Jeuk is nog het minste

Tot in de jaren vijftig bleven Nederlandse schrijvers gewoon thuis. Ze hadden genoeg aan hun fantasie. Pas eind vorige eeuw trokken hele drommen de grens over, met subsidie van het Fonds voor de Letteren.

Rob Schouten (1954) schrijft essays, recensies, romans en poëzie, in 2012 verscheen de bundel 'Zware pijnstillers'. Als literair criticus en columnist is hij verbonden aan Trouw.

'Ik zou in een vliegtuig kunnen stappen en naar Shanghai vliegen, ik zou scheep kunnen gaan en naar Port Churchill in de Hudsonbaai varen, ik zou in een auto kunnen stappen en naar Parijs rijden. Geld heb ik immers genoeg? Ik zou mijn hele leven kunnen reizen en altijd in hotels slapen en in restaurants eten. Ik zou duizenden mij nu nog onbekende mensen de hand kunnen schudden en zeggen: 'Goedemiddag, hier ben ik, Maarten Biesheuvel', of: 'Bonjour, me voilà, Maarten Biesheuvel.' Ja, ik zou het allemaal makkelijk kunnen doen en ik vraag me af waarom ik er niet toe overga. Hier op mijn kamer zijn ladenkasten vol met hangmappen, ja ik weet precies hoeveel hangmappen ik heb: twaalfhonderd! In iedere hangmap hangt een verhaal, soms is het verhaal vier, soms zeventig bladzijden lang (mijn uitgever heeft me aangeraden om de markt niet te overvoeren). Ik verdien veel geld, genoeg om ervan te reizen. Vanuit Sevilla zal ik mijn vrouw de opdracht geven om een aardig boek samen te stellen van ongeveer tweehonderd pagina's, een jaar later zal ik haar vanaf een der Falkland Eilanden dezelfde vraag stellen en ga zo maar door. Eva immers zal niet met me mee kunnen reizen omdat ze de geit heeft, de hond, de katten, de konijnen en de egels om voor te zorgen. Ik zou aprepee zeggen: 'Moesten er geen dieren zijn, mijn vrouw zou met me meevoyageren!' Ik ga niet reizen. Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer."

Zo begint het verhaal 'Reis door mijn kamer' van Maarten Biesheuvel. De titel zegt het al, in plaats van groots en meeslepend te reizen reist Biesheuvel in het klein, namelijk door zijn studeerkamer en laat hij de lezer zien waar alles staat, zodat die het met zijn eigen kamer kan vergelijken. Daarmee lijkt hij mij een trouwe volgeling van Blaise Pascal die vond dat "alle ellende van de mensen maar één oorzaak (heeft), namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven". Of misschien spiegelt hij zich aan 'À Rebours' van Joris-Karl Huysmans, met de excentrieke Des Esseintes die niet van zijn Parijse landgoed is af te slaan maar die op een dag, na het lezen van Charles Dickens, naar Londen wil afreizen maar op het laatst door een gevoel van lusteloosheid wordt overvallen: "Waarom zou je je verroeren als je zo voortreffelijk vanuit je stoel kunt reizen?"

Biesheuvels kamerreisje uit 1984 lijkt een commentaar op het vele grote reizen dat eind vorige eeuw tamelijk plotseling onder schrijvers in zwang raakte. Tot in de jaren vijftig kwamen onze auteurs niet erg in beweging, ze zaten thuis en werkten aan hun oeuvre.

Het is een houding die schrijvers als Biesheuvel en Maarten 't Hart welgevallig is: schrijvers zijn sedentair in plaats van nomadisch. Maarten 't Hart schreef een bundel 'Dienstreizen van een thuisblijver' waarin hij, op overigens vrolijke wijze, de verschrikkingen beschrijft die je te wachten staan als je als schrijver je eigen huis verlaat: contact met andere schrijvers, onbegrip, verkeerde muziek. Je kunt maar beter thuis blijven.

Op een paar uitzonderingen na - Couperus, Du Perron (met hun Indische roots alhaast voorbestemd tot reizen) en natuurlijk beroepsreiziger Slauerhoff - zat de Nederlandse schrijver vroeger vooral achter zijn bureau. Dat betekent niet dat het buitenland hem niet interesseerde, maar hij kwam er niet. Neem Simon Vestdijk. Schreef romans over Spanje, Ierland, Jamaica, landen waar hij nooit naar toe ging. Karakteristiek is dan ook dat het allemaal historische romans zijn. Zo hoefde hij niet precies te weten hoe die landen er in zijn eigen tijd bij lagen. De historische setting permitteerde hem als het ware om erover te fantaseren. Wat voor prozaschrijvers opgaat, geldt misschien verrassenderwijs nog meer voor dichters.

Tot aan de jaren vijftig werden er in de Nederlandse literatuur nauwelijks reisgedichten geschreven. Zelfs de eigen huis- of studeerkamer, zoals bij Biesheuvel, lijkt de gevoelige zielen al te veel: hoogstens reisden ze door hun eigen gedachten, hun bovenkamers. Jacques Perk bekreunde zich in de Ardennen over zijn liefde voor Mathilde maar óver de Ardennen schreef hij niet. Adriaan Roland Holst, dichter van het beroemd geworden 'Zwerversliefde' uit 'Voorbij de wegen', is slechts een denkbeeldige reiziger, op zoek naar "een rijk, dat wij verloren achter den tijd".

Een karakteristiek gedicht is 'Westerbouwing' van F.W. van Heerikhuizen dat mij altijd is bijgebleven omdat de locatie die het beschrijft, het voormalige pretparkje Westerbouwing bij Arnhem, ook míjn eerste kennismaking met het romantische landschap was:

Het helderkoele vergezicht

Met de rivier die even rimpelt

En weiden glanzend in het licht

Tot waar 't geboomte ze bewimpelt

En klimt als in het buitenland

In een romantisch snelle stijging

Aan elk natuurgevoel verwant

Door aangename loofvertwijging

Tot het terras waar men wat drinkt,

Een kind der aarde, half ontheven

Aan wat aan alle zijden blinkt:

De stille doolhof van het leven.

De vooroorlogse schrijver was al op reis wanneer hij zich in Nederland een beetje 'als in het buitenland' kon wanen.

Na de Tweede Wereldoorlog beginnen schrijvers daar in snel tempo anders over te denken. Trouwens heel Nederland ging in die tijd voor het eerst de grens over, met de 'bermtoerisme'-plaid langs de snelweg, richting Duitsland, Zwitserland, de C¿te d'Azur. Ook de schrijver verliet in de jaren vijftig zijn zolderkamertje om naar Parijs te gaan, dichtbij en goedkoop, je kon ernaartoe liften en voor een habbekrats kon je er in een zwarte trui naar jazz luisteren en in kroegen over het existentialisme bomen.

Het is dan ook niet toevallig dat de CPNB in de Boekenweek van 1949 de dichtbundel 'De muze op reis' uitbracht - het zou een gewild boekenweekthema blijken. In 1975 zou het 'Reizen en lezen' heten, in 1991 'Schrijvers op reis' , dit jaar is het opnieuw 'Reizen'.

In 1955 verscheen de eerste heuse Nederlandse reisroman, 'Philip en de anderen' van Cees Nooteboom, over een romantische tocht door Europa die de schrijver zelve rond zijn twintigste al liftend had ondernomen, zogenaamd op zoek naar een geheimzinnig meisje, maar eigenlijk om de wereld en de werkelijkheid te leren kennen. En de wereld, dat was niet meer het benauwde grotestadsmilieu van Gerard Reve's 'De avonden', zij strekte zich uit van de Noordkaap tot de Provence.

Het reizen om het reizen zelf werd ontdekt, zelfs een souvenir voor de thuisblijvers kon er al niet meer af, getuige het einde van Noote- booms queeste: 'Heb je iets voor me meegebracht?' 'Nee oom', zei ik, 'ik heb niets voor u meegebracht.'

Maar de ware uittocht vindt in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw plaats. In 1965 was, op initiatief van de schrijvers zelf, het Fonds voor de Letteren (nu Nederlands Letterenfonds) opgericht dat met geld van de overheid stipendia ging toekennen aan schrijvers, waardoor die een soort basisinkomen kregen, zich makkelijker vrij konden maken van ander werk en zich op de letteren toeleggen.

Op de letteren ja, maar ook op het reizen, want sinds de jaren zeventig kreeg de nomadische zwerversgeest, vroeger vooral een romantische droom, nu ook daadwerkelijk vat op de Nederlandse schrijver. Met het geld en vooral ook de tijd die hem door de Nederlandse overheid gegund werd, trok hij naar het buitenland. Niet langer naar hippe kunstenaarskolonies in Parijs, zoals de Vijftigers, maar de wijde wereld in. Hier, uit de debuutbundel van Arjen Duinker 'Rode oever' uit 1988:

wat is dit een mooi land!

natuur! vertier!

water! bloemen en planten en dieren!

wat een mooi land! zee! bergen! heuvels!

marmotten! kleine hutten waar je kaas kan eten!

musea! kerken! klederdrachten! hotels! alles is er!

wat een land! casino's! straten! bramen!

sinaasappels!

ooooooh!

Maar waar in hemelsnaam ligt dit paradijsje? Wie dit quasi-euforische reisgedicht wat nader bekijkt, ziet toch vooral een ironische utopie. Want geheel volgens het sinds Dante geldende devies dat de hel nu eenmaal boeiender is dan het paradijs, lijken de reizen van Nederlandse schrijvers vaak meer op hellevaarten dan op wat anders. W.F. Hermans werd met 'Nooit meer slapen' de beschermheer van de mislukte reis: een hoofdpersoon die naar Lapland vertrekt om daar gedurende slapeloze nachten door muskieten lek te worden gestoken en er niks van zijn gading aan te treffen.

Cees Nooteboom, die zich in de loop der jaren tot Neerlands grootste literaire reiziger ontwikkelde, schreef ooit de regel 'Nergens veiliger dan in het Hilton. / Hij schikt zijn vederdons en schrijft een versje', maar van die comfortabele houding is de gemiddelde Nederlandse schrijver niet gediend. Hij zoekt het avontuur op en dat avontuur is ontbering.

De schrijver H.C. ten Berge, vol antropologische belangstelling, wist zich daarbij nog aan barre oerlandschappen en natuurvolkeren als de Eskimo's en de Azteken te laven, maar jongere schrijvers die in zijn voetsporen met schrijversstipendium of reisbeurs op zak de wijde wereld intrekken, komen vooral heel veel ellende en tegenslag tegen.

De gemiddelde stemming lijkt nogal op wat de Zwitsers-Engelse schrijver-filosoof Alain de Botton opschreef in 'De kunst van het reizen' toen hij naar nota bene Barbados afreisde: "Mijn lichaam en geest bleken nukkige reisgezellen waar het de waardering voor mijn bestemming betrof. Mijn lichaam had moeite met slapen, klaagde over hitte, vliegen en moeilijk verteerbare hotelmaaltijden. Mijn geest bleek zich vooral bezig te houden met angst, verveling, vaag verdriet en financiële zorgen."

Neem Philip Snijder in 'Retour Palermo'. Samen met zijn vriendin reist de hoofdpersoon naar Sicilië, ze missen de boot, belanden tussen een stel hippies die ze tegen hun zin overal mee naartoe slepen terwijl ze er geen woord van verstaan. Hij wordt wegens dronkenschap door de Siciliaanse politie opgepakt en ternauwernood ontzet. Een van de hippies slaapt met zijn vriendin, zelf wordt hij afgepoeierd door een ex uit een vorige vakantie enzovoort en zo verder. Het is een en al misverstand en teleurstelling.

Ook bij Pia de Jong in 'Lange dagen' gaat het goed mis. Je moet ook niet naar Lapland willen, weten we sinds Hermans, zeker niet met het hele gezin. Het wordt een enge en naargeestige overlevingstocht met een geobsedeerde vader die, net als de hoofdpersoon in Paul Theroux' befaamde 'Mosquito Coast', zijn vrouw en kinderen dwingt hem te volgen door de barre natuur.

"Muggen zwermden als donkere wolken om ons heen. De geweerolie maakte het alleen maar erger. Ik had de laatste dagen zoveel gekrabd dat ik overal kleine wondjes had gekregen, die door de olie waren gaan ontsteken. Mijn gezicht was pijnlijk gezwollen. De muggen kropen overal naar binnen."

Of neem Toine Heijmans, in wiens roman 'Op zee' de hoofdpersoon met zijn zeilboot het ruime sop kiest om tot inzicht en loutering te komen maar hij neemt zijn dochtertje mee, dat overboord slaat. Of toch niet? Hallucineert de zeiler maar een beetje? Hoe dan ook, gelukkiger wordt hij niet van zijn oceanische escapisme.

Dan lijkt Frankrijk nog een veilige bestemming. Maar ook daar is de reiziger allerminst safe. In het verhaal 'De bijeneters' uit de gelijknamige roman van Peter Terrin blijkt de vrouw van het reizende stel een fotorolletje waarop de man de zeldzame bijeneters denkt te hebben vastgelegd, niet goed in het toestel te hebben gedaan. Niks foto's van bijeneters dus. "Ik neem geen foto's meer, niet één, voor de rest van de vakantie. Eigenlijk wil ik naar huis. En zeg nu in godsnaam niet dat ik dat niet meen of ik sla je in je gezicht!" En dan heb ik het nog niet over de jeuk en de rode vlekken die ook dit schijnbaar onschuldig vakantiereisje oplevert.

Helemaal verkeerd loopt het af met de hoofdpersoon uit 'De man zonder ziekte' van onze moderne Odysseus Arnon Grunberg, die naar het Midden-Oosten afreist om daar als spion geëxecuteerd te worden.

Het is zonneklaar dat Nederlandse auteurs allang geen genoegen meer nemen met de onschuldig romantische zoektochten naar levenswijsheid van Nooteboom en de leerzame Parijse kroegentochten van de Vijftigers.

Het internationale toerisme, de globalisering, het voor iedereen bereikbare buitenland heeft de schrijver steeds verder de jungle, de woestijn, de toendra, de buitenlandse goot ingedreven waar hem muggen wachten, roadblocks, ruzies en misschien ten slotte de dood.

En dat alles voor de haute literatuur - die weinig zozeer lijkt te verachten als het geslaagde stedentripje en het heerlijk zonovergoten vakantieparadijs.

De stemming in reisromans is bedrukt. Men mist de boot, krijgt ruzie of wordt gearresteerd

Dichters waren gevoelige zielen, die alleen durfden te reizen in hun hoofd

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden