Jezus verkondigde cynische levensstijl/Vrijheid en afkeer van valse schijn kenmerken de cynicus

Wat is een cynicus? “Iemand die de prijs weet van alles, en de waarde van niets”, zei Oscar Wilde. Wilde doelde daarmee op het cynisme in de tegenwoordig gangbare betekenis van het woord. Het cynisme dat sarcastisch de mogelijkheid van het goede ontkent. Maar oorspronkelijk betekent 'cynisch' iets heel anders. Het komt van het Griekse woord voor hond: kuoon. 'Hond' was de bijnaam die Diogenes van Sinope kreeg vanwege zijn schaamteloze gedrag. De filosofen die hem navolgden, aanvaardden dat scheldwoord als geuzennaam en noemden zich 'cynici'.

De cynici propageerden een eenvoudige en natuurlijke levenswijze en deden afstand van alles wat de innerlijke vrijheid maar in de weg kon staan: bezit, lust en macht, en alle conventies. Ze maakten de hypocriete samenleving met haar wetten en gewoonten belachelijk. Daarbij gedroegen ze zich inderdaad vaak hondsbrutaal. Diogenes masturbeerde op het marktplein, en Crates bedreef de liefde met zijn vrouw op straat.

De cynische beweging gaat terug op Antisthenes, een leerling van Socrates, en heeft vooral naam gemaakt met diens leerling Diogenes over wie talrijke anekdotes bestaan. Diogenes die leefde in een ton, die Alexander de Grote vroeg uit zijn zon te gaan en die op klaarlichte dag met een lantaarn op de overvolle markt tevergeefs een mens zocht.

In zijn boek Messiaans cynisme plaatst de hervormde predikant Ad Krijger de opvattingen van Diogenes tegenover de leer van diens tijdgenoot Plato. Volgens Plato leeft de mens op aarde in een schijnwereld, en is de ziel pas echt thuis in de bovenzinnelijke wereld waar ze toegang heeft tot het Ware, het Goede en het Schone. Daar moest Diogenes niets van hebben. De ware wijze leeft in overeenstemming met de natuur. De vraag of zich achter of boven die natuur nog iets bevindt, vond hij zinloos. Deze 'gek geworden Socrates' (Plato) was antimetafysisch en had geen belangstelling voor godsdienst. Waar het hem om ging was het oorspronkelijke, eenvoudige, natuurlijke leven hier en nu terug te vinden.

Krijger vertelt dat het cynisme van Diogenes in de Romeinse keizertijd tot grote bloei kwam. De cynische straathonden zwierven door het hele rijk en werden gewaardeerd door stoïcijnen als Seneca en Epictetus. Echo's van hun cynische geblaf hoort Krijger bij Villon, Rabelais, Voltaire, Heine en Nietzsche. De treffendste verwoording van het klassieke cynisme is de uitroep van het kind in het sprookje van Andersen: 'Maar de keizer heeft helemaal geen kleren aan.'

Krijger ontvouwt in zijn boek een stelling die de Duitse filosoof Peter Sloterdijk eerder zo formuleerde: “De cynische impuls is ook actief geweest in Jezus, de rustverstoorder bij uitstek, en in alle ware nakomelingen van de Meester.” Voor de ongelovige Sloterdijk is zo'n uitspraak gemakkelijker dan voor een hervormde predikant. Krijger heeft wat meer uit te leggen.

Hij vertelt eerst dat Jezus vertrouwd was met het chassidisme van zijn tijd, een joodse vroomheidsbeweging die niets moest hebben van de geleerdheid van de farizeeën, en de nadruk legde op daden, op het liefhebben van God en de naaste in het dagelijks leven. Door de daden van de gelovigen blijft de wereld bestaan, was de gedachte. Deze chassidim vertrouwden op de komst van God zelf waardoor iedereen verlicht zou worden en de doden zouden herrijzen. Krijger laat zien dat de leer van Jezus hier nauw bij aansluit. Het meest treffende is wel dat de chassidim een mens die werkelijk leeft naar Gods wil een 'zoon van God' noemden. Krijger zegt dat Jezus God wil doen ervaren als nabije Vader, waardoor een mens concreet gaat leven als een koningskind. “Daarom noemde Petrus hem: Messias, zoon van God.”

Dan legt Krijger uit dat Jezus ook de cynische beweging moet hebben gekend en ook daardoor beïnvloed is. Dat is minder overtuigend. De chassidim en Jezus lijken in sommige opzichten inderdaad op de cynici, maar ze verschillen er in één belangrijk opzicht van: ze geloven in God en in de spoedige komst van Gods Rijk op aarde. Krijger weet dat ook wel. Ondanks al hun overeenkomsten “zijn Diogenes en Jezus ten diepste onvergelijkbaar”.

Het belangrijkste dat Jezus gemeen heeft met de cynici is zijn afkeer van de gangbare godsdienstige regels en gebruiken, bijvoorbeeld van de graf- en dodencultus. Diogenes stelde voor zijn lijk maar in de rivier te gooien, 'dan hebben mijn vriendjes de vissen er nog wat aan'. En Jezus antwoordde een man die aarzelde hem te volgen omdat hij eerst zijn vader moest begraven: 'Volg mij, en laat de doden hun doden begraven.' Jezus is hier in feite hondser dan Diogenes. Hij heeft het immers niet over zijn eigen lijk, maar over dat van de vader van een ander. Krijger praat het goed. De gestorven vader had blijkbaar zo'n obsederende macht over de man dat het diens vrijheid inperkte en 'vrijheid is kenmerkend voor de cynisch messiaanse levensstijl van Jezus'.

Jezus' cynische afkeer van valse schijn zou ook tot uiting komen in zijn fulmineren tegen de offercultus in de tempel. Jezus voorspelde de verwoesting van de tempel en de ondergang van Jeruzalem en stemde daar volgens Krijger ook mee in. De vervloeking van de vijgeboom zou hier een beeld van zijn. De evangelist Marcus beschrijft hoe Jezus een vijgeboom inspecteert om te zien 'of hij er misschien iets aan kon vinden'. Als dat niet zo is, 'het was trouwens niet de tijd van vijgen', vervloekt hij de boom. Overdreven? Nee, zegt Krijger. Jezus dacht dat de nieuwe orde van het Koninkrijk Gods aan het doorbreken was, en dat er dus een overweldigende vruchtbaarheid moest aanbreken. De vijgeboom logenstraft die verwachting en verdient daarom straf. Zo ook was het winstgevende tempelbedrijf een ontkenning van het Koninkrijk Gods en daarmee even schuldig als de boom. Daarom zou die tempel verwoest worden. Volgens Krijger werd Jezus vermoord door de joodse tempelautoriteiten omdat hij 'hun religie, hun heiligdom, hun macht aantastte'.

Het voorbeeld van de vijgeboom maakt ook een verschil duidelijk tussen Jezus en de cynici. Krijger vindt dat beiden een 'ontmaskerende humor' hebben, maar om Jezus valt toch niet echt te lachen. Hoewel. Diogenes zou vast en zeker dubbel hebben gelegen om iemand die in alle ernst een boom vervloekt.

Uiteindelijk komt Krijger met een visie op de boodschap van Jezus, die sterk lijkt op de cynische levenshouding. Krijger meent dat de essentie van het laatste avondmaal besloten ligt in de woorden 'dit is mijn lichaam'. Het Koninkrijk Gods dat Jezus voorspelde moeten we volgens hem 'concreet, lichamelijk, aards' opvatten. Jezus belichaamt het ware menszijn naar Gods bedoeling. Als we ons de geestesgesteldheid van Jezus eigen maken, dan zullen we ervaren dat zijn Koninkrijk de alledaagse werkelijkheid is. Dat 'eigenmaken' gebeurt door zijn lichaam te eten en zijn bloed te drinken.

In de opvatting van het rijk Gods als een aardse aangelegenheid die hier en nu ervaren kan worden, verschilt Jezus inderdaad nauwelijks meer van Diogenes. En evenmin van bijvoorbeeld het taoïsme. Het enige verschil is volgens Krijger dat Jezus erop vertrouwde 'dat spoedig zou blijken dat alles schepping van God is'. Maar is dat wel het enige? Krijger laat zelf weten dat Jezus zijn eigen lijden en sterven wilde. Zoiets kun je je van een cynicus toch niet goed voorstellen en het is ook moeilijk verenigbaar met Krijger's aardse voorstelling van het Rijk Gods.

Hoe Krijger zich het 'ware menszijn naar Gods bedoeling' precies voorstelt, wordt wat duidelijker bij zijn behandeling van Paulus. Want ook Paulus was volgens Krijger een klassieke cynicus. Evenals Diogenes keerde Paulus zich tegen de maatschappelijke regels, in zijn geval tegen de joodse wetspraktijk. Die wetten zijn immers maar menselijke regels en wie sterk staat in het geloof is er niet aan gebonden. De ongeschreven wet komt van God en wie 'in Christus' is, is vrij, zo verwoordt Krijger met instemming de opvattingen van Paulus.

Hier heb ik toch wat twijfels. Voor zover Jezus of Paulus of Krijger de ongeschreven wet van God kennen, is het dan nog wel de wet van God, en niet evenzeer mensenwerk als de geschreven wetten? En onderschat Krijger niet de grote voordelen van geschreven wetten? Ze vormen een richtsnoer, een leidraad, je kunt ertegen argumenteren, je kunt ze bijstellen, verbeteren. Een ongeschreven wet verplicht tot niets en is in zijn ongrijpbaarheid niet ongevaarlijk. Hij kan eenieder die denkt dat hij een speciale toegang tot God heeft, een rechtvaardiging verschaffen voor wat volgens de geschreven regels onfatsoenlijk is of misdadig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden