Jenone is al blij dat ze werkt

Producten reizen de hele wereld over voor ze in het land van bestemming worden verkocht. De wereld wordt steeds kleiner, maar de condities waaronder mensen deze producten maken, veranderen nauwelijks mee. De Nederlandse regering wil daarom volgende maand op de wereldhandelsconferentie in Singapore een internationale discussie over wereldwijde sociale normen. Deel vier van een serie over sociale condities in geglobaliseerde industrietakken: kinderschoenen.

Ooit was dit een Hongaars staatsbedrijf, nu maken Nederlanders er de dienst uit. Sarbo werkt in loonopdracht voor de schoenfabriek Beniamino in Kaatsheuvel, producent van de kwaliteitskinderschoenen Bunnies en hun goedkopere broertjes, de Brakkies.

Er is een korte tijd geweest dat de werknemers zelf de touwtjes in handen hadden, toen de fabriek net als duizenden andere middelgrote bedrijven in Hongarije werd geprivatiseerd aan het begin van de jaren negentig. Maar gebrek aan ervaring, het wegvallen van de Russische markt en het ontbreken van een modern banksysteem in Hongarije joeg de fabriek richting faillissement. De Nederlanders konden het complex, met drie fabriekshallen, inclusief machines, voor een appel en een ei op de kop tikken. De 127 werknemers - inmiddels mede-eigenaren geworden - konden opgelucht ademhalen. Hun kapitalistische avontuur was tenminste niet meteen gesneuveld.

Liefdevol pakt Ad Verhagen een half-af kinderschoentje uit het rek. “Kijk, die paar centimeter stikwerk, dat kost al 12 minuten. De hele schoen 90 minuten. Dat is bij ons in Nederland niet meer te betalen”. Het schoentje in Verhagen's noeste handen is een lage moccasin, maatje 26, geheel volgens de laatste mode die vereist dat een drie- of vierjarige op net zulke schoenen loopt als papa.

Verhagen is productiemanager van Sarbo: twee weken per maand zit hij op het hoofdkwartier in Kaatsheuvel en de twee andere weken houdt hij hier in Sarvar het productieproces in de gaten. ln het magazijn liggen grote pakken gelooid leer uit Nederland.

“Het beste leer in onze branche komt uit Zuid-Duitsland en Zwitserland, want daar lopen de koeien gewoon vrij, daar heb je weinig krassen en schade van prikkeldraad. Maar wij betrekken ons leer meestal uit Noord-Duitsland, ook prima kwaliteit. Het leer wordt in Nederland gelooid.”

De huiden worden in Nederland meteen ook in de laatste modekleuren geverfd. De consument stelt hoge eisen: ieder halfjaar komen er 60 tot 80 nieuwe modellen Bunnies en Brakkies op de markt in vier verschillende kleurencombinaties. Het magazijn ligt verder volgestouwd met voeringmateriaal uit Taiwan, zolen uit Oostenrijk - die weer deels in Tsjechië zijn gemaakt - en allerlei andere schoenonderdelen van over de hele wereld.

De werknemers van Sarbo, op dit moment nog 90, werken acht uur per dag, vijf dagen per week. ln de ochtend hebben ze twintig minuten pauze om een boterham te eten. Tot de Nederlanders kwamen, deden ze dat gewoon achter hun werktafel, nu is er een keurige kantineruimte met een roken- en een niet-roken-afdeling.

De Brakkies worden hier helemaal in elkaar gezet (650 per dag), van de Bunnies worden alleen de schachten - de bovendelen - in Hongarije gemaakt (200 per dag). Achter een plaktafel legt de 53-jarige Jenone uit dat ze al 25 jaar bij de schoenenfabriek werkt en allang blij is dat ze nog werk heeft.

Met het basisloon van 151 forint per uur (1,64 gulden) verdient ze zo'n 20 000 forint in de maand, inclusief overwerk. Alles bij elkaar gaat ze maandelijks, omgerekend, met zo'n 220 gulden naar huis.

Verhagen maakt er geen geheim van dat de lage loonkosten de belangrijkste reden vormen om de Bunnies en Brakkies juist hier te maken. Zeker nu landen als Spanje en Portugal, waar het moederbedrijf Beniamino de laatste jaren ook actief is geweest, te duur worden. Iets dat volgens Verhagen trouwens ook in Hongarije kan gaan gebeuren als het land straks, aan het begin van de volgende eeuw, lid wordt van de Europese Unie. Maar zover is het nog niet. Ook de ligging van Sarvar, nauwelijks zestig kilometer over de Oostenrijkse grens, was een belangrijke factor. “Van hieruit ben je zo in de rest van Europa”.

De Hongaarse mentaliteit, die volgens hem dichter bij de Oostenrijkse staat dan bij de Balkan, ziet hij ook als een groot voordeel. “De mensen zijn hier veel betrouwbaarder. In twee jaar tijd zijn hier misschien twee paar schoenen gestolen”.

Van collega's die zaken doen in Roemenië en Bulgarije, hoort hij vreselijke verhalen. “Zou ik voor de goedkopere markt schoenen moeten maken, dan moest ik ook naar Roemenië of Bulgarije. Maar dat hoeven we niet omdat het een kwaliteitsproduct is”, zegt Verhagen duidelijk opgelucht. “De Hongaren zijn voor mij geen Balkan-mensen”.

Helemaal aan het eind van de productielijn staat Sandorne de luxe-kinderschoentjes in dozen te stoppen. Na de zoveelste kwaliteitscontrole zijn ze klaar voor de markt: in Nederland en de Benelux. Op de Hongaarse markt zijn de Bunnies en de Brakkies nog niet te koop. Sandorne is 44 jaar en heeft haar hele leven in de schoenenfabriek gewerkt. Ze heeft twee volwassen kinderen. “Zelfs als mijn kinderen nog de leeftijd hadden, zou ik me nooit zulke schoenen kunnen veroorloven”.

Ze kan zich geen enkele voorstelling maken van het leven van de Bunnie- en Brakkie-dragers in West Europa. Zelf verdient zij, na aftrek van belasting, nog geen 200 gulden per maand. Haar man, die bij een ander bedrijf werkt, verdient iets meer. Maar meer dan 500 gulden hebben ze per maand niet uit te geven, en daarvan gaat meer dan de helft meteen op aan huur, gas en elektriciteit. Want de lonen mogen laag zijn in Hongarije, de prijzen schieten de lucht in, en de inflatie ligt nog altijd ruim boven de twintig procent. De twintig procent loonsverhoging die de werknemers van Sarbo aan het begin van het jaar hebben gekregen, kan daar nauwelijks tegen op.

Ferenc en Attila zijn ook al jaren in dienst van de schoenenfabriek en hebben alles meegemaakt: het staatsbedrijf, de privatisering en nu de Sarbo-constructie. Terwijl ze sandaaltjes voor de zomercollectie van volgend jaar over een leest trekken, vertellen ze dat ze onzeker zijn. Ze hebben het gevoel dat alles een beetje snel gaat onder de Nederlandse leiding. Er is meer competitie en minder saamhorigheid tussen de werknemers. Bovendien moet er harder gewerkt worden, vinden ze.

Een vakbond is er niet. De belangen van de werknemers worden vertegenwoordigd door een 'fabriekscommissie' - ieder bedrijf in Hongarije met meer dan 50 werknemers heeft zo'n commissie -, maar daar voelen ze zich niet echt door vertegenwoordigd. Verhagen geeft toe dat die fabriekscommissie inderdaad niet veel voorstelt - er wordt alleen over vakantiedagen gesproken - en een vakbond heeft hij hier ook nog nooit gezien.

Verhagen benadrukt dat Sarbo zich strikt aan de Hongaarse regels houdt, maar hij geeft toe dat die regels een werkgever wel veel meer ruimte geven dan in Nederland. Het ontslag van een werknemer in vaste dienst kost de werkgever niet veel meer dan een maandsalaris en hij is geen tijd kwijt met loononderhandelingen. Als het aan Verhagen ligt, wordt Sarbo nog veel groter. Goed geschoolde vaklui is wel een probleem. Want de Nederlanders zijn niet de enigen die de voordelen zien van productie in West-Hongarije. Ook Italiaanse en Duitse bedrijven speuren de markt af. Op het prikbord in de kantine van Sarbo hangt dan ook een briefje dat iedereen die een goede vakman inbrengt op een flinke beloning kan rekenen.

De reis van de kinderschoen

De Bunnies en de Brakkies zijn niet alleen 1500 keer in handen genomen tijdens het productieproces, ze hebben ook duizenden kilometers gereisd.

De huiden waar het leer van wordt gemaakt, komen van melkvee dat rondloopt in Nederland, Groot-Brittannië en vooral Noord-Duitsland. De eerste reis is naar de leerlooierij in Nederland. Vandaar gaan de bewerkte huiden naar Hongarije. Daar worden ze gestanst en verwerkt. De voering van de schoenen, eveneens leer, komt van veel verder. Het moederbedrijf Beniamino koopt de voering in het goedkope Taiwan. De zolen worden meestal in Oostenrijk gemaakt of net over de grens in Tsjechië. Het contrefort, oftewel de hiel, wordt ook in Oostenrijk gemaakt en de neuzen komen uit Duitsland of Nederland. Alle onderdelen komen naar Hongarije om daar tegen lage loonkosten in elkaar gezet te worden. De Bunnies en Brakkies worden weer teruggebracht naar Nederland en van daaruit op de markt gebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden