Jimmy Carter bedrijft geen Arabische propaganda

Geeft Jimmy Carter in zijn nieuwe boek Israël als enige de schuld van de ellende in het Midden-Oosten? Welnee. Criticus Hans Jansen heeft blijkbaar Carters boek niet eens gelezen.

In het artikel van Hans Jansen in Letter & Geest van zaterdag is plagiaat ontdekt. Toch is dat plagiaat niet meer dan een detail, dat voorvloeit uit het propagandistische karakter van het stuk. De Brusselse theoloog Jansen stelt dat ex-president Jimmy Carter in zijn boek ’Palestine, Peace not Apartheid’ de geschiedenis reviseert en dat het boek “wemelt () van de feitelijke onjuistheden en valse voorstellingen”. Maar het artikel bevat niet één concrete verwijzing naar of weerlegging van het boek.

Om te beginnen is het onjuist dat Carter als centrale stelling zou verkondigen dat de Palestijnen herhaaldelijk de deling van Palestina hebben ondersteund, maar dat de Israëliërs tegen waren. Het tegendeel is waar. Carter beschrijft in zijn boek gewoon hoe de Joodse leiders in 1947 de deling steunden en de Arabieren die afwezen.

Nergens suggereert Carter dat “Israël in feite een apartheidsstaat is”. De titel van zijn boek gaat over Palestina, de bezette gebieden dus, en met ’apartheid’ duidt Carter de gedwongen afzondering aan van twee volkeren –– Joodse kolonisten en Palestijnen. Hans Jansen beweert dat volgens Carter “de misdaden van de Israëliërs tegen de Palestijnen erger zijn dan die van de aanhangers van het Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem”. Maar dat heeft Carter nergens geschreven. Wel merkt hij op dat het doel van het scheppen van twee afzonderlijke samenlevingen, “anders dan die in Zuid-Afrika, niet racisme, maar het verwerven van land” is.

Carters boek begint in 1973, gaat snel over naar de Camp David-akkoorden, die onder zijn leiding in 1978 tussen Egypte en Israël werden gesloten, en behandelt de relaties tussen Israël en de Palestijnen en de politiek rond de bezette gebieden sindsdien. Dat Carter niet uitvoeriger schrijft over het verdelingsplan uit 1937 of de verdeling van Palestina door de Verenigde Naties in 1947, betekent nog niet dat hij zaken verzwijgt. Die indruk wordt ten onrechte door Hans Jansen gewekt.

Het enige thema in het artikel dat er enigszins toe doet, zijn de mislukte besprekingen onder leiding van Bill Clinton in Camp David in juli 2000 tussen Jasser Arafat en Ehoed Barak. Carter besteedt daar precies een kwartzin aan, maar hij behandelt wel het vredesproces in die tijd. Ook hier noemt Jansen geen onjuistheden. Hij meent desondanks dat Carter Israël „de schuld van het mislukken van de vredesbesprekingen” geeft. Staat nergens. Carter stelt alleen dat er geen kans was dat welke Palestijnse leider ook de voorwaarden in Clintons laatste voorstel „zou kunnen aanvaarden en vervolgens overleven”.

Van de mislukte besprekingen geeft Jansen een tendentieuze weergave. Hij beweert, op basis van een interview in The New Yorker (24 maart 2003), dat de Israëlische premier Ehoed Barak zou hebben aangeboden om 97 procent van de bezette gebieden, plus de oude stad Jeruzalem, minus de Joodse en Armeense wijk, aan de Palestijnen af te staan. In werkelijkheid ging het alleen om een interpretatie van de voorstellen (’talking papers’) van president Clinton – dus niet van Barak.

Carter beschrijft in zijn boek hoe het beste aanbod dat de Palestijnen kregen van Clinton – niet van Barak! – was dat van de 225.000 Joodse kolonisten 20 procent zich zou terugtrekken, er zouden 209 nederzettingen blijven, officieel ongeveer tien procent van het bezette gebied, maar in werkelijkheid meer. We kunnen in het midden laten wie gelijk heeft.

Merkwaardig is wel hoe hierbij Rob Malley wordt geciteerd, een adviseur van Clinton, die geschreven zou hebben „dat Arafat totaal niet geïnteresseerd was in de stichting van een onafhankelijke Palestijnse staat.” Kan, maar in een beroemd artikel in de New York Review of Books (9 augustus 2001) schreef diezelfde Malley samen met Hoessein Agha dat degenen „die beweren dat Arafat niet in een permanente overeenkomst was geïnteresseerd, er naast zitten”.

Theoloog Hans Jansen biedt geen zelfstandige beoordeling van Carters boek. Zijn kritiek is een onderdeel van een propagandistisch mediaoffensief. Dinsdag stelde de hoofdredactie van Trouw dat Jansens formuleringen sterk lijken op passages van de Amerikaanse advocaat Alan Dershowitz.

Hij maakt zijn suggestie dat Carter zich aansluit bij Arabische propaganda nergens waar. Een redactie die niet inzag dat Carter nooit geschreven kon hebben wat Jansen hem in de schoenen schuift, heeft gefaald. Plagiaat kun je niet vermoeden, een bedrieglijke weergave kun je onderkennen.

Het gaat hier niet om wie er gelijk heeft in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Hier is de integriteit van een wetenschapper in het geding. Dit is een campagne tegen het boek van Jimmy Carter. En Hans Jansen deed er in volle bewustzijn aan mee. De vraag is: waarom?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden