Jeroen Brouwers

Jeroen Brouwers (Batavia, 1940) is schrijver van romans, verhalen, polemieken, essays en autobiografieën. Van 1961 tot 1964 werkte hij als journalist. Daarna was hij redactiesecretaris en later (hoofd)redacteur bij de Belgische uitgeverij Manteau. In 1976 werd Brouwers fulltime schrijver. In 2001 ontving hij voor zijn roman ’Geheime Kamers’ de Multatuliprijs en de AKO Literatuurprijs.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Wil je wat lekkers? O, zijn we begonnen? Zeg, stel je nou in Godsnaam niet voor dat ik met briljante antwoorden kom, want die heb ik niet! God aanbidden, God aanbidden op wat voor manier moet ik dat doen? Is er ooit wel sprake van een relatie met God geweest?

Ik zat van mijn tiende tot mijn zeventiende op katholieke kostscholen die door kloosterlingen werden geleid. Godsdienst werd er op zo’n manier in gehamerd dat je je ten slotte helemaal niets meer afvroeg. Ik accepteerde het hele verhaal zoals een kind sprookjes accepteert. Er is een boze wolf die meisjes eet. Er is een God die alles ziet. Prima. Niet tegenspreken. Accepteren. Tucht. Hét kenmerk van al die kostscholen.

En hoe bereik je tucht? Juist, door het kweken van angst. ’Als jij niet doet wat de Tien Geboden jou voorschrijven, dan wordt God kwaad op je en dan krijg je straf. En weet je waar die straf uit bestaat?’ Afijn, dan volgde dat hele verhaal over de hel enzovoort, dus wat deed ik? Ik accepteerde het niet alleen, ik ging het ook nog bestuderen. Wie is God? Waartoe zijn wij hier op aarde? Ik kende de hele catechismus uit mijn hoofd.

En dan, op een dag, bevrijd van die kostschool, maar totaal verknipt, haal je je schouders erover op en besluit: er is helemaal geen boze wolf, er is geen God die alles ziet, ik hoef met niks rekening te houden. Ik stond buiten de muren van die kostschool en ik vroeg me af wat ik zou willen. Het moest iets kunstzinnigs zijn: schilderen, acteren, verzin het maar. Het werd ten slotte literatuur.

En nu, vijftig jaar na dato, nu wij er zo over zitten te praten, bedenk ik mij dat het de kern van mijn literaire instelling is geweest: ik heb dat allemaal niet nodig. Ik heb het niet nodig om naar de kerk te gaan. Ik heb het niet nodig om in iets te geloven wat de bloempjes doet bloeien en het bos doet ruien in de herfst. Ik heb dat niet nodig om aan een God te verbinden. Een schrijver dient vrij te zijn. De ballast, die als een zware bochel op je rug rust, moet weg. Weg, weg, weg ermee!”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

„Volstrekt verboden. Zelfs voor ’Tjemig’ kreeg je een lel. Dus, eenmaal verlost van mijn ketenen, ben ik gaan vloeken dat het niet mooi meer is, tot de huidige dag aan toe. Wraakgevoelens? Ja, nee& natuurlijk, opwellinkjes.

Vorig jaar was ik met Klaas Koppe, de fotograaf, voor het eerst weer terug bij mijn laatste kostschool. Hij wilde een reeks maken over plaatsen waar de karakters van schrijvers definitief waren gevormd. Omdat we niet terug konden naar Indië, zijn we naar de kostschool gegaan die nu als een of ander conferentieoord in gebruik is. De muren met prikkeldraad waren afgebroken, we konden zo de speelplaats oplopen. Ik herkende de kastanjebomen, de kapel, de eetzaal, de tegeltjes op de vloer en ik voelde& ja, wrok, een enorme rancune kwam over mij. We konden daar niet zomaar wat rondzwerven zonder daar iemand van op de hoogte te stellen.

Een van de broeders die toen de kostschool leidden, kwam naar ons toe. ’Zo, heren, waar gaat het over?’ Wij leggen dat uit. ’Ah! Dan heeft u vast broeder huppeldepup gekend.’ ’Broeder huppeldepup? En of ik die heb gekend! De schoft!’ Het viel me zomaar uit de mond. En hij ging maar door met zijn verhalen over broeder Bonaventura –’Die is dood’– en broeder Wiro, die uitgetreden, getrouwd en inmiddels alweer gescheiden was ook.

Verhalen die me razend maakten. Dat zijn dan dezelfde kerels die mij hebben verteld dat masturberen verschrikkelijk was. De toorn van God! Straf! De hel! Uiteindelijk zijn we maar weer naar huis gegaan. Wat moest ik dan? Die man naar zijn strot vliegen? Helaas is van die fotoserie niets gekomen, maar het bezoek had mij toch voldoende stof opgeleverd voor nieuwe vertelsels en beschouwingen.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

„Vroeger kon ik van negen tot vier doorwerken. Dat gaat nu niet meer. Het lichaam wordt sneller moe, de concentratie is sneller weg. Niet dat ik met tegenzin zit te werken hoor, maar ik besef wel dat ik in dit tempo weer acht jaar aan een boek zit te piemelen. De tijd raakt bemeten en dat maakt mij onrustig.

En dan zijn er nog de dagen waarop het niet lukt. Dan ga je zo onbevredigd, zo onvoldaan naar bed, hopend dat het morgen weer zal lukken terwijl je daar dwars doorheen denkt: ja, maar waarvoor in Godsnaam? Wie zit er nou op jouw nieuwe boekie te wachten?

We zitten er nu wel om te lachen, maar ik heb het altijd als een vloek ervaren, dat kunstenaarschap van mij. Geen spatje romantiek, meneer. Het is saai. Sáái! Ik zit hier en ik werk. Ik merk niet eens dat het zondag is. Je ziet het: ik woon diep in het bos. Er is hier geen enkele bekoring. Geen bordeel, geen kroeg, niks. Goed voor de kunst, maar je wordt er wel mensenschuw van.”

IV Eer uw vader en uw moeder

„Als je op je tiende op een kostschool terechtkomt, hoef je er op je zeventiende niet op te rekenen dat je met grote liefde naar je ouders kijkt, hoor. Ik heb geen enkel respect, geen enkele affectie, geen enkele aardige herinnering zelfs& ja, het spijt me, ik kan het niet anders zeggen dan zo. Hoe zou ik de mensen moeten eren die mij gedurende zes, zeven jaar in kooien hebben vastgezet?

Ze kwamen nooit op bezoek. Ik werd verplicht iedere zondagochtend een brief aan hen te schrijven. En wel graag twee kantjes. ’Lieve ouders’. Ik had geen idee waarover ik moest schrijven, maar ik hoopte, door mijn best te doen, dat ze misschien een keer een briefje terug zouden sturen. Dat is één of twee keer gebeurd, laten we maar zeggen: dat is nooit gebeurd.

Je bent lastig. Dat hebben ze altijd tegen mij gezegd. Je bent zo vervelend. Onhanteerbaar. Ik vond dat zelf helemaal niet. Bovendien: er zijn meer broers van mij op kostschool beland. Die zijn er allemaal even verknipt weer uit te voorschijn gekomen. Ik ben het gedrag van mijn ouders altijd blijven interpreteren als luiheid. Ze maakten wel kinderen, maar toen die er eenmaal waren, hadden ze er geen zin meer in. Naar kostschool dan maar en als ze ervan afkwamen, waren ze al bijna zover dat ze op hun eigen benen konden staan.

Mijn pa stierf in ’64. Hij was boekhouder. Hij zat te boekhouden en opeens sloeg hij om. Op het blad waaraan hij zat te schrijven zie je die kras zo naar beneden lopen. Hij kwam met zijn hoofd op de rand van een stalen prullenmand terecht. Ik was absoluut niet van plan om naar zijn begrafenis te gaan, maar mijn moeder belde mij jankend op –’Je er moet er toch bij zijn!’– en toen ben ik ten slotte maar gegaan. Voor mijn moeder. Ze had iemand nodig om tegenaan te leunen en dat bleek ik te zijn. We zijn naar het ziekenhuis gegaan, naar het mortuarium in de kelder. Daar lag mijn pa. Ik zag onmiddellijk de rode plek die hij door de val op de prullenmand had opgelopen, nam mijn moeder bij de schouder en voerde haar naar de andere kant van de kist. Vind je dat lief? Ah! Maar, ik bén ook een lieve, zachte man. Ik heb alleen de schijn tegen me doordat ik zoveel polemiseer, scheld en om mij heen trap& Ja, waarom wilde ik haar voor die aanblik behoeden? Ik had überhaupt niet naar die begrafenis hoeven gaan, maar ze maakte er zo’n drama van&

Bij haar eigen begrafenis ben ik niet geweest. Er was toch niemand die mij zei dat ik daarbij moest zijn. Het deed je niks? Nou, het deed me niks, het deed me niks, pas op: ik kom toch uit mijn ouders voort. Mijn moeder heeft me gedragen, voor een deel nog opgevoed ook - zelfs de meest kromgetrokken hater van zijn ouders wordt daardoor geraakt. Verrek, ze is dood. Dat proces heb ik in ’Bezonken Rood’ beschreven. Ik kreeg een telefoontje. Mijn zwager. ’Je moeder is dood.’ Daar begon –dat is naar waarheid geschreven– een molen te draaien. Die moeder, wie is zij? Hoe is ze aanwezig, wat herinner ik me van haar? Toen ben ik gaan schrijven over het kamp waar ik met haar, mijn oma en mijn zusje heb gezeten. In het jappenkamp heeft die moeder-kindband bestaan – als een aapje heb ik aan haar been gehangen, niet weggaan, niet weggaan– daarna was er niets meer. Nee, ik kon het ook niet terughalen. Met mijn moeder viel niet te praten. Ze is nooit bevrijd geraakt van haar heimwee naar Indië.

Laatst bracht iemand een vrucht bij mij. Wat is dat voor een ding? Wij wisten het niet. Ik pel, ik proef en& ja, verdomd, Indië! De boom waar die vrucht aan groeit, stond bij ons in de achtertuin. Ik zag mezelf als kruimel, als kleuter, spelend bij die boom. Ik werd overvallen door een gevoel van grote weemoed, overweldigd door melancholie, terwijl ik daar niets heb liggen, in Indië. Hooguit een paar jeugdherinneringen.

Wij woonden op Java. Mijn vader werd in de oorlog naar Tokio getransporteerd, heeft daar in het kamp gezeten en kwam, toen hij terug wilde keren, niet verder dan Balikpapan, op Borneo. Daarvandaan heeft hij de rest van de familie naar zich toe laten komen. Mijn bewuste jeugd heb ik in Balikpapan doorgebracht. Het was een oliedorp. Het eerste wat de Jappen deden toen ze Indië innamen, was dit deel van Borneo helemaal platbombarderen. Daar kwam ik te wonen: in die prachtige natuur, tussen de zwarte kraters van het bombardement. Op die plek ben ik het gelukkigst geweest. Want ik heb natuurlijk ook een gelukkige, tevreden kant, al is die nog niet ter sprake gekomen.”

V Gij zult niet doden

„Ik ben totaal geweldloos. Waar de woede uit mijn jeugd terecht is gekomen? In mijn romans wellicht, voorzover ik het er überhaupt over wil hebben. Luister eens hier, op zeker moment worden dat soort gevoelens, woede en wrok, onderdeel van je karakter, je komt daar niet meer vanaf. Ik leef met bepaalde woedes tegenover mijn ouders, mijn opvoeding. Dat is nu eenmaal zo, daar kan ik verder niets mee.

De enige mogelijkheid die rest is: de zaak uit je hersens te verdringen. Weg! Nou, daar slaag ik ook niet in. Waarschijnlijk staat mijn artistieke aard dat niet toe.

Of ik wel eens therapie heb overwogen? Ben je gek zeg! Psychiatrische hulp? Sodemieter op. Zo erg is het niet met mij! En wat zou zo’n kerel mij kunnen vertellen? Gesteld: ik ga naar de psychiater en die man weet de woede uit mijn kop te trekken, dan ben ik die emoties dus kwijt. Hoe kan ik dan nog een woede beschrijven in mijn romans? Jazeker, die woede behoort mede tot mijn geestelijk kapitaal. Een schrijver moet zuinig zijn op zijn gevoelens, zuinig op de inhoud van zijn brein.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

„Onkuisheid, wat werd daar ook alweer onder verstaan? Zonde in bedoeling, woord of daad. Als je denkt: goh, wat een lekker wijf, daar zou ik wel eens mee willen – zonde. Vieze praatjes vertellen, schuine moppen? Zonde. Op kostschool bestond voor mij maar één zo’n daad: masturberen. Een doodzonde. Dus, stel dat je na het masturberen doodvalt, dan ga je linea recta naar de hel en daar kom je nooit meer uit ook. Ik begreep niet waarom het zonde was. Wie deed ik daar dan verdriet mee? Ik wist niet eens dat het iets met seksualiteit te maken had.

Ik herinner me dat mijn zus op een dag zei: ’Piet moet trouwen’`. ’O ja’, vroeg ik, ’van wie?’ ’Weet jij niet hoe dat in elkaar zit dan?’ Ik zeg: ’Ik weet van niks’. Op die manier werd ik voorgelicht: nou, de man steekt zijn ding bij de vrouw erin en – o! Zit dat zo! Allerlei gordijnen gingen open. Op mijn achttiende nog! Totaal wereldvreemd. Het zou nog tot mijn vierentwintigste duren voordat ik het met een meisje deed.”

VII Gij zult niet stelen

„Het verhaal van Dirk de Witte? O, mijn God! Dat is oud en belegen. Ik zou zijn manuscript hebben ingepikt en er mijn eigen debuut ’Joris Ockeloen en het wachten’ van hebben gemaakt. Het is een gerucht dat al dertig jaar speelt. Vooral in Vlaanderen.

En dan, in 2001, koppen in de krant: ’Jeroen Brouwers plagiaat!’ Dezelfde krant één dag later: ’Jeroen Brouwers pleegde géén plagiaat!’

Afijn, een paar geleerde heren en een paar vooraanstaande journalisten hebben zich over die twee manuscripten gebogen, de boel vergeleken en gezegd: geen sprake van. Een oninteressant verhaal.

Wat belangrijker is: ik heb De Standaard, vanwege die aantijgingen, een proces aangedaan dat nog altijd slepende is. Waarom? Eerroof! Laster! Mijn integriteit door de modder trekken! Dat mag niet, meneer! Als je kunstenaar bent, is integriteit je grootste goed. Die mag je niet zomaar laten bezwadderen. Plagiaat! Het is de grootste belediging die mij ooit naar het hoofd is geslingerd.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Een romanschrijver is het aan zijn kunst verplicht een verhaal zo goed mogelijk te construeren en te formuleren. Als hij het nodig acht daar iets bij te fantaseren, dan mag hij dat niet laten want het gaat niet om de waarheid, het gaat om de roman. In romans mag alles.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

„Ook ik raakte tenslotte, zoals iedereen, getrouwd, stelde de huwelijkse daad enzovoorts, totdat het mij begon te vervelen. Gewoon: verveling, meneer! Dat kan toch optreden? Voilà!

En toen schoof ik het raam omhoog en ging eens in de straat kijken of er nog wat anders rondliep& Ik ben, wel vijftien jaar lang, volstrekt losgeslagen geweest. Zuipen, zúipen! En neuken natuurlijk. Van het ene bed in het andere. Louter genot. Van liefde moest ik niets weten. Dat waren relaties van een nacht, of hooguit een paar dagen. Nee, het ging niet vervelen en ik vond het ook beslist niet onkuis, maar je wordt er tenslotte zo intens eenzaam van&

Het is mijn grote geluk geweest opeens de liefde van mijn leven te zien verschijnen. Dat was seksueel, geestelijk, op alle fronten die je kunt bedenken, goed. Er brak een periode van geluk aan die een jaar of vijf duurde.

Tot ook daar weer de sleet op komt& Het is steeds dezelfde kink in de kabel: verveling. Op een gegeven moment ben je uitgeneukt, of uitgepraat. Er is totaal niets nieuws meer in zo’n situatie. Dát is de kink. Wat rest is eenzaamheid, hoewel eenzaamheid& dat klinkt ook weer zo zwaar. Ik heb wel een vriendin, maar ik woon, sedert een jaar of vijf, zes, zeven, alleen. Ik realiseer me nu pas dat ik dat twintig jaar eerder had moeten doen. Ik voel me prima op mijn gemak, volstrekt in harmonie. Laat mij maar zo.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Als je, zoals ik, leeft met het idee dat het er allemaal geen sodemieter toe doet, moet je ervoor zorgen dat je het leven zin geeft. Ik heb dat gedaan door het schrijven van boeken waarvan er een paar best goed zijn. Zodat later te bewijzen valt: er is hier ooit een Jeroen Brouwers geweest. Al vind je hem terug in de zevende voetnoot: de naam bestaat nog!

Maar goed, je roert hier een kwetsbaar punt aan. Sterfelijkheid, bederfelijkheid, het einde. Dat is verschrikkelijk. Gruwelijk. Ik begin een oude lul te worden. Ik heb me er nooit iets van aangetrokken, maar opeens, de laatste weken, zit ik ermee: ik denk aan de dood. Ik denk er aan en toch weet ik: het is mijn tijd nog niet.

Jij gaat dood. Ik niet! Ik heb een sterke engelbewaarder. Ik heb een ernstig auto-ongeluk overleefd, een lelijke val van het trapje bij mijn huis.

Binnenkort wordt mijn luchtpijpprothese weer vervangen. Dat moet ieder halfjaar, onder volledige narcose, gebeuren en toch ben ik nooit bang. Ik ga niet sterven op zo’n tafel, onder die schijnwerpers. Ik mot nog wat! Er is een taak die voltooid moet worden. Zolang je die gedachte in je hoofd hebt, blijf je. Dat denk ik. Dat denk ik serieus.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden