Column

Jerry Afriyie zet een nieuwe stap in een oude strijd

Hans Goslinga Beeld Trouw

In 1855 waagde de Amerikaanse schrijver Herman Melville, wereldberoemd door zijn epos ‘Moby Dick’, zich aan een verkenning van de ongelijke en complexe verhouding tussen blanken en zwarten. Hij deed dat in de roman ‘Benito Cereno’, die tien jaar geleden, na het aantreden van Barack Obama als eerste zwarte president van de Verenigde Staten, opnieuw discussie losmaakte.

Het thema van het boek is de slavernij, in de dagen dat het werd geschreven een brandende kwestie, die in 1861 leidde tot een bloedige burgeroorlog tussen de noordelijke en zuidelijke staten van Amerika. Hoewel de context is veranderd, heeft het boek nog altijd betekenis, omdat Melville laat zien hoe diep bepaalde opvattingen over mensen van een ander ras kunnen zitten; zozeer dat zij als vooroordelen een helder zicht op de werkelijkheid in de weg staan en tot zelfbedrog kunnen leiden.

In het verhaal overkomt dat laatste de kapitein van een Amerikaanse walvisvaarder, die de gezagvoerder van een zwaar gehavend Spaans slavenschip zijn hulp aanbiedt. Hoewel de aanwijzingen zich opstapelen dat er iets niet klopt, heeft de Amerikaan niet door dat de slaven, afkomstig van de Afrikaanse westkust, in feite de baas over het schip zijn en dat zijn ontredderde collega-gezagvoerder Benito Cereno hem wat op de mouw spelt over wat er onderweg is gebeurd. Daarentegen is de Amerikaan onder de indruk van de toewijding van Cereno’s lijfknecht Babo, in werkelijkheid de leider van de muiterij die de kapitein nauwlettend in de gaten houdt. Melville beschrijft subtiel hoe de Amerikaanse zeevaarder bij zichzelf de gedachte afkapt dat de Afrikanen met succes in opstand zijn gekomen. Hij acht ze daarvoor niet slim genoeg; bovendien houdt hij graag vast aan het beeld van de ‘vrolijke, gedienstige neger’, dat hij terugziet in Babo. Hoewel hij zichzelf een vrij en verlicht man acht en tegen slavernij is, zou hij zichzelf graag zo’n lijfknecht wensen. Als hij in het elfde uur de waarheid ontdekt en daarmee de schranderheid en zelfbeheersing van Babo, ontsteekt hij in een razernij die de Afrikaan het leven kost.

In een stuk in The New York Times voerde de historicus Greg Grandin het verzet dat Obama als zwarte president losmaakte terug op de patronen die Melville zichtbaar maakte, zoals het gevoel van suprematie. Europa kent een andere geschiedenis, maar ook hier is de oude Adam van de rassenwaan nooit ver weg, zoals de afgelopen tijd is gebleken uit reacties op de strijd van de Ghanese-Nederlander Jerry Afriyie voor afschaffing van Zwarte Piet en op de breuk tussen Seada Nourhussen en deze krant.

Grandin zag in de houding van Melvilles verlichte kapitein een nieuw soort racisme, niet ingegeven door theologie of ideologie, maar door een emotionele behoefte de eigen individuele vrijheid en weldenkendheid af te meten aan de onvrijheid en achterlijkheid van een ander. Op dit racisme, als je het zo moet noemen, kan de heftige weerstand worden herleid tegen de boerka en de nikaab als symbolen van onvrijheid, evenals de politieke roep in het verweer hiertegen de vrijheid van meningsuiting op te rekken tot het recht op beledigen en zelfs haatzaaien, zoals in 2012 door Baudet bepleit.

In het Amerika van die dagen voerden in de noordelijke staten abolitionisten campagne voor afschaffing van de slavernij onder de, tot motto verheven, hartekreet van een slaaf ‘Ben ik niet een mens en een broeder?’ Melville legde pijnlijk bloot dat zijn kapitein niet in staat was Babo als ­gelijkwaardig te zien, zelfs niet als een mens met een eigen gedachten­wereld, ideeën en verlangens.

De verbrijzeling van zijn illusies levert dan ook de razernij op, die kan verklaren waarom Obama als zwarte president zo’n heftige tegenbeweging opriep, resulterend in de verkiezing van de supremacist Trump, en waarom er hier zo ongemeen fel wordt gereageerd op activisten als Afriyie en Nourhussen. Als nieuwe Nederlanders eisen zij hun plaats onder de zon op, zoals eerder en niet minder zachtzinnig de vrouwen, de gereformeerde kleine luyden, de rooms-katholieken en de arbeiders. Daarbij moeten ze zich tegelijk onder de schaduw van de Babo-figuur uit vechten, wat zonder twijfel moeilijker is. Volgens Grandin slaagde Obama hier niet in, omdat hij zich presenteerde als een ‘een leeg scherm’, waarop iedereen, van links tot rechts, zijn visie kon projecteren. Hiermee gaf hij niet alleen ruimte voor hoop, maar ook voor kwaadaardige speculaties van Trump en anderen over zijn geboorteplaats en religie.

Het spiegelbeeld van de strijd van Nourhussen en Afriyie is zichtbaar in de ‘gele hesjes’, die hun vertrouwde plek bedreigd zien en terugverlangen naar een land ‘waarin we nog onder ons waren’. Dat kan niet anders dan hard botsen.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie.

Lees ook:

Jerry Afriyie wil geen ruzie, liever praten

Het begon met kinderen in Amsterdam-Zuidoost die zich geen Nederlander voelen. Om dat te veranderen begon Jerry Afriyie in 2011 met zijn strijd tegen Zwarte Piet, symbool van ongelijkheid. En hij gaat door.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden