Jezus als arrogante wijsneus

Hij weet hem in zijn greep te krijgen met plaatjes van naakte vrouwen, sterke drank en goocheltrucs

In een recente brief van J.M. Coetzee aan Paul Auster komen we de volgende verzuchting tegen: "Als ik voor de keuze word gesteld tussen een alledaagse roman lezen en bladeren harken in de tuin, dan denk ik dat ik voor bladeren harken zou gaan. [...] Ik moet zeggen dat ik mijn geduld verlies met fictie die niet iets probeert wat nog niet eerder is geprobeerd, liefst met het medium zelf."

De eis die Coetzee aan andermans fictie stelt, laat hij ook voor zijn eigen werk gelden. Hoe pakt dat uit in zijn nieuwe boek? De titel, 'De kinderjaren van Jezus', wekt de verwachting dat het hier gaat over de gelijknamige prediker die zich regelmatig bediende van de gelijkenis of parabel, het genre dat met behulp van een verhaal een boodschap overbrengt. Het is dus niet vreemd dat ook Coetzee voor deze vorm heeft gekozen.

'De kinderjaren van Jezus' bevat de geschiedenis van een weeskind (David) en een man van middelbare leeftijd (Simón) die als immigranten terechtkomen in een ogenschijnlijk Zuid-Amerikaans land. Aan boord van het schip dat hen van de oude naar de nieuwe wereld vervoert, heeft Simón zich over David ontfermd.

Het verhaal mag dan rechttoe rechtaan worden verteld, toch maakt Coetzee volop gebruik van de allegorische en symbolische mogelijkheden die de parabel biedt. Hij speelt nadrukkelijk met namen en bijbelplaatsen. Ook verwijst hij nadrukkelijk (maar zonder bronvermelding) naar filosofen als Heraclitus en Leibniz en citeert uit Goethe's gedicht 'Der Erlkönig', 'Don Quichot' en vele andere werken uit de wereldliteratuur.

Coetzee permitteert zich één belangrijke afwijking van de gelijkenis zoals we die uit het evangelie kennen. Hij legt zijn boodschap niet uit, maar verhult die juist. Anders dan de titel suggereert, komt de Jezusfiguur hier niet voor. Evenmin speelt het verhaal zich af in het Palestina aan het begin van onze jaartelling. We bevinden ons in een diffuse tijd en ruimte.

Als Simón en David, als waren ze de legendarische heilige Christoffel en het Jezuskind, aan de overkant van het water zijn gekomen, heet het dat ze net als alle andere nieuwkomers zijn schoongewassen van hun verleden. In een opvangcentrum leren ze Spaans en worden ze doorverwezen naar werk en huisvesting. Soepel gaat dat niet. De bureaucratie doet denken aan de labyrintische wereld van Kafka, waar Coetzee in zijn werk regelmatig naar verwijst. Simón vindt in de haven een baantje als zakkensjouwer en wordt al snel opgenomen in de kring van zijn collega's, die anders dan verwacht geen ruwe klanten zijn, maar welwillende en meelevende kameraden. Ze lenen zelfs het oor aan David, die hen verbaast met zijn intelligentie en eigengereidheid - hoedanigheden die herinneren aan de twaalfjarige Jezus die zonder toezicht van zijn ouders de discussie met de schriftgeleerden aanging.

Simón heeft maar één enkele missie: hij moet David helpen om zijn moeder te vinden. Afgaande op zijn intuïtie draagt hij het kind over aan de ongetrouwde Inés, hoewel aanwijzingen ontbreken dat ze zelfs maar in de verte aan hem verwant is. Ook dit detail knoopt op een indirecte manier aan bij het evangelie. Daar wordt Maria vaderloos zwanger.

Als Inés eenmaal gegrepen is door het moederschap, gaat ze er helemaal in op. Ze ziet David naar de ogen als was hij God zelf. Maar hij raakt in de ban van een zekere Daga, een duistere figuur die stelselmatig de gevestigde orde uitdaagt. Die weet David in zijn greep te krijgen met afbeeldingen van naakte vrouwen, sterke drank en goocheltrucs. Hij lijkt op Goethe's elfenkoning die een vader zijn kind probeert te ontstelen. Dat ook Inés gevoelig is voor de bekoring die van Daga uitgaat, blijkt uit haar verlangen om zwanger van hem te worden.

Ondanks Inés' tegenstand moet David op zijn zesde naar school. Hij gedraagt zich er zo onaangepast dat een Jeugdzorgachtige instantie hem wil overplaatsen naar een internaat. Voor het zo ver komt besluiten Simón, Inés en David te vluchten, daartoe in staat gesteld door een donatie van Daga. Die heeft ook een geschenk meegegeven voor David. Het blijkt een goochelset te zijn, met daarin een mantel en toverpoeder die onzichtbaarheid beloven.

Als David het poeder volgens Daga's instructies in brand steekt, ontstaat er een steekvlam die zijn hand verbrandt en zijn gezichtsvermogen aantast.

De plaats waar dit incident zich voltrekt, doet denken aan de stal van Bethlehem. Ook beluisteren we hier de echo van Coetzee's verhaal 'Aan de poort', waar de flits van een magnesiumvuur Elisabeth Costello's overgang van de ene naar de andere wereld markeert.

Vervolgens pikt het trio een lifter op die luistert naar de naam Juan (en daarmee Johannes de Doper dan wel Johannes de Evangelist belichaamt). Met zijn fascinatie voor de getallenmystiek maakt hij zoveel indruk op David dat die hem uitnodigt om hem en zijn ouders te vergezellen, zoals Jezus ooit zijn discipelen uitnodigde. Daarmee zijn we bij het slot beland, en tegelijkertijd bij het einde van Davids en Jezus' kinderjaren.

Coetzee's roman puilt uit van sleutels die toegang geven tot een interpretatie. Toch lijkt elke duiding voorlopig en onvolkomen. Want elke mogelijke betekenis wordt op een zeker ogenblik ook weer ondermijnd en ontkracht.

Zo zou je dit boek kunnen lezen als een kritiek op het christendom en de figuur van Jezus, gelet op de omstandigheid dat die geïncarneerd lijkt in een arrogante wijsneus. Vanwege zijn affiniteit met Daga is David eerder een antichrist.

Ook andere verhaalelementen wijzen erop dat we ons bevinden in een wereld die wezensvreemd is aan wat we gewoonlijk als christelijk beschouwen. De door Simón uitgezochte moeder Gods is een kille en onaangename vrouw en beslist geen liefdevolle middelares zoals Maria. De andere bewoners van deze 'Brave New World' leven ascetisch, nemen afstand tot hun fysieke behoeften, benadrukken de noodzaak van rechtvaardigheid en naastenliefde, maar zijn gespeend van passie en emoties. Ze accepteren voorspoed en tegenslag met dezelfde gelijkmatigheid.

Voor een alternatieve uitleg van 'De kinderjaren van Jezus' zouden we ons uitgangspunt kunnen kiezen bij Coetzee's eigen leven. Niet voor niets herinnert de titel van de nieuwe roman aan het autobiografische 'Jongensjaren'. En in Kannemeyers onlangs verschenen biografie zijn veel aanwijzingen te vinden voor Coetzee's eigenaardige verhouding tot zijn ouders en het fundamenteel door hem ervaren vreemdelingschap, waar hij zich ook bevindt. Ook werd hij bij afwezigheid van zijn vader door zijn moeder als een prinsje behandeld.

Een derde mogelijkheid om deze parabel uit te leggen sluit aan bij het al genoemde verhaal 'Aan de poort'. Dat begint ermee dat Coetzee's alter ego, de schrijfster Elisabeth Costello, arriveert bij een hek dat toegang geeft tot een gebied waar ze per se toegang wil krijgen.

Maar voor ze naar binnen mag, moet ze eerst een gerechtelijk onderzoek doorstaan, waarbij het eens temeer lijkt alsof ze zich op de drempel tussen leven en hiernamaals bevindt. Ze krijgt het verwijt dat ze als auteur te weinig betrokken was. Als ze zich verweert met het argument dat een schrijver nu eenmaal geen leverancier van eenduidige boodschappen en heldere aanbevelingen is, maar eerder een advocaat van kwade zaken die schijnbaar eenvoudige dingen toont in hun verbijsterende complexiteit, vindt ze hoegenaamd geen gehoor.

Maar juist dat door haar verwoorde inzicht zou een aanbeveling kunnen zijn om de complexiteit van Coetzee's nieuwe roman zoveel mogelijk intact te laten.

J.M. Coetzee: De kinderjaren van Jezus (The Childhood of Jesus) Vertaald door Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam; 318 blz. € 19,90

Een schip met immigranten in Italië. Waar 'Het leven van Jezus' zich afspeelt blijft diffuus, al is er sprake van iets moderns als een opvangcentrum.

Andere tegendraadse visies op Jezus' leven
J.M. Coetzee's nieuwe roman 'De kinderjaren van Jezus' staat in een lange traditie van alternatieve of zelfs confronterende versies van het leven van Jezus. In het apocriefe, uit de Oudheid daterende 'Kindheidsevangelie van Thomas' (dat Coetzee misschien als bron heeft gebruikt) leren we de jonge Messias kennen als een eigengereid, driftig en zelfs gemeen ventje, dat zijn bovennatuurlijke krachten gebruikt om wraak te nemen op leraren, buren en andere kinderen, die hij blind maakt, verminkt of zelfs vermoordt.

Vele eeuwen later schreef de Portugese auteur José Saramago 'Het evangelie naar Jezus Christus' (1991), waarin wordt gesuggereerd dat Gods zoon weet had van het kwaad en de seksualiteit. Enige decennia eerder lanceerde Robert Graves in 'Koning Jezus' (1946) de theorie dat Jezus als afstammeling van David een gooi deed naar de heerschappij over Israël en om die reden werd gekruisigd. De Vlaamse schrijver Paul Claes knoopte met 'De zoon van de panter' (1996) aan bij het oude en hardnekkige gerucht dat Jezus' vader een Romeinse soldaat was. In het meest recente voorbeeld van deze creatieve herschrijvingen, gepubliceerd in 2010, liet Philip Pullman Maria een tweeling ter wereld brengen waarvan de ene helft 'de goede man Jezus' wordt en de andere 'de schurk Christus'.

Coetzee's vreemde verhouding tot zijn ouders verheldert ook iets van dit verhaal over een weesjongen, die een nieuwe moeder vindt

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden