Jij begrijpt alles wat ik zeg

Zijn dochter Evy overleed kort na haar geboorte. Stevo Akkerman schreef een boek over een vader die het verlies van zijn kind moet verwerken, een echtgenoot die zijn huwelijk ziet verdampen en een man die zijn geloof herijkt. Vandaag een voorpublicatie: hoofdstuk 2.

Tien jaar heb ik geaarzeld of ik dit verhaal zou opschrijven, maar nu doe ik het, Evy. Ik vertel je iets over de mensen bij wie je geboren werd, over ons, waar we vandaan kwamen, hoe we jou kregen en wat er gebeurde nadat je ons zo snel weer had verlaten. Ik doe verslag van wat jij niet hebt kunnen meemaken en laat ik eerlijk zijn, misschien doe ik het niet zozeer voor jou, maar meer voor mijzelf. Dat zit er dik in. Toch stel ik me graag voor dat ik aan de rand van jouw bed zit en tegen je praat. Je hebt je ogen open en kijkt en kijkt en kijkt, en je begrijpt alles wat ik zeg.

Ik weet eigenlijk niet of ik van tevoren had gedacht dat het me op zou luchten om deze geschiedenis op te tekenen, maar ik weet wel dat het tegenovergestelde gebeurt. Ik voel me bezwaard. Het verhaal drukt me neer. Ik ben nog maar nauwelijks begonnen, en ik heb er eigenlijk nu al genoeg van. Maar ik moet door.

Door ze te noteren, tracht ik de gebeurtenissen netjes in het gelid te zetten. Ik wijs ze hun plaats en dwing hen zich aan te passen aan de rode lijn die ik heb ontdekt of heb bedacht. Desnoods doen ze maar alsof. Het verwarrende is: terwijl ik schrijf om greep te krijgen op de geschiedenis, gebeurt het omgekeerde.

Het ene moment zit ik in mijn pyjama op de overloop van het oude huis, luisterend naar de muziek die van beneden komt, van mijn pianospelende vader en mijn zingende moeder. Het volgende moment sta ik op Schiphol te zwaaien naar mijn dochter die haar heil gaat zoeken in St. Louis, Missouri. Het is alsof iemand de tijd vooruitspoelt, fast forward. 's Ochtends betrek ik een studentenkamer van twee bij vier in een huis dat me ontvangt met David Bowie op z'n allerhardst, 's middags verlaten mijn eigen kinderen me. Als ik heimwee heb, dan is het naar hún jonge jaren: dat ze naast me kruipen op de bank en zich nestelen onder mijn arm. Dat ik met ze ga fietsen en ze in hun zitje hele verhalen vertellen of liedjes zingen, tot ze opeens stil worden, hun hoofd tegen mijn rug leggen en in slaap vallen. Maar ik let even niet op en de jongen die zijn peuken uit het zolderraam schiet, is mijn zoon, in plaats van ikzelf, en ik probeer hem flink op z'n donder te geven, net als mijn vader deed bij mij, maar ik mis elke overtuiging.

Ik heb een stapel diadozen vol herinneringen - letterlijk, maar ook figuurlijk - maar zijn die wel van mij? Soms lijkt het alsof het leven van iemand anders achter me ligt. Er huizen allerlei verhalen in mijn geheugen, en een daarvan noem ik mijn eigen verhaal, maar hoe weet ik dat ik het was die op de stoep liep met een bord om zijn nek: 'geen snoep aub'? Ik herinner het me nog heel goed, maar misschien heb ik het wel ergens gelezen, ging het helemaal niet om een gereformeerd jongetje in Amersfoort omstreeks 1967, maar om het geesteskind van een of andere schrijver die ik ben vergeten.

Toch heb ik dat beeld nodig om te zijn wie ik ben. Ik ben de man die het jongetje was met een bijzondere instructie: voor dit kind geen snoep. Snoep, vonden mijn ouders, is niet goed voor kinderen.

Ik ben ook de man die de jongen was die na weer een verhuizing een nieuwe klas binnenkwam en naast de enige leerling moest gaan zitten die alleen zat: Peter met zijn rode haar. Die vlooien had, zeiden ze. Peter nam me mee naar de duinen - dit was Den Helder, het rotjaar 1971 - en begon daar te vechten, hij gooide me naar beneden, hij schopte, hij kneep, hij smeet met zand. Geen idee wat hem bezielde. Maar ik ben het niet vergeten.

Ik ben het ook die, een jaar of tien oud, in zijn eentje de boot naar Texel nam om op de fiets de begraafplaats van de Georgiërs te gaan bekijken. De meester had verteld hoe zij, bijna helemaal aan het einde van de oorlog, als krijgsgevangenen in opstand waren gekomen tegen de Duitsers - een zinloze, kansloze en zeer heldhaftige rebellie, waar ik zeker aan had meegedaan als ik in hun schoenen had gestaan. Natuurlijk. Maar nu was het koud op de fiets en er woei een harde wind. Toch zette ik door, ik zou niet thuiskomen zonder de Georgiërs te hebben gezien - ik had een pakje boterhammen meegekregen en genoeg geld om de overtocht te kunnen betalen, meer had ik niet nodig.

Ik fietste alleen over het verlaten eiland, slechts vergezeld door grote grijze wolken. Het duurde lang voordat ik de begraafplaats bereikt had, en toen ik er eindelijk was, wist ik niet goed wat ik er moest doen. Er viel eigenlijk niet veel te zien aan de rijen rozenperken waar de soldaten onder begraven lagen. Na een paar minuten vertrok ik weer. Het begon donker te worden, de boot was nog ver. Ik wou dat ik al aan boord was en de warmte van de restauratie kon opzoeken. Niet om iets te kopen, gewoon om uit te rusten. Maar ik moest eerst de weilanden weer in, hetzelfde lege land door, nu in omgekeerde richting. Handen op de stang van het stuur, hoofd weggedoken tussen de schouders, geen oog voor de schapen aan weerskanten van de weg of voor de rest van het landschap, zelfs niet voor het bord 'ONS EILAND VOOR DE HEILAND'.

Ik denk niet dat ik eerder zo lang alleen op pad was geweest, en ik was gelukkig en ongelukkig tegelijkertijd. Het kost me weinig moeite dat gevoel weer op te roepen, die wonderlijke mix van vrijheid en verlorenheid: alle kanten op te kunnen, niemand te hebben die het wat kan schelen. De positie van de buitenstaander, de voorbijganger, de reiziger. En toch vraag ik me af wie ik zie als ik terugkijk: ben ik de man die deze jongen was? Alles is anders, ikzelf, de wereld - wat is er gebeurd? Ik ren naar de kruidenier op de hoek om voor mijn moeder een zak melk te halen, en ik voel hoe koud en nat zo'n zak is, en hoe de melk klotst tijdens het rennen, en ik snap niet hoe het kan dat ík dat ben. Ik ben hier, een man van middelbare leeftijd aan zijn bureau in een omgebouwde garage, en dit is de tegenwoordige tijd: een lichaam dat krakend protesteert tegen een schrijvend bestaan - nek, schouders, rug, alles doet zeer. Als ik denk aan een hollende jongen met een zak melk, dan zie ik een bibberende film in zwart-wit en ik weet niet goed waarom de hoofdpersoon mij zo bekend voorkomt.

Bij mijn overgrootmoeder in Nieuwolda, bij wie we af en toe met opa en oma op bezoek gingen, moest je naar buiten om naar de wc te gaan. Poepen deed je op een houten ton met een ronde deksel. Heb ik dat gedaan? Ja. Ik weet nog hoe het er rook. En als ik mijn overgrootmoeder aankeek, zag ik ogen die de wereld van 1880 hadden gezien - haar geboortejaar. Grietje van der Ploeg heette ze. Ze kwam ter wereld in Wagenborgen en overleed 95 jaar later in Nieuwolda, een afstand van 4,9 kilometer. Ze was de moeder van Steffen, mijn grootvader, en van vijf dochters, van wie er twee vroeg na de geboorte overleden: Frouwina Geertje, geboren 3 januari 1908, gestorven 14 januari 1908, en Derkiena, geboren 6 december 1915, gestorven 8 december 1915. Die gegevens haal ik van internet; ik leef in het tijdperk dat strekt van poepdoos tot Google.

Even geef ik toe aan de gedachte dat ik een bijzondere generatie vertegenwoordig. Maar dan realiseer ik me dat mijn kinderen zullen lachen om mijn gevoel van modern-zijn; zij zijn alweer een tijdperk verder. Ze luisteren naar onbegrijpelijke hardcore housemuziek, terwijl ik blijf zoeken naar de klanken van vroeger, toen ik op de overloop zat van het oude huis.

Soms denk ik ze gevonden te hebben: de nocturnes van Chopin! Maar hoe betoverend ook, ze zijn het niet - hoe vaker ik ze beluister, hoe meer de herinneringen vervagen. Een fragment uit een lied van Brahms ('Da unten im Tale') brengt mijn moeder zo dichtbij dat ik haar niet alleen kan horen, maar ook zien - maar dat lied duurt één minuut en 58 seconden, dan is het weer voorbij, dan is ze weer weg. In Berlijn koop ik Mendelssohns 'Lieder ohne Worte' en een paar weken lang koester ik me in de zekerheid dat dit de muziek is die me uit bed deed stappen en de trap af sluipen - en vraag me niet waarom, maar er gaat troost uit van de gedachte dat deze klanken dezelfde zijn gebleven, wat er ook is gebeurd.

Als er toch iets niet klopt - en het duurt even voordat ik besef dat dat het geval is - wijt ik dat aan het verstrijken van de tijd: eerste ervaringen zijn niet herhaalbaar, dat mag ik zo langzamerhand toch wel weten. Maar uiteindelijk moet ik toegeven dat ik waarschijnlijk misleid ben door Mendelssohn - hij klinkt zo vertrouwd, hij had het kunnen zijn, hij laat je je ogen sluiten en je hoofd tegen de trapleuning leggen, en het is best mogelijk dat zijn 'Lieder' geklonken hebben, toen. Maar ze zijn niet wat ik zoek, wat ik zoek is iets anders, en ik wou dat ik wist wat het was.

Op verjaardagen zetten we glazen op tafel met sigaretten voor de gasten, Caballero zonder filter voor de mannen, Belinda menthol voor de vrouwen. We hadden wijn in pakken. Rosé Pinard. Koffie dronken we met een schepje Buisman. We aten macaroni met tomatenpuree en sponzige hamblokjes. Op brood hadden we cornedbeef, plakken karton met een lichte vleessmaak, en als we uit de band sprongen, op zaterdag, heel af en toe, dan gingen we met de snelkookpan naar de Chinees en lieten die vullen met nasi. Als we naar het strand gingen, namen we een gigantische blikken trommel mee vol boterhammen - die werden warm en kwamen vol zand te zitten, dat hoorde bij de zomer, daar was geen ontkomen aan en dat gaf ook helemaal niks. Tot ik een jaar of veertien werd en ik opeens zag dat het totaal verkeerd was om achter een windscherm te zitten, met een vader en moeder en allemaal kleine broertjes en zusjes, sommige voorzien van luiers. Erger nog: een vader te hebben die nooit aarzelde om groepjes jongens die muziek draaiden tot de orde te roepen. Ik denk niet dat het hem opviel dat ik onder mijn handdoek ging zitten in plaats van erop. Een jongen van zeventien te zijn en met je vrienden op het strand te zitten met de radio aan! En dan bier drinken uit een flesje en boeren laten en ordinaire dingen roepen naar voorbijlopende meisjes! Dat zou wel nooit voor mij zijn weggelegd.

Ik moest het doen met een heel klein transistorradiootje, waarmee ik naar piratenzenders luisterde. Radio Caroline, Veronica. Andere jongens hadden installaties - Kenwood, Yamaha, Marantz - maar met mijn radiootje kon het ook. Zolang maar niemand zag dat ik intussen, om geld te verdienen, met potjes bejaardenpies door de stad fietste. Ik bracht de potjes van bejaardentehuis De Esdoorn - waar later mijn oma terecht zou komen, klagend over al die oude mensen tussen wie ze haar hadden gestopt - naar verschillende huisartsen. Het tehuis betaalde uit in cadeaubonnen, waarmee ik bij de V&D nutteloze dingen kocht - nijptangen, druipkaarsen, ovenhandschoenen, slagroomspuiten, kaasraspen, theemutsen - die ik in één moeite door tegen contant geld inruilde bij de afdeling klantenservice.

Als ik in de herfstvakantie logeerde bij mijn opa en oma in Hoogkerk, zag ik de schepen vol suikerbieten door het Hoendiep gaan, ze woonden pal aan het kanaal, niet ver van de suikerfabriek. Dat heeft niets met de pispotjes te maken, het schiet me zomaar te binnen. Het geheugen legt verbanden die er helemaal niet zijn, en zodra dat is gebeurd, is er niets meer aan te doen. Ik herinner me dat mijn oma nougat kocht op de kermis, terwijl we daar absoluut niet mochten komen. De kermis, dat was de wereld. Als het winter was, gingen we alle dagen schaatsen en dat deden we op houtjes, die wild heen en weer schoven onder onze regenlaarzen. Op voetbal mochten we niet, dat was goddeloos, en een spijkerpak was ook verboden; uniform van de wereld. Ons haar was fris en kort. Niet over de oren. Kwam ik van de kapper thuis zonder bevredigend resultaat - had ik 'gedekt' besteld in plaats van 'kort' - dan werd ik teruggestuurd.

We hadden een dominee die soms, als ze heel vervelend waren, de catechisanten sloeg. Mijn kinderen weten niet eens wat het is, maar ik leerde elke week een vraag en antwoord uit de Heidelbergse Catechismus uit het hoofd.

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met Zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost.

Jaren later vroeg de directeur van de Evangelische School voor Journalistiek ons op te schrijven wat het betekende christen te zijn, of iets in die geest, vermoedelijk geformuleerd als: 'Schrijf op wie Jezus is voor jou.' Ik produceerde een tekst die nauwelijks afweek van de catechismus, het 'eigendom-niet-van-mijzelf ' kwam vrijwel letterlijk terug, en de directeur was uiterst teleurgesteld. Dít was niet de bedoeling, hij had een persoonlijk antwoord gewild, een authentiek getuigenis. Maar ik wist heel goed dat de waarheid - dat ik geen flauw benul had wie Jezus voor mij was - verboden was; zoiets zei hier niemand, nooit, zelfs niet in gedachten. Je kon God hier wel vinden, maar niet zoeken.

Soms wilde ik dat ik nooit van Hem gehoord had. Dan had ik Hem zelf kunnen ontdekken.

Soms wilde ik dat Hij niet bestond. Dan hoefde ik me nergens druk om te maken.

Soms wilde ik dat ík niet bestond. Dan kon ik ook niet verloren gaan.

Ik ben de oudste van tien kinderen, van wie er drie niet in leven bleven. Ik ben de man van een vrouw die weet wie Jezus voor haar is. Ik heb een dochter begraven en ik heb een zoontje weggelegd zien worden. Ik heb drie kinderen: twee zonen - de jongste geboren na de dood van Evy - en een dochter.

Dat is mijn cv.

Stevo Akkerman: 'Donderdagmiddagdochter', Nieuw Amsterdam, 160 blz., euro 16,95

Biografie

Stevo Akkerman (1963) is chef buitenland van Trouw. Van zijn hand verschenen eerder de romans 'Vals weerzien' en 'De inboorling'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden