oord, behoort tot het bisdom Krakau, waarvan Wojtyla in 1964 als aarstbisschop is geïnstalleerd.

,,Zoals andere eigentijdse mensen, achtte Edith Stein het religieuze geloof onhoudbaar en had zij de waarheid gezocht in haar studies en in haar denken. Maar zij vond een diepere waarheid - geen filosofische waarheid maar de persoonlijke waarheid in de liefdevolle persoon van God.'' Zo de paus bij de zaligverklaring. ,,Voor haar betekende de doop als christen geenszins breuk met haar joodse erfgoed. Zij heeft daarentegen gezegd: 'Als meisje van veertien had ik het joodse geloof opgegeven, maar mijn terugkeer naar God deed mij opnieuw joods zijn.' Zij was zich steeds ervan bewust dat zij niet alleen geestelijk maar ook door het bloed met Christus verwant was. In het vernietigingskamp stierf zij als dochter van Israel tot eer van de Allerheiligste Naam en te zelfder tijd als Zuster Teresa Benedicta van het Kruis [haar kloosternaam] - letterlijk gezegend door het kruis.''

Op 11 oktober 1998 verklaart Joannes Paulus II op het Petrusplein in Rome Edith Stein heilig. Een maand eerder metterwoon daar gevestigd neem ik deel aan de plechtigheid. Het ene kind van Silezië spreekt over het andere kind van Silezië. Persoonlijke betrokkenheid van de paus met de door hem heilig verklaarde Padre Pio in mystieke zin en met de door hem zalig verklaarde Teresa van Calcutta in sociale zin is alleszins waarneembaar -- afgezien van andere, minder bekende leden van het legioen van hemelbewoners, van de ene wolk van geloofsgetuigen. Maar in Edith Stein moet Karol Wojtyla intellectueel en mystiek - ook hij heeft eens het verlangen gekend in te treden bij de Carmel - diepe verwantschap hebben onderkend. In gewaarwording van verwantschap licht tevens verschil op. Karol is man, Edith vrouw. Edith is ook jodin, Karol alleen christen.

De periode van Pinksteren 1987 tot Maria Tenhemelopneming 1988 roept paus Wojtyla uit tot Maria-jaar - het jaar van de Moeder van God die tevens de Moeder van de Kerk is (zoals Paulus VI in 1964 had verklaard). Het meisje Maria heeft in overgave ingestemd met de boodschap van de engel Gabriel. Dank zij haar dienstbaarheid is de geboorte van Gods Zoon mogelijk geworden. Zijn komst in het vlees wordt in de geschiedenis voortgezet in de Kerk, het mystieke Lichaam van Christus. Maria's opneming in de hemel is voorafbeelding van de verheerlijking van alle in Christus verloste mensen. Is niet de Moeder van de Zoon Zijn eerste leerling? Daarom gaat de Kerk van Maria - de Kerk van de leerlingen, vooraf aan de Kerk van Petrus - de Kerk van ambt en gezag. Allen in de Kerk zijn in de Doop gelijk in het leerlingschap - mannen en vrouwen, klerken en leken. Pas dan doet zich de onderscheiding in ambten voor met het hiërarchische instituut. In haar verklaring zonder draling Moeder van de Verlosser te worden heeft Maria de kern van de menselijke waardigheid geraakt. Die is niet zelfbevestiging maar zelfgave. Aldus Joannes Paulus in dat Maria-jaar dat hij laat voorafgaan door zijn zesde encycliek Redemptoris Mater en doet besluiten met zijn apostolische brief Mulieris Dignitatem. Hij preciseert de plaats van Maria in de Kerk, wijst op haar uitverkorenheid - en zo op die van de vrouw - reden eens te meer in enen voor de waardigheid van de vrouw te pleiten. Dit pleidooi zou hij zeven jaar later nog eens hernemen in zijn persoonlijke brief Aan de Vrouwen.

In den beginne schiep God de mens - man en vrouw schiep Hij hen, elkaar dienend in Christus, volledig gelijkwaardig maar elkander aanvullend, onderscheiden dus tevens. Moederschap is niet alleen een biologische werkelijkheid maar ook een morele met religieuze betekenis. Want dank zij het moederschap heeft de mensheid haar Verlosser gekregen. Niettemin toont de geschiedenis hoe zeer de vrouw is overheerst, achtergesteld, uitgebuit. Nog steeds moet de gelijkwaardigheid, die teloor is gegaan als gevolg van zonden, worden bevochten. Toch is de opgave van de vrouw - en evenzeer van de man - niet zelfbevestiging maar zelfgave, niet zichzelf zoekend maar de ander. Aan beiden komt het huwelijk toe en zo het ouderschap.

Feministen klagen Wojtyla's beeld aan van de vrouw. Tal van even bij als van de tijd zijnde theologen honen zijn besliste uitsluiting van de vrouw van het ambtelijke priesterschap, wanneer hij het debat daarover in 1994 besluit met de apostolische brief Ordinatio Sacerdotalis. Nochtans past de handhaving van die Kerkelijke traditie nauwkeurig in de Mariologische en anthropologische ontvouwing van deze paus in zijn leergezag. De Kerk, de Bruid van Christus, heeft niet het recht noch het gezag - ontleend immers aan haar Bruidegom Christus - tot priesterwijding van de vrouw over te gaan. Zoals Maria wel Koningin van de Apostelen is maar evengoed niet deelt in de roeping van de twaalf en hun opvolgers, zo is de vrouw wel meer dan de man begaafd in de verantwoording dragende liefde maar deelt zij evengoed niet in de roeping tot bisschop en priester. Het oordeel van de Heilige Vader in dezen is definitief en behoort daarmee tot het geloofsgoed van de Kerk en heeft gelding van onfeilbaarheid. Maar deze vaststelling doet geenszins afbreuk aan de hoogschatting van Joannes Paulus voor de vrouw. Juist om de door hem zo benadrukte gelijkwaardigheid van man en vrouw zal stellig ook binnen de Kerk vrouwen meer dan voorheen gevraagd worden niet alleen lage maar ook hoge verantwoordelijkheid op zich te nemen.

Aan de vooravond van het grote jubeljaar - de tweeduizendste verjaardag van Christus' geboorte - voegt de paus aan de drie mannelijke patronen van Europa (Benedictus, Cyrillus en Methodius) drie vrouwelijke toe: Birgitta van Zweden, Catharina van Siena en Edith Stein. De Kerk heeft zich soms te zeer door culturele omstandigheden laten beïnvloeden, zo legt hij uit, als gevolg waarvan de zending en de getuigenis van vrouwen te weinig in het licht is gesteld.

IV

In de zomer van 2000, inmiddels een tweetal jaren verblijvend in Rome en steeds wel en wee van de paus van nabij meelevend, zoek ik de gelegenheid Karol Wojtyla door zijn achtergrond beter te leren kennen. De mens immers blijft ook zijn geschiedenis. Ik reis naar Krakau en Wadowice maar doe ook Czestochowa en Auschwitz aan. In de straten maar meer nog in de kerken van zijn vroegere bisschopsstad ontmoet ik de Heilige Vader in vroeger tijd. Ik vind de beide kamers, waar hij als hulp- en als aartsbisschop heeft gewoond - de ene vanaf 1958, de andere vanaf 1964, en de kathedrale krypte op de Wawel, waar hij (daags tevoren tot priester gewijd) zijn eerste Heilige Mis heeft opgedragen - met Allerzielen 1946. Ik bereik het bedevaartsoord van de Zwarte Madonna, het Poolse heiligdom, vaderlands middelpunt van volhardend vertrouwen, sla de menigte pelgrims gade en zit even neer bij de oude ikoon. In Wojtyla's geboorteplaats bezoek ik de kerk, waar hij als kind is gedoopt en waar hij de Mis heeft gediend, en het huis, waar hij is geboren en waar hij (na de vroege dood van zijn moeder in 1929) alleen met zijn vader heeft gewoond (tot hun beider vertrek naar Krakau in 1938). Het geboortehuis, pal naast de kerk (die om de grote zoon pompeus wordt heringericht), is nu Wojtyla-museum maar elke hoek van de bescheiden bovenwoning toont nog de sobere en bijna armelijke omgeving waarin Karol als kind en jongeling heeft geleefd. Ik schrik ervan dat zo nabij Wadowice de nazi-hel gevestigd is en trek erheen met knikkende knieën.

Als Joannes Paulus II op 13 april 1986 de Tiber oversteekt om zich te begeven naar de grote synagoge, daar gebouwd in 1900, herinnert hij zich zijn joodse jeugdvrienden en vaderlijke waarschuwingen tegen onverdraagzaamheid en antisemitisme. Televisiebeelden tonen de vreugdevolle ontmoeting - 'in het mysterie van de Voorzienigheid voorzien', zo de paus - van de joodse gemeenschap van Rome met de bisschop van Rome. De Kerk heeft geleerd dat geen beschouwing over het katholieke geloof mogelijk is zonder daarbij het joodse te betrekken; want jodendom is niet uitwendig maar inwendig met christendom verbonden. 'U bent onze beminde broeders, onze oudere broeders.' In het document 'Wij herinneren ons: een beschouwing over de Shoah' van 1998 wordt de vraag gesteld of niet de jodenvervolging door de nazi's vergemakkelijkt is geworden door oude vooroordelen jegens joden bij christenen. Verkeerde uitleg van het Nieuwe Testament ten aanzien van vermeende schuld heeft te lang de ronde gedaan. De Pauselijke Bijbelcommissie licht in 2001 toe: Het volk van Israel behoudt Gods uitverkorenheid en Zijn heilstoezegging, hoewel de Heer het een nieuw verbond heeft aangeboden dat nu wordt voortgezet in de Kerk. Maar ook al geloven de Israelieten niet in Zijn Zoon, die God als reddende Messias heeft gezonden, toch blijven zij door Hem bemind. Iedereen, die met God verbonden wil zijn, moet ook de joden op gelijke wijze beminnen. Het jaar tevoren op pelgrimstocht in het Heilige Land bezoekt Wojtyla de gedenkplaats van de nazi-slachtoffers in Jeruzalem: 'Als bisschop van Rome en als opvolger van Petrus, verklaar ik plechtig tegenover het joodse volk hoe schaamtevol beklemd de katholieke Kerk is om alle misdaden die christenen joden hebben aangedaan.'

Zoals van andere godsdiensten het jodendom het christendom het meest nabij is, zo binnen de eigen godsdienst de Orthodoxe Kerken het meest de Rooms-Katholieke Kerk. Met de Orthodoxie deelt de Moederkerk immers de apostolische opvolging (het sacramentele priesterschap) en het geloof in de eucharistie (het altaarsacrament).

Op het hoogfeest van Petrus en Paulus, 29 juni 2004, negenhonderdvijftig jaar na de splitsing van de ene Kerk in een Grieks en een Latijns deel, neemt Bartholomaios, patriarch van Constantinopel, deel aan de pauselijke plechtigheid op het Petrusplein. Veertig jaar pogen de Zusterkerken elkander reeds nader te komen, maar nu roepen de beide Kerkleiders op tot haast. Het is de hoogste tijd dat Europa in kerkelijke eenheid met beide longen ademt - met die van het westen en die van het oosten. In weerwil van de afhoudende houding van patriarch Alexej van Moskou, die Rome proselytisme verwijt in de vroegere Sovjet Republieken, blijft het diepe wens van de Slavische paus Rusland te bezoeken en zo te getuigen van de ene eenheid die reeds bestaat door de Doop in Christus Jesus. In 1995 wijdt Joannes Paulus II zijn twaalfde encycliek aan de eenheid onder de christenen (Ut unum sint). De paus gaat het om de eenheid onder alle christenen. De hereniging met de oosterse Kerken zou echter spoediger te verwezenlijken zijn, zoals reeds het Tweede Vaticaans Concilie heeft vastgesteld. Waarom niet eenvoudigweg terug te keren naar de tijd vóór het schisma van 1054? Hoe anders kan de Kerk teken van hoop zijn voor de wereld, als de christenheid niet één wil zijn - zij het eenheid in verscheidenheid?

V

In het beeld dat de ene persoon van de andere geeft, portretteert hij mede zich zelf. Dit is mijn portret van Karol Wojtyla. Veel is uit beeld gebleven. Daarover schrijven anderen.

Wat tekent zijn figuur in een enkele slotzin? Zijn aanhoudende oproep vanaf zijn eerste encycliek in 1979 (Redemptor Hominis) tot aan zijn in 2004 verschenen persoonlijke herinneringen en mijmeringen omtrent het bisschopsambt (Komt, laat ons gaan): Weest nooit bang en houdt immer moed en opent de poorten van het hart voor de Verlosser, de Christus Die Dezelfde is gisteren, vandaag en altijd. Dat is de onvermoeibare getuigenis van Joannes Paulus II. En welke is daarvan de zichtbare bron? De eucharistie.

Onmiddellijk na mijn priesterwijding vielen mij uitnodigingen toe te spreken en te schrijven over het christelijke geloof. Uit weelde van de dagelijks op te dragen Heilige Mis en louter Bijbelse preken op zondag in de Amsterdamse Krijtberg putte ik toen tevens gretig uit twee geschriften. Het ene gaf bevestiging, het andere daarenboven troost. Het boek Constituties en Decreten van het Tweede Vaticaans Concilie leerde mij steeds meer inzien dat deze Kerkvergadering - in tegenstelling tot de openbare opinie in het vaderland - geenszins breuk beduidde met voorafgaande maar veeleer in vernieuwing voortgang. De vondst en lezing van Mysterium Fidei, de encycliek van Paulus VI uit 1965, is de meest vreugdevolle ontmoeting in schriftuur van die eerste priesterperiode. Waar ik beschimping ondervond in vermeend te openlijke vroomheid, beval de tweede conciliepaus zelf 'met vaderlijke aandrang' aan: 'Laten de priesters dagelijks waardig en godvruchtig de Heilige Mis opdragen'. Joannes Paulus II leeft zo sinds zijn priesterwijding en schenkt in 2003 zijn veertiende encycliek over de verhouding van de eucharistie tot de Kerk (Ecclesia de Eucharistia). Want de Kerk leeft van de eucharistie. Deze waarheid houdt de kern van het geloofsmysterie in. De priester stelt bij de eucharistieviering zijn stem en zijn mond ter beschikking van Hem Die de instellingswoorden van het sacrament heeft gesproken in de zaal van het Laatste Avondmaal. De eucharistie is de meest wezenlijke bestaansgrond voor het sacrament van het priesterschap. Diepgaand is de overeenkomst tussen het ja-woord van Maria aan Gabriel en het amen dat de gelovige zegt, als hij het Lichaam van Christus ontvangt. De schat van de eucharistie spoort ons aan te streven naar de volledig eucharistische gemeenschap met alle christenen, met wie we reeds de doop delen. Zo de paus in wat ik voorshands het testament noem van Joannes Paulus Magnus (de Grote).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden