Jetta Klijnsma

Jetta Klijnsma: ¿Als ik ergens rondloop denk ik altijd: ¿Dit is leuk, dat zouden we eigenlijk ook bij ons moeten hebben¿.¿ (FOTO WERRY CRONE, TROUW)

Aanwezig zijn als de burger daar om vraagt, dat is wat staatssecretaris Jetta Klijnsma (sociale zaken) typeert. Op zaterdagavond naar een tippelzone om poolshoogte te nemen, op zondagmiddag naar de opening van een wijkcentrum. Haar tomeloze inzet oogst lof, maar ook kritiek. ’Bijdragen aan wat de mensen allemaal doen, dat is mijn drijfveer.’

Het is moeilijk boos worden op staatssecretaris Jetta Klijnsma (51). Toen ze nog maar net wethouder was in Den Haag, ging er een welzijnsorganisatie over de kop. Zij was verantwoordelijk en er volgde een motie van wantrouwen aan haar adres. Waar zo’n motie normaal gesproken een dankbare gelegenheid is voor de oppositie om te laten weten dat men schoon genoeg heeft van de wethouder, riep Klijnsma een andere reactie op. De oppositiepartijen stemden weliswaar allemaal vóór de motie, maar veel van hen met pijn in het hart, aldus Joris Wijsmuller, fractievoorzitter van de Stadspartij. Niet omdat ze het met haar beleid eens waren, maar „omdat ze zo sympathiek is”.

De sympathie die Klijnsma op weet te wekken hielp haar later steun te krijgen voor plannen waar in beginsel veel weerstand tegen was. Volgens Klijnsma zelf doordat ze zich goed kan inleven in anderen, volgens collega’s doordat ze het zo persoonlijk speelt en mensen meekrijgt in haar emotie.

Sympathie wist Klijnsma tijdens haar wethouderschap ook op te wekken door zich niet te laten beperken door haar handicap. Ondanks de lichamelijke ongemakken van haar aangeboren spastische benen komt Klijnsma altijd opdraven. Op zaterdagavond tandemt ze met haar man naar een tippelzone om poolshoogte te nemen, op zondagmiddag duwt ze haar rollator naar de opening van een wijkcentrum. Vastberaden om zoveel mogelijk aanwezig te zijn als burgers of haar eigen rechtvaardigheidsgevoel daar om vragen. Want als ze iets echt wil, zál ze dat voor elkaar krijgen.

Die vasthoudendheid bezorgde haar ook vijanden. In graffitiletters op de stenen muur naast een opvangvoorziening voor verslaafden werd Klijnsma dood gewenst. Die plek kwam er dankzij haar en ondanks groot verzet van de bewoners. Zelfs de Turkse buurtmoeder die in eerdere jaren geregeld met de wethouder nachtsurveillance liep, praat nu vol woede over hoe Klijnsma haar opvangplek erdoor heeft geduwd. Een actieve buurtgenote waarschuwt voor de eeuwige glimlach waarmee de staatssecretaris ’iedereen inpalmt en ondertussen doet wat ze zelf wil’.

Als staatssecretaris van werkgelegenheid in crisistijd zal ze ook slechte boodschappen moeten verkopen. Meer vrije tijd staat haar ook niet te wachten. Waarom kiest Klijnsma voor dit drukke bestaan en steekt ze daar zoveel tijd en energie in?

„Dat komt door die mensen zélf, niet door mij. Het is toch geweldig als mensen uitrukken voor hun wijk, elkaar willen leren kennen. Ik ben er altijd zo van onder de indruk. Dat meen ik bloedserieus. Als het voor die mensen een meerwaarde is dat de wethouder langskomt, dan is dat toch het minste wat ik kan doen? En het is ook zo vreselijk leuk.

„Blijkbaar heb ik een rare manier van naar de wereld kijken. Als ik ergens rondloop denk ik altijd: ’Dit is leuk, dat zouden we eigenlijk ook bij ons moeten hebben’. Of ik denk: ’Goh zeg, dit is wel heel diep droevig, wat kunnen we daaraan doen?’ Ik ben altijd verbaasd over dingen, benieuwd. Het blijft mooi om alles wat ik tegenkom te benutten voor mijn werk. Overal waar ik kom vraag ik me af hoe mensen naar dingen kijken, waarom ze de dingen doen zoals ze die doen en wat dat betekent voor onze samenleving.

„Ik denk dat dat mijn drijfveer is. Bijdragen aan wat die mensen allemaal doen. Ik weet ook niet hoe het anders moet. Ik prijs mezelf heel gelukkig dat ik in het openbaar bestuur terecht ben gekomen. Daardoor heb ik de mogelijkheid om die hele schakering aan mensen te leren kennen. Dat is gewoon zo bijzonder.

„Ik heb eens een dag gehad dat ik overdag met Máxima op stap was. Ze was net in Nederland en ze wilde kennis maken met allerlei aspecten van de zorg. Diezelfde avond stond ik op de tippelzone bij de heroïnehoertjes. Toen dacht ik: ’Al die vrouwen doen er toe. Of je nu Máxima heet of moet tippelen. Iedereen hoort erbij. Dat is essentieel’. Máxima en die heroïnehoertjes moeten dingen leren in het leven. Alles wat ik daar aan bij kan dragen, vind ik fijn.

„Je leidt een vreemd leven als je zo intensief in de samenleving probeert dingen net iets te verbeteren. Dat doe je dan ook met huid en haar, of je doet het niet. Je raakt erin ondergedompeld. Dan kun je niet zeggen: ’Ik ga maar twee avonden in de week op pad en de rest is voor mijzelf’. Dat kan niet. Die mensen zetten van alles op poten en die kan ik niet in de steek laten.”

U wilt mensen niet in de steek laten, maar zij snappen toch ook dat u nog een eigen leven heeft. Met mensen die u nader aan het hart liggen?

„Het voelt niet alsof ik iets opgeef. Ik weet wel dat ik door mijn werk veel minder boeken heb gelezen, veel minder films heb gezien. Misschien mijn vrienden en familie te weinig aandacht heb gegeven. Maar die snappen me wel. Ik heb altijd gezegd: ’Als je in de politiek gaat, moet het ook een hobby zijn’. Het voelt niet als werk.

„Er zijn zoveel mensen die de moeite waard zijn om me heen. Het is heel leuk om daarvoor actief te zijn. Ik heb er ook bewust voor gekozen om geen kinderen te krijgen omdat ik het al zo mooi vond met al die andere mensen om me heen. Ik hoefde daar niet zo nodig zelf aan bij te dragen. Sommige mensen voelen zich helemaal thuis in hun eigen kringetjes, met hun huis, tuin en boompje. Dat heb ik niet. Iedereen doet dat op zijn eigen manier.

„Ik kán me ook zo inzetten omdat ik geen gezin heb. Als je een gezin hebt, is het lastiger om zo full swing er bovenop te gaan. Ik kán zo lang wegblijven als ik wil, want ik heb een man die dat begrijpt. Dat is fijn.”

U wilt de mensen door wie u bent gekozen niet tekort doen. Waarom dan wel vrienden en familie tekort doen?

„Het is een moeilijk evenwicht. Aan de ene kant wil ik me inzetten voor mijn werk, maar het is altijd belangrijk om mensen om wie je geeft in het vizier te houden. Ik heb niet het gevoel dat ik ze tekort doe. Of ik mijn vriendschappen nog wel in stand kan houden? Natuurlijk. Soms plannen we zes weken van tevoren. Of langer. Mensen hebben zelf ook een hele volle agenda. Mijn vrienden kennen me al zo lang, die weten wat mij drijft. Mijn moeder zal ook nooit zeggen: ’Kom eens wat vaker langs’.

„Nee, ik heb niet het idee dat het evenwicht naar de verkeerde kant doorslaat. Als ik de stapel kerstkaarten schrijf – dat doe ik dan nog wel braaf – schrijf ik er altijd op: ’Ik hoop dat we elkaar dit jaar zien’.”

Wat maakt het dat het werk zoveel waard is dat u sommige vrienden een jaar niet kunt zien?

„We maken toch allemaal deel uit van een groter geheel? Als je doorvraagt bij mensen kom je daar altijd op uit. Mensen realiseren zich dat ze deel uitmaken van een groter geheel, dat wie aan de kant staat erbij gehaald moet worden. Gebeurt dat niet, dan heeft dat ook repercussies voor jou zelf. Al die verschillende mensen maken deel uit van de samenleving. Als je daar geen aandacht aan besteedt, doe je uiteindelijk ook jezelf tekort.

„Het is ook niet zo dat ik mezelf helemaal wegcijfer en zeven dagen per week, 24 uur per dag aan werk denk. Ik heb ook zelfrespect, weet dat ik er zelf ook toe doe. Ik doe het omdat ik het zelf wil. Dat is op deze intensieve manier.

„Daarvoor moet ik gevoed blijven. Afgelopen week was ik nog bij tien jonge vrouwen die allemaal een lange weg waren gegaan met grote problemen, zoals scheidingen en mishandelingen. Zij hebben alle tien hun levensverhaal verteld. Dat heeft indruk op mij gemaakt. Als ik die verhalen hoor, weet ik weer waarom het nodig is ze te helpen met reïntegratie, om ze ruggesteun te geven.

„Wat ik van die tien vrouwen hoorde, kan ons allemaal overkomen. Daar moeten we ons niet boven stellen.”

Heeft die betrokkenheid met uzelf te maken, als gehandicapte vrouw in een – toen u begon nog – mannenwereld?

„Ik heb nooit zo gevoeld dat ik moest emanciperen. Ik heb ook nooit bij de Rode Vrouwen van de PvdA gezeten. Voor mezelf hoefde ik niet zo nodig zo bijterig te zijn, van: ’Ik moet per se hogerop en ik word in de weg gezeten door mannen’. Dat idee heb ik nooit gehad.

„Mijn moeder heeft me wel enorm gestimuleerd om te gaan studeren. Zij had zelf graag door willen leren, maar mocht alleen naar de huishoudschool. Bij mij was het ook nog eens zo dat ze zei: ’Jij hebt kromme benen, dus misschien kom je wel niet aan een man. Dan moet je altijd jezelf kunnen redden. Je hebt een goed stel hersens: actie’.

„Dat ik spastische benen heb, maakt voor mijn functioneren niet uit. Ik weet gewoon niet hoe het anders kan zijn. Het is zo deel van mezelf. Ik denk dat ik ze zou missen als ik op een dag geen spastische benen meer heb. Ik vind het wel fijn als mensen me helpen om de trap op te komen. Je hebt ook gehandicapten die dan bijna gaan meppen, maar ik vind het wel lief, hoor.

„Ik kan me heel goed verplaatsen in mensen met een beperking over wie gekapitteld wordt. Ik loop wel eens met mijn man door de stad. Dan zit ik in een rolstoel – kan ik heerlijk geveltjes kijken. Als we dan een café binnen gaan, zegt zo’n vrouw wel eens tegen Ard: ’Wat wil zij drinken?’ ’Nou, misschien kan ze dat zelf wel zeggen’, antwoordt hij dan. Dan heb ik zo’n plezier, daar geniet ik echt van. Maar dat kan alleen omdat ik weer kan opstaan uit die rolstoel. Omdat ik een positie heb van waaruit ik daar om kan lachen.

„Of mijn onderhandelingspartners ook denken dat ze over me heen kunnen lopen? Dat weet ik niet. Misschien denken ze in eerste instantie: dat is een staatssecretaris met een mankementje. Maar mijn leven heeft me geleerd dat mensen ook vaak vergeten dat ik dat mankementje heb. En dat vergeet ik zelf ook heel vaak.

Krijgt u die voeding, waar de betrokkenheid bij u vandaan moet komen, nog wel als staatssecretaris?

„Als staatssecretaris zit je wel verder weg van de samenleving. Ik merk nu al dat het contact met mensen net iets afstandelijker is dan als wethouder. Ik zit aan tafel met uitvoeringsorganisaties. Het UWV, de vakbeweging, werkgevers. Het zijn allemaal koepels van organisaties waarmee ik het beleid moet maken. Maar het zoomt niet in op individuen. Het gaat niet over hoe het nu is met meneer Jansen in de Weimarstraat.”

Is dit dan wel geschikt werk voor u?

„Ik moet zeggen dat ik daar nog niet zo goed uit ben. Ik vind het wel geweldig dat ik hier veel dingen domweg leer. Ik heb uiteindelijk ’ja’ gezegd tegen het staatssecretariaat omdat het zwaar weer werd. Ik dacht: ’Je bent geen knip voor de neus waard als je in dit soort moeilijke tijden dit niet op je neemt’. Maar voor mij blijft het altijd belangrijk dat ik met mensen spreek, dat ik zelf ga kijken op de werkpleinen. Ik moet nog altijd een impuls krijgen vanuit de werkvloer zelf. Of dat uiteindelijk genoeg is, moet blijken.

„De komende weken moet het kabinet vergaande maatregelen nemen. Of ik makkelijk compromissen sluit? Dat hangt ervan af. Tijdens het wethouderschap vond ik sommige dingen zó belangrijk, dat ik er alles op inzette. Bijvoorbeeld dat er een opvangplek voor drugsverslaafden in Den Haag zou komen. Als zo’n plaats nodig is om mensen weer een beetje op de rails te helpen, dan ruk ik daar voor uit. Dan verplaats ik me in die verslaafde mensen en weet ik dat er perspectief voor ze moet komen. Dan zorg ik ook dat het lukt. Dat was nogal een klus.”

Daar wist u door heel wat weerstand heen te breken. Van burgemeester Deetman, fracties in de raad en van de buurt. Hoe krijgt u zoiets dan toch voor elkaar?

„Misschien lukte het omdat ik toen echt als een bok op de haverkist ging zitten. Ik kan me goed verplaatsen in iemand van het CDA of de VVD die denkt: ’Hè, moet dat nou, wat een gedoe’. Dat moet ik dan zo uitonderhandelen dat er uiteindelijk een goede plek komt.

„Vraag me niet hoe dat precies gegaan is, maar het heeft me daadwerkelijk enorm veel energie gekost. Dat is ook het werk van een politiek bestuurder: dat je een meerderheid achter je weet te krijgen. Als je echt gelooft in iets wat je tot stand wilt brengen, kun je dat ook overbrengen.

„Ik ben persoonlijke gesprekken gaan voeren met de tegenstanders. Uiteindelijk heb ik ze overtuigd door duidelijk te maken dat het grote consequenties zou hebben als de opvangruimte er niet kwam. Dan zou het onmogelijk zijn om die nog ergens anders in de stad kwijt te kunnen. Buurtbewoners zouden met moeilijke projecten altijd kunnen verwijzen naar deze keer, dat de bewoners hun zin kregen.”

Trekt u zich de weerstand aan? Bij het drugspand aan het Van de Vennepark stonden doodsbedreigingen op de muren.

„Ik kreeg ook bedreigingen per mail, van alles. Op enig moment moest ik een buurtpand openen in de buurt van het park. Ik kon er niet eens komen door de protesterende buurtbewoners. Stond ik daar met mijn rollator tussen al die types. Voor me stond een moeder. Ze keek me aan en zei tegen haar dochter: ’Deze vrouw moet jij leren haten’.

„Dat vond ik een hele heftige. Ik heb nog geprobeerd met die vrouw te praten. Maar het was in zo’n mensenmenigte dat ik dacht: ’Wat een perceptie kunnen mensen dan van zo’n bestuurder hebben. En waar is het nu fout gegaan?’

„Nee, ik heb er toen niet aan gedacht om het maar niet door te laten gaan.”

Voelt u zich dan extra kwetsbaar omdat u niet zomaar weg kunt rennen?

„Daar heb ik helemaal geen last van. In die tijd vroeg de politie wel of ze me niet moesten beveiligen. Daar wilde ik niet aan. Ik wil graag op mijn fiets kunnen blijven zitten hoor.”

Zit daar dan een grens?

„Ja, dat geloof ik wel. Als ik daar zelf niet meer over zou kunnen gaan, over de mobiliteit... Ja, dat zou misschien wel eens een reden kunnen zijn om ermee te stoppen. Daar zou ik eens over na moeten denken. Ik hecht zeer aan mijn vrijheid, ja. Als ik ingeperkt zou moeten worden, om logische veiligheidsredenen misschien, dan wil ik dit beroep gewoon niet meer doen, denk ik. Toen, op dat moment daar, wist ik het zeker.”

De beperkingen van het elke avond en weekeinde bezet zijn, ervaart u anders dan dit soort vrijheidsbeperking?

„Ja. Dan ga je er zelf niet meer over. Misschien is dat het wel. Dan bepalen mensen waar je niet meer naartoe kunt. En onder wat voor omstandigheden. Dan word je ingeperkt. Ik weet niet of ik dat er voor over zou hebben. Ik wil de controle houden over mijn eigen leven.”

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden