Jeroen van Merwijk | 'Ik heb mijzelf gesublimeerd'

'Het is wel eens irritant als je voorbijgelopen wordt door mensen die nog niet goed genoeg zijn om je veters te strikken. Ik ben de beste. Nou, goed, een van de allerbesten.' (FOTO MARK KOHN) Beeld
'Het is wel eens irritant als je voorbijgelopen wordt door mensen die nog niet goed genoeg zijn om je veters te strikken. Ik ben de beste. Nou, goed, een van de allerbesten.' (FOTO MARK KOHN)

Jeroen van Merwijk (Bilthoven, 1955) is cabaretier, kunstschilder en liedjesschrijver. Zijn voorstelling ’Le Big Bazar’, met gitaristen Wouter Planteijdt en René van Barneveld, is tot eind februari 2011 in diverse theaters

Arjan Visser

I Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„De mensen die mij leerden dat twee plus twee vier is, zeiden ook dat God bestond. Waarom zou ik dát dan niet geloven? Jezus, Maria, God de vader, hemel en hel: ik heb het hele verhaal op katholieke scholen en in de kerk meegekregen. Later begreep ik pas hoe goed dat systeem eigenlijk in elkaar zit. God is mens geworden en daarmee is de mens ook God. Vind ik mooi bedacht.

Die God van vroeger, de God van de katholieke kerk, die bestaat niet meer voor mij, maar ik geloof wel dat je overal een deeltje God in kunt ontdekken. God is liefde, dat vind ik een duidelijk verhaal. Liefde weegt niks. Je kunt het niet vastpakken en tóch bestaat het. Zoiets moet het zijn.

Ik ben wel eens jaloers op de mensen die een talent voor geloven hebben. Mijn moeder kan het goed. Herman Finkers kan het. Er zijn nog een paar van die mensen om mij heen die, min of meer namens mij, geloven. Het geeft ze rust, het geeft ze plezier. Het is toch ook honderd keer leuker om in God te geloven? Ik vind het veel creatiever dan een geloof in feitjes. Een boom is een boom, ja, maar je kunt ook zeggen dat het een haar is van een reus die onder de grond woont. Verbanden leggen, je fantasie laten gaan; geloven en dichten komen uit hetzelfde potje. Voor mij is een wolk nooit zomaar een wolk. Een wolk is een kasteel. Of een trein. Niets is wat het lijkt. Alles is anders.”

II Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Ik vind blasfemie op zichzelf niet interessant, tenzij je het zo overthe hill gooit dat het weer grappig wordt. In mijn liedje ’Het leven is kut’ komt het woord ’kut’ vijfendertig keer voor. Dat is relevant. Daarmee maak ik het hele woord volkomen oninteressant. Ik weet niet of de Judaspassie die ik vorig jaar heb geschreven ook blasfemisch is – ik heb er niemand over horen klagen. In mijn passie is Judas de tragische figuur, niet Jezus. Ik vind dat we medelijden met hem moeten hebben. Ik kan me nog goed herinneren dat ik als kind al helemaal niets van dat verhaal begreep. Hoezo verraad? De Romeinen wisten toch waar Jezus uithing? Iedereen kende Jezus. Waarom moest hij dan nog eens een keer worden aangewezen? Ik geloof dat het een vriendendienst was; een ultieme daad van liefde. Judas – het prototype van de mens – verraadt Jezus zodat hij voor ons kan sterven. Jezus heeft Judas gesmeekt hem te verraden. Judas is niet zijn vijand, Judas is zijn beste vriend. In mijn passie pleegt Judas geen zelfmoord. Hij wordt door Jezus opgehaald en gaat met hem mee naar de hemel; ze verrijzen met z’n tweeën. Het is niet godslasterlijk bedoeld; volgens mij klopt het verhaal zo gewoon beter.”

III Gij zult de dag des heren heiligen

„Ze zeggen dat ik hyperactief ben. Ik weet niet of dat zo is, maar ik heb van alle mensen die ik ken wel de grootste output. Nee, het is geen angst voor de stilte; ik zoek de stilte juist op. Als ik teken, schilder of een liedje schrijf is alles volkomen stil en rustig. Overzichtelijk, eenvoudig.

Voor mij is het dagelijks leven veel ingewikkelder. Het is niet anders: als je iets maakt, moet je het uiteindelijk ook laten zien – ik vind dat niet leuk. Ik heb optreden nooit leuk gevonden. Het is voor mij iedere avond weer een strijd om dat podium op te gaan. En toch doe ik het. Voor mezelf, omdat ik niet anders kan, maar ook omdat ik mensen wil wijzen op dingen die ze misschien liever niet hadden willen horen.

Ik krijg er natuurlijk geld voor, maar ik vind op het podium staan vooral een altruïstische bezigheid. Ik wil het volk verheffen. Zoals ik ook door anderen verheven wil worden. Als ik een goed boek lees, word ik opgetild naar een niveau waar ik uit mezelf waarschijnlijk nooit was gekomen. Dat is het mooie van kunst, van goede kunst. Sterker nog: dat is de bedoeling van kunst.”

IV Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader was een kleine, driftige man met een enorm creatief vermogen. Dichter, krankjorum goede tekenaar, onderwijsvernieuwer. Oorspronkelijk was hij hoofd van een school, later is hij in de kunstzinnige vorming terechtgekomen. Ik had, vanwege zijn temperament, een ingewikkelde verhouding met hem. Hij was onberekenbaar. Daar kon ik als kind slecht tegen. Wij reageerden heel sterk op elkaar, we zochten elkaar op. Mijn vader zat altijd te tekenen en te schrijven, en als ik ’s avonds thuiskwam zei hij: ’Jeroen, kom even kijken’. Dan ging ik naar binnen, zei wat ik ervan vond en vervolgens kregen we weer ruzie. Ik mocht mijn mening geven, maar ik moest wel zeggen dat het mooi was.

We waren ook dol op elkaar; ik heb nooit een seconde aan zijn liefde getwijfeld. Hij sprak het uit, hij liet het zien, maar... ik weet het niet. Ik ben een gecompliceerd persoon, kwetsbaar, schichtig. Als kind wist ik me daar geen raad mee, maar nu doe ik er mijn voordeel mee; ik voel dingen eerder aan dan de meeste mensen. Ik weet niet meer precies hoe het was, toen. Misschien heb ik die herinnering uit mijn systeem verwijderd. Ik heb geleerd me te uiten. Mijn ouders hebben me daarbij geholpen. Vooral mijn moeder.

Mijn moeder is fantastisch. Geestig, zacht, begripvol. Ik heb nog nooit ruzie met haar gehad. Dochter van een ongeschoolde arbeider, maar ze heeft iets koninklijks over zich. Ze is heel chic, ook in haar manier van denken. Ze probeert altijd te snappen hoe het komt dat mensen zich op een bepaalde manier gedragen. Ik vraag haar nog steeds om raad. Ze kan dingen tegen me zeggen die alleen moeders kunnen zeggen. Wijze vrouw. Het zal nog wel een tijdje duren, maar ik zie erg op tegen het afscheid Toevallig, vlak voor jij kwam, dacht ik eraan wat ik ooit op haar begrafenis over haar zou zeggen: alleen maar goedheid, denk ik. She’s running for saint, die moeder van mij.

Mijn vader is al zeventien jaar dood, maar ik schrijf nog altijd liedjes over hem en hij wordt per liedje een beter mens. Nog een jaartje en hij is volmaakt. De mortuis nil nisi bene, tuurlijk, maar misschien ben ik er een beetje in doorgeschoten. Het is een tedere karaktermoord, want zo wás hij natuurlijk helemaal niet. Bovendien wordt door die vervolmaking, door het levend houden van de herinnering, het gemis ook groter. Hij is steeds langer weg. Soms denk ik: kom nu eindelijk maar eens terug.

Ach, gemis hoort nu eenmaal bij het leven. Je gaat steeds meer missen – de kracht, de levenslust – maar je krijgt er ook zoveel voor terug. Rust vooral. Rust in je kop. En begrip. Inzicht. Naarmate ik ouder word, begrijp ik de dingen steeds beter. Ik schrijf ook over andere dingen. Veel van mijn ambities zijn ingelost, ik versta mijn vak beter en die dwingende behoefte om alles te controleren, ben ik al bijna kwijtgeraakt. Het lukt me om de boel de boel te laten. Zo langzamerhand.”

V Gij zult niet doden

„’Kijk’, zeg ik tegen de zaal, ’vrouwen willen zachte strelinkjes en aanrakinkjes, maar mannen hebben ook zo hun behoeftes. Een man moet af en toe gewoon eens iemand doodslaan’. En dan zing ik mijn liedje over de man die af en toe gewoon eens iemand dood moet slaan, iemand met iets veel te kleins of veel te groots aan, iemand heet bijvoorbeeld Bob of iemand heet geen Bob, maar hij heeft typisch wel zo’n kop voor Bob, wat doe je dan? Je slaat erop. Doodslaan! Lieverd, ben zo terug, trek alvast iets bloots aan, even iemand doodslaan!

Ik ben een goed mens, in mijn gedrag. Niet in mijn gedachten. Ik verbaas mezelf over de gruwelijke dingen die ik soms bedenk. Diep van binnen zou ik best wel eens een keer iemand dood willen slaan; het is een agressie die ik gelukkig op andere manieren kan uiten. Een man is letterlijk en figuurlijk naar buiten gericht. Wij moeten het eruit gooien, anders gaat het mis. Als ik niet meer zing, schrijf, teken of schilder, zal ik waarschijnlijk ernstig in de problemen komen.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

„Toen ik een jaar of zes was, werd ik een keer betrapt bij het masturberen. Ik had geen flauw idee waar ik mee bezig was, maar dat mijn ouders er geen trek in hadden, in dat gedoe, tijdens het eten, dat begreep ik wel Ik vond het pijnlijk, maar dat zegt vooral iets over mij; ik ben geboren met een enorm schaamtegevoel.

Ik schaam me altijd. Over alles. Dat is op zich niet zo erg. Ik ben voor taboes. Sommige dingen kunnen niet. Je moet niet met een kind naar bed gaan. Of met een paard. Dat lijkt me onkuis. Ik moet wel zeggen dat ik dat hele gedoe over de onkuisheid binnen de katholieke kerk een beetje gek vind. Mannen die veertig jaar na dato zeggen dat ze door een priester zijn begluurd Ik zou ook wel eens willen weten hoeveel dominees buiten hun boekje zijn gegaan.

Het valt me sowieso op dat met name ongelovigen zich druk maken over wat er in de kerk gebeurt, of over wat de paus nu weer heeft beweerd. ’O! Heb je gehoord wat hij over homoseksuelen heeft gezegd?’ Ja, want natuurlijk heeft hij dat gezegd. Daar is hij toch de paus voor? Wat moet zo’n man dan roepen? ’Jongens, begin alvast maar met fistfucken, ik kom zo!’?”

VII Gij zult niet stelen

„Picasso zei: ’Je vindt iemand goed, die probeer je na te doen. Dat lukt niet. En dat ben jij’. Zo is het in diepste wezen: je komt ergens mee in aanraking waarvan je onmiddellijk weet dat het bij je hoort.

Ik wilde zijn zoals Lou Reed. Die man is krankzinnig muzikaal. Wat hij maakt, is zo eenvoudig, zo vanzelfsprekend, dat je niet meer in de gaten hebt hoe ongelooflijk goed het is. Dat is voor mij echte kunst, het is iets waarvan je denkt dat het er altijd al is geweest.

Als je mij op het podium ziet staan en zegt ’Wat knap!’, dan moet ik me af gaan vragen wat ik verkeerd doe. Je moet namelijk het idee hebben dat ik daar zomaar wat sta te doen. Die Van Merwijk, die lult maar wat.

Er is niets mis met kopiëren; het wordt pas diefstal als je het te gelde maakt. Na verloop van tijd -– na eindeloos luisteren, kijken en herhalen – komt er iets uit wat echt, origineel, van jou is. Een authentiek geluid.

Er zijn niet zoveel mensen met een eigen geluid; velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren. Voor mij is kunst noodzaak. Tot mijn drieëntwintigste had ik geen idee wat ik moest doen. Ik zat maar een beetje te wachten. Wanneer begint het nou, mijn leven? En ineens was daar die ontploffing: ik moest kunstenaar worden. Het is een ontploffing die nog altijd voortduurt, het is mijn redding. Ik zou niet weten hoe ik anders in leven moest blijven.

Het is als een bootje dat dreigt te kapseizen. Door zoveel mogelijk tekeningen, schilderijen, liedjes, columns en teksten de andere kant op te gooien, lukt het me om te blijven dobberen.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Op het toneel kun je de waarheid zeggen zonder dat iemand het in de gaten heeft; je kunt de waarheid liegen. Kunst is per definitie niet oprecht. Ik doe mezelf na. Als cabaretier gebruik ik mezelf als wapen, maar ik zorg er wel voor dat ik sommige eigenschappen – mijn gevoeligheid, mijn schaamte – uitsluit, anders werkt het niet.

Ik kreeg een keer een staande ovatie van duizend man en ik werd door ontroering overmand. Terwijl de tranen over mijn wangen liepen, dacht ik: dit mag nooit meer gebeuren. Het is niet opportuun, iedereen heeft er last van. Je mag ontroering spélen. Net zoals woede, of desinteresse. Zodra ik opkom, speel ik de cabaretier die het helemaal niet erg vindt als de zaal leeg zou lopen. ’Gaat u maar. Heb ik ook lekker een avondje vrij.’ Als je dat goed speelt, ben je onkwetsbaar. Die andere Jeroen van Merwijk, de man die nu tegenover je zit, vind het natuurlijk verschrikkelijk als je bij hem wegloopt.”

IX Gij zult geen onkuisheid beger

„Dit is pijnlijk. Ik ga niet in details treden, maar ik werd, na vijfentwintig jaar, verliefd op een ander De boel is ontploft en misschien moest dat ook gebeuren. Het is als buskruit en een vuurtje; op een dag gaat het mis. Ik ben natuurlijk niet zomaar, niet zonder aanleiding, bij haar weggegaan. Ik ben ten diepste een heel trouw mens. Iedereen was ook verbijsterd door het nieuws. Mijn ex en ik, we waren altijd samen. We zijn nooit getrouwd geweest, maar we hebben, qua tijd, wel een platina huwelijk achter de rug. Ik heb me heel erg schuldig gevoeld. En nog. Ik heb haar erg veel pijn gedaan door weg te gaan. Het was de moeilijkste beslissing van mijn leven. Ik ben er bijna aan onderdoor gegaan Al dat verdriet, ik kon het gewoon niet verteren. We zijn nu zeven maanden verder. Ik hou nog steeds van mijn ex en tóch weet ik dat ik de juiste keuze heb gemaakt

Zullen we het hier bij laten? Het is te vers. Ik wil haar echt geen pijn meer doen.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Het is lang geleden, hoor – ik heb er nu geen last meer van – maar ik ben erg jaloers geweest. Het is ook wel eens irritant als je in je vak links en rechts voorbijgelopen wordt door mensen die nog niet goed genoeg zijn om je schoenveters vast te mogen maken Ik ben de beste. Nou, goed, een van de allerbesten. Er zijn er een paar misschien net zo goed, maar er is in ieder geval niemand beter. Soms weten die mindere cabaretiers het zelf ook: sta ik in de kleine zaal voor veertig man te spelen en dan komen zij zich, heel gegeneerd, verontschuldigen dat ze zelf in de grote zaal duizend mensen moeten vermaken. Mindere cabaretiers, maar ze spreken wel meer mensen aan. Het is niet anders.

Er is een totaal gebrek aan niveau en dat gebrek wordt steeds flagranter. Mensen hebben geen idee meer waar je het over hebt. Je ziet het in de hele samenleving. Moet je eens kijken naar Rutte, Verhagen en Wilders! Dat zijn toch een paar schoffies op een rijtje? Nou ja. Het is zinloos om je er al te druk over te maken. Ik kan gelukkig leven van wat ik maak. Ik moet het blijven doen, dat is goed, dat is gezond. Misschien vind ik mezelf inmiddels iets meer de moeite waard, maar toch: kennelijk kan ik nog steeds niet achteroverleunen. Ik moet voortdurend dingen maken. Ik moet mezelf rechtvaardigen.

En beter worden, natuurlijk. Het gaat met mij, in alle opzichten, crescendo. Dat komt door de dingen die ik heb gemaakt, door het feit dat het me is gelukt een andere indruk achter te laten dan die ik van mezelf heb. Ik heb, als het ware, mezelf gesublimeerd; ik heb mezelf op een hoger plan getild. Ik heb dingen geschreven die mensen over honderd jaar nog zullen snappen. Dat vind ik een prachtige gedachte.

Ik was laatst in het museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Daar hangt een schilderijtje van Geertgen tot Sint Jans (’De verheerlijking van Maria’, rond 1500. AV), zo prachtig dat het me keer op keer ontroert. Ik kijk ernaar en ik begrijp precies wat de boodschap is. Ik ben een beeldend kunstenaar; ik voel dat ik in die lange, lange traditie sta.

Dat vind ik ook zo mooi aan mijn plek in de kleinkunstwereld. Ik bouw mee aan de grote toren van het cabaret. Ze zeggen dat ik op Hans Dorrestijn lijk. En ik schijn ook iets weg te hebben van Joop Visser. En toch ben ik Jeroen van Merwijk.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden