Jemen Eritrea

'Door zijn ruige landschap dat de achtergrond vormt van een geschiedenis van elkaar beoorlogende krijgsheren, heeft Jemen, net als Afghanistan, nooit een succesvolle koloniale heerschappij en een effectief centraal bestuur gekend.' De Amerikaanse journalist Robert Kaplan reisde van Jemen, op het Arabische schiereiland, naar de Hoorn van Afrika: 'Op 45 minuten vliegen van Jemen, voorbij de Straat van Bab el Mandeb in de Rode Zee, ligt het pas onafhankelijke, slaperig kalme en opmerkelijk stabiele Eritrea'. Jemen en Eritrea: twee reisreportages, van jambiyahs tot tilapia, van Saleh tot Afewerki, en tegelijk twee casestudy's in de oorlog tegen het terrorisme. 'Onze militaire betrokkenheid bij de twee naties betekent politieke bemoeienis met hun binnenlandse aangelegenheden - en dat is eeuwenlang de essentie geweest van imperialisme.'

Het zou een toeristenparadijs moeten zijn, de drieduizend jaar oude ruïnes van wat eens de hoofdstad was van het koninkrijk van Saba (het bijbelse Sheba). Maar toen ik deze plek onlangs bezocht was ik alleen, afgezien van het escorte Jemenitische soldaten dat mij vergezelde op mijn tocht door de met fijn stof overdekte oude stad. Zelfs de souvenirwinkel hier, gebouwd voordat er westerse toeristen werden ontvoerd en voordat het gebied werd geïnfiltreerd door Al-Kaida, is een ruïne. Op 3 november 2002, een maand voor mijn bezoek, vernietigde een raket, afgeschoten door een onbemand Predator-vliegtuig van de CIA, een auto waarin Aboe Ali al-Harthi, een verdachte Al-Kaida-leider, samen met vijf anderen zat. Sindsdien is dit gebied gewoonlijk verboden voor Amerikanen, voor hun eigen veiligheid. 'Als ze je ernaar vragen,' adviseerde mijn Jemenitische gids, 'zeg dan dat je een Australiër bent.'

Tussen de Jemenitische hoofdstad Sanaa en Marib, een afstand van 160 kilometer naar het oosten, parallel aan de Saoedische grens, zijn niet minder dan elf militaire controleposten, aangegeven door met cement gevulde olievaten. De overheid is in dit gebied sterker aanwezig dan ooit, en dat is een hele prestatie. Toch reikt de door de controleposten geboden veiligheid niet veel verder dan de hoofdweg. Nabijgelegen nederzettingen verbergen de soms van eigen artillerie voorziene kampen van rebellerende stamhoofden. Buiten de hoofdweg is een westerse bezoeker veiliger onder bescherming van een plaatselijke stam dan van een overheidsescorte.

Langs de weg van Sanaa naar Marib heb je hier en daar smerig uitziende winkeltjes waar mannen handelen in wapens en qat, een plant die wordt gekauwd en een mild opwekkende en verdovende uitwerking heeft. Qat biedt de Jemenieten een zeldzame luxe in een overigens naargeestig bestaan. Maar de qat-plant heeft veel water nodig en de verbouw ervan is een reden voor de verwoestijning van het land. Volgens de Wereldbank is de voorraad grondwater in Jemen voldoende voor nog maar twee generaties. Intussen groeit de bevolking met meer dan drie procent per jaar, een van de hoogste groeicijfers in het Midden-Oosten. De helft van de inwoners bestaat uit kinderen onder de vijftien jaar.

De van ratten vergeven straten van Marib stinken naar olie en urine. De stad wemelt van de jonge mannen, vaak tieners met slechte tanden en huidverkleuringen, die rondrijden in auto's met open laadbak, gewapend met messen en kalasjnikovs. De messen zijn jambiyahs. Bot en moeilijk uit de schede te krijgen, zijn het nogal onpraktische wapens. Maar ze symboliseren de stabiliserende invloed van stamgewoontes in Jemen - het sociale bindmiddel dat de gewone misdaad laag houdt. De AK-47 oftewel het kalasjnikov-geweer is een andere zaak. 'Als je een geweer hebt, waarom zou je dan nog leren lezen en schrijven?', antwoordde een Jemenitische soldaat op mijn vraag aan een groepje gevaarlijk uitziende jongelui of ze nog wel naar school gingen. Dat deden ze niet.

Naar schatting zijn er zo'n 80 miljoen vuurwapens in Jemen - vier voor iedere Jemeniet. Deze wapens én het feit dat Al-Kaida hier mogelijk sterker aanwezig is dan waar ook (afgezien van het Afghaans-Pakistaanse grensgebied) dreigt het al eeuwen met kleinschalige stamgevechten kampende Jemen in een anarchie te storten. De hoge muren, het prikkeldraad en de vele gewapende bewakers in Sanaa getuigen van de angst bij zowel de Jemenitische overheid als de buitenlandse gemeenschap.

Bedenk dat terrorisme een ondernemingsactiviteit is, die wordt gedomineerd door initiatiefrijke starters. Een Amerikaanse militaire expert zei hierover: 'In Jemen heb je zo'n twintig miljoen agressieve, commercieel georiënteerde en goedbewapende mensen, die allemaal extreem hard werken vergeleken met de Saoedische buren. Zij hebben de toekomst en dat jaagt de regering in Riad een gruwelijke angst aan.' Neem bijvoorbeeld de Wadi Hadhramaut, een honderdzestig kilometer lange oase in Zuidoost-Jemen, omgeven door grote woestijnvlaktes en steenplateaus, waar al sinds 1000 voor Chr. mensen wonen. Ondanks haar geïsoleerde ligging en een geschiedenis van bekrompen stamvetes onderhoudt deze streek al eeuwenlang contacten met landen als India en Indonesië. De vorst van Hyderabad, in centraal-India, rekruteerde zijn lijfwachten exclusief uit de Hadhrami-stam. De Hadhramaut is ook verbonden met Saoedi-Arabië door de bedoeïenen-routes waarover in vroeger tijden de karavanen trokken. Vandaag de dag biedt dit alles een geschikt sociaal en economisch netwerk waarbinnen een organisatie als Al-Kaida zaken kan doen over de hele wereld - vooral omdat de familie van Osama bin Laden uit de Hadhramaut-streek komt.

Jemen speelt een centrale rol in de bestemming van Arabië en daardoor ook in de oorlog tegen het terrorisme. De meeste terroristen van 11 september, die bijna allemaal afkomstig waren uit Saoedi-Arabië, kwamen voort uit de politieke spanningen op het Arabische schiereiland. Hoewel Jemen in oppervlakte maar een kwart van Saoedi-Arabië beslaat, wonen er bijna evenveel mensen. Het demografische zwaartepunt van het schiereiland ligt dus hier, in de bergachtige zuidwesthoek, waar uitgestrekte basaltvlaktes, zich verheffend tot zandkasteelachtige formaties en vulkanische zuilen, een netwerk omarmen van sinds de oudheid dichtbevolkte oases.

Van elkaar gescheiden door bergmassieven en rijk geworden door de productie van kruiden, vochten de oude tribale koninkrijken van Saba, Hadhramaut en Himyar oorlogen uit, terwijl hun kooplieden al nauwe relaties onderhielden met Afrika en Zuid-Azië. Deze koninkrijken werden opgevolgd door een verbijsterende verscheidenheid aan middeleeuwse sjiitische en soennietische Arabische dynastieën, waaronder elke vallei en oase haar eigen soevereiniteit behield. Hoewel de Ottomaanse Turken Jemen in 1517 schijnbaar veroverden, kregen ze grote stukken stamland nooit onder controle. De Britse officieren die na de Turken kwamen en het protectoraat Aden beheerden, hadden hun handen vol aan het handhaven van de vrede onder de elkaar bestrijdende stammen in de Hadhramaut en aangrenzende valleien. Freya Stark, een Britse ontdekkingsreiziger en arabist die in de jaren dertig in Jemen rondtrok schreef over 'wilde kleine mannen uit een vroegere wereld' die hun hele leven bezig waren met 'het voeren van guerrilla-oorlogen'.

Het geweld is nooit echt weggeweest in deze hoek van Arabië. Van 1962 tot 1968 werd in Noord-Jemen een burgeroorlog gevoerd tussen aanhangers van een conservatieve imam en revolutionaire officieren, gesteund door Gamal Abdel Nasser van Egypte. Het conflict kostte 200 000 mensen het leven. Toen ontstond een republiek met een militair bewind: Noord-Jemen. In het zuiden van Jemen bood het protectoraat Aden intussen ruimte voor een marxistische staat, bekend als Zuid-Jemen; een poging van Moskou om in 1986 de leiding van de Jemenitische Communistische Partij te wijzigen, leidde tot een stammenoorlog waarin 10 000 mensen werden gedood. De sovjets ontdekten dat regeringen in Jemen, net zoals in Afghanistan, eenvoudig te veranderen zijn, maar dat zij, eenmaal geïnstalleerd, worden ondermijnd door stammen uit het achterland. Door zijn ruige landschap dat de achtergrond vormt van een geschiedenis van elkaar beoorlogende krijgsheren, heeft Jemen, net als Afghanistan, nooit een succesvolle koloniale heerschappij en een effectief centraal bestuur gekend.

Noord- en Zuid-Jemen werden officieel verenigd in 1990, na het ineenstorten van Zuid-Jemen in het kielzog van het wereldwijde verval van het sovjetrijk. Maar het democratische experiment, wat zo succesvol verliep in Oost-Europa, leidde hier in 1994 tot een nieuwe burgeroorlog, ditmaal langs de noord-zuid lijn. Het Noorden won de strijd, 7000 mensen verloren het leven. De zuidelijke weg langs de Arabische Zee ligt nog bezaaid met verschroeide tanks.

President Ali Abdullah Saleh, een voormalige luitenant-kolonel, heeft eerst Noord-Jemen geregeerd en daarna, sinds 1978, het voorlopig verenigde Jemen. Volgens de meeste zegslieden beheerst zijn regering de hoofdwegen, olievelden en pijpleidingen, maar aanzienlijke stukken platteland, met name de woestijngebieden langs de Saoedische grens, zoals Marib, al-Jawf en Sada blijven grotendeels onbeheersbaar. Rondtrekkend door Jemen wordt duidelijk hoe dit kan. Bij de vele druk bezochte winkeltjes langs de weg draagt niet alleen elke man of jongen een kalasjnikov, maar ze doen die ook bij het eten niet even af. Toch slaagt president Saleh er waarschijnlijk beter in dan de Turken of Britten voor hem, om meer controle over dit land te krijgen.

De stress waaraan een Arabische leider als Saleh blootstaat en de risico's voor hem en zijn familie als hij een misrekening zou maken, zijn zo groot dat de meeste Amerikaanse politici, die toch wel wat gewend zijn, er volkomen door verlamd zouden raken. Het doel van een heerser in Saleh's positie is niet zozeer grote daden te verrichten, maar zo lang mogelijk aan de macht te blijven en daarna vredig in bed te sterven. Daarom is de Egyptische leider Hosni Moebarak - wiens steriele autocratie in het Westen spot oproept - volgens de in de regio geldende normen een succes, terwijl zijn meer dynamische voorganger, de in 1981 door radicale islamieten vermoorde Anwar Sadat, vaak wordt gezien als een rampzalige mislukking. Saleh heeft Jemen al een kwarteeuw in de greep, terwijl verscheidenen van zijn voorgangers na een korte ambtstermijn werden vermoord. Hij heeft dit kunnen bereiken doordat hij de stammenpolitiek beheerst - die precies dat is wat wij in het Westen bedoelen met 'onderontwikkeling'.

Onderontwikkeling betekent veel: analfabetisme, slechte infrastructuur, hoge werkloosheid en hoge kindersterfte. Dit alles komt overvloedig voor in Jemen. Maar in de kern duidt het woord een situatie aan waarin de overheid en haar organen niet worden geleid door een onpersoonlijk systeem van wetten en normen. Wat er echt toe doet zijn familiebanden en wie je kent. Dus is Mexico onderontwikkeld, ook al is het een democratie, omdat Mexicaanse rechters regelmatig worden omgekocht en de politie even gevaarlijk wordt gevonden als de criminelen. Jemen is vanwege zijn tribale karakter het ultieme onderontwikkelde land - een erfenis van zijn geografie en verleden.

Op een middag zat ik in Sanaa op een kamer met zo'n twintig stamleden die op de grond of op sofa's lagen en qat kauwden. Een sjeik (stamhoofd) had een notitieblok, zijn Makarov-pistool en kalasjnikov bij zich en spoog zijn qatpruimen in een spuugbak. Hij luisterde naar de smeekbedes van de anderen in de kamer, onder wie een man wiens broer gearresteerd was op de beschuldiging dat hij geld van de bank had gestolen. Het idee dat een goede advocaat en een onafhankelijke rechter voor gerechtigheid zouden zorgen, kwam niet bij iemand op. Het leek alsof alleen de sjeik voor een eerlijke oplossing van het probleem kon zorgen. 'In Jemen', zegt een van de aanwezigen, 'is het stammenstelsel sterker dan de regering, sterker zelfs dan de islam.'

Het regime van Saleh is onderdeel van het stammensysteem. Saleh behoort tot de Ha shid-stam, de kleinste van de twee belangrijkste stammenbonden in West-Jemen; de andere is de Bakil. De Hashid is echter beter georganiseerd en heeft de president gered bij een aantal confrontaties in het verleden, vooral met het marxistische Zuid-Jemen. Officieel houdt het land verkiezingen en heeft het ministeries. Maar in werkelijkheid zijn de verkiezingen vaak een instrument om de macht van een sjeik te institutionaliseren, waardoor een ministerie deels het leengoed van een stam kan zijn. Terwijl de machthebbers in de Perzische Golf de oliewinsten hebben gebruikt om wegen aan te leggen en instituties op te zetten om de greep van de centrale overheid te versterken, wat kan leiden tot modernisering, is dit veel minder gebeurd in Jemen, ten dele omdat Saleh zijn oliewinsten - die twee derde vormen van alle overheidsinkomsten - moest gebruiken om sjeiks ertoe te bewegen zich rustig te houden.

De stamlanden in het Marib-gebied zien er arm uit, maar hun sjeiks zijn soms rijk - door overvallen op de snelweg, wapensmokkel langs de grens met Saoedi-Arabië en steekpenningen. Om de trouw van de sjeiks te kopen, moet Saleh wedijveren met de vrijgevigheid van de Saoedische wahhabisten en ook, naar verluidt, met Al-Kaida. Om veilig aan de macht te blijven moet hij zijn best doen de Jemenitische stamhoofden niet van zich te vervreemden. Een westerse waarnemer zei: 'Hij blijft dicht bij zijn vijanden in de buurt zodat hij kan zien wat ze van plan zijn, ook bij de radicale 'Afghaanse Arabieren' - veteranen uit de moedjahidien-oorlog tegen de sovjets in Afghanistan, die Saleh te hulp moest roepen tijdens de burgeroorlog in Jemen in 1994. Een manier om een waakzaam oog op de sjeiks te houden, is ze in Sanaa land aan te bieden waar ze luxehuizen kunnen bouwen, zodat ze minder tijd spenderen in gebieden als Marib.

Natuurlijk zitten er positieve kanten aan de anachronistische Jemenitische drie-eenheid van familie, dorp en stam. Ze voorkomt het ontstaan van een verlammende gecentraliseerde tirannie zoals je die aantreft in Irak, Syrië en andere Arabische landen. Egyptenaren hebben een cynische kijk op hun verkiezingen, omdat die heel doorzichtig gebruikt worden om het regime een wettig aanzien te geven.

vervolg op pagina 38

Jemen Eritrea

vervolg van pagina 37

In Jemen geeft de afwezigheid van een echte tirannie de stamleiders macht, maar ze maakt verkiezingen ook tot een middel om de publieke ontevredenheid over een aantal kwesties legitiem te uiten. Het probleem in Jemen is eerder de spreiding dan de concentratie van macht. Zelfs de militaire controleposten zijn freelance-ondernemingen, met soldaten die voor 20 dollar een buitenlander meenemen in een auto en hem beschermen tot de volgende controlepost.

Tribalisme werkt ook als een beteugeling van partijpolitiek, zodat zwaarbevochten verkiezingen niet hoeven te leiden tot een burgeroorlog. Zo vertegenwoordigt de islamitische Islah-partij (de 'Broederschap voor Hervorming') de belangrijkste oppositie tegen de regering. Toch behoort de leider van de Islah, Abdullah Al-Ahmar, tot dezelfde Hashid-stam waartoe ook de president behoort. Zulke banden tellen in Jemen sterker dan ergens anders.

Dit moeilijk te regeren, maar levensvatbare stammensysteem wordt nu bedreigd door twee destabiliserende elementen: Al-Kaida en een intensieve druk van de regering-Bush. De aanslagen van Al-Kaida op de USS Cole in de haven van Aden in 2000 en op de Franse tanker Limburg, voor de kust van Jemen in 2002, heeft sommige westerse waarnemers misschien in verwarring gebracht. Tenslotte zouden de aanslagen de VS en Frankrijk, twee ruziënde bondgenoten in de antiterreurcampagne, dichter tot elkaar hebben moeten brengen. Maar Al-Kaida wist precies wat het deed. Zonder Saleh zou Jemen een handig chaotische, cultureel sympathiserende basis voor Al-Kaida zijn, veel bruikbaarder dan het niet-Arabische, geo grafisch marginale Afghanistan. Het regime van Saleh is niet noodzakelijk zwak: zijn veiligheid en partij-apparaat verschaffen een institutionele machtsbasis die in het twintigste-eeuwse Jemen zeldzaam was. Maar een sterke vermindering van de overheidsinkomsten, die het belangrijkste in strument voor Saleh zijn om vijandige sjeiks gunstig te stemmen, kan zijn regime toch ondermijnen. Volgens schattingen hebben de aanslagen de hoeveelheid vracht die in Aden binnenkomt met 75 procent verminderd en bedragen de verliezen in de containerhandel maandelijks 25 miljoen dollar. En de premies voor de oorlogsrisico-verzekering zijn voor schepen die havens in Jemen aandoen al zes keer zo hoog als gemiddeld.

De olie-inkomsten hielpen Saleh een einde te maken aan de golf ontvoeringen van westerlingen, die Jemen eind jaren negentig trof. In het typische ondernemingsklimaat van Jemen ontvoerde een sjeik die een waterbron of iets anders nodig had, eenvoudig een vreemdeling en hield hem vast voor een losprijs tot er een regeling met het regime getroffen werd. Toen de net aantrekkende toeristenindustrie inzakte, versterkte Saleh de militaire aanwezigheid langs de hoofdwegen en sloot financiële overeenkomsten met de stamhoofden om de ontvoeringen te stoppen. Sinds eind 2001 zijn er geen ontvoeringen van buitenlanders meer voorgekomen. Maar de westerlingen vrezen dat ze opnieuw kunnen beginnen als de olie-inkomsten verder teruglopen.

Intussen oefent president George W. Bush zware druk op Saleh uit om jacht te maken op Al-Kaida-strijders in Jemen. De succesvolle Predator-aanslag in Marib - het resultaat van inlichtingen die zeer waarschijnlijk afkomstig waren van de hoogste regeringskringen in Jemen - laat zien hoe effectief die druk kan zijn. In ruil krijgt Saleh jaarlijks 22 miljoen dollar aan militaire steun, onder meer om een kustwacht op te zetten ter bescherming van de havens en om speciale Jemenitische strijdkrachten op te leiden om problematische stamgebieden onder controle te krijgen. Ook bieden de VS steun voor het bouwen van ziekenhuizen en scholen in door Al-Kaida bedreigde gebieden, als onderdeel van het Amerikaanse streven om de lokale bevolking te laten zien aan welke kant ze zou moeten staan.

Hoewel Saleh zich in 1990 en 1991 aansloot bij Saddam Hoessein, heeft een groot aantal Amerikaanse functionarissen inmiddels een bezoek gebracht aan Sanaa, onder wie vicepresident Dick Cheney en generaal Tommy Franks, het hoofd van de Amerikaanse strijdkrachten in het Midden-Oosten. 'Saleh heeft zich een enkele reis naar de Amerikanen gekocht', zei een westerse functionaris in Jemen. 'Er is voor hem geen weg terug.'

Saleh heeft het risico voor zichzelf verkleind door de banden aan te halen met zijn halfbroer Ali Muhsen Saleh Al-Ahmar, brigadier-generaal van een pantserdivisie die de hoofdstad beschermt. De generaal staat bekend als een bekwaam organisator die op goede voet staat met de fundamentalistische Islah-beweging, met radicale wapensmokkelende sjeiks en zelfs met sommige Al-Kaidaleden; een deskundige in Jemen meent zelfs dat Ali Muhsen van tevoren wist van de aanslag op de USS Cole. De Amerikaanse druk na 11 september was echter zo sterk dat zowel Ali Muhsen als Saleh voelde dat ze geen andere keuze hadden dan zich voorlopig te schikken naar president Bush. In ruil hebben de Amerikanen een overeenkomst gesloten met deze vroegere 'slechterik': er wordt gezegd dat zijn regiment een deel krijgt van het militaire hulppakket van de VS. Het is goed mogelijk dat Ali Muhsen na Saleh de belangrijkste persoon in Jemen is. Zijn banden met de radicalen zullen voor Saleh van cruciaal belang zijn als hij zich ooit snel en geloofwaardig van Washington moet distantiëren.

In de Hoorn van Afrika, op 45 minuten vliegen van Jemen, voorbij de Straat van Bab el Mandeb (de Poort der Klachten) in de Rode Zee, ligt het pas onafhankelijke, slaperig kalme en opmerkelijk stabiele Eritrea. Eritrea heeft nogal bits gereageerd op de westerse propaganda voor democratie, vrije markt, militaire demobilisatie en het verzoenen van etnische vijandigheden. Het land heeft een in de ontwikkelingswereld, en zeker in Afrika, benijdenswaardige sociale discipline en efficiëntie bereikt, en dat zonder dwang. Het heeft dat voor elkaar gekregen door het westerse advies over democratie te negeren, door een soms obsessieve afkeer van zijn buren te ontwikkelen en door zijn enorme leger, opgebouwd tijdens een dertigjarig conflict met Ethiopië, niet te demobiliseren, tenzij de soldaten een baan kunnen vinden.

Terwijl de straten en winkels van Jemen bezaaid zijn met foto's van president Saleh (wiens persoonlijkheidscultus nog mild is vergeleken met die van andere Arabische en Afrikaanse leiders) zie je nooit zulke foto's van de Eritrese president Isaias Afewerki, de grondlegger van dit land. Tientallen jaren leidde Afewerki een guerrillabeweging die zich uiteindelijk, in 1991, onafhankelijk vocht van Ethiopië. 'Foto's van mij zouden een sfeer creëren van geheimzinnigheid en afstand van het volk', vertelde hij me in december. 'De afwezigheid van foto's maakt je vrij. Ik heb een hekel aan hoge muren en bewapende lijfwachten.' Terwijl andere leiders in de regio leven in afschrikwekkende militaire vestingen, woont Afewerki in een bescheiden buitenwijkachtig huis en ligt het kantoor waar hij zijn bezoekers ontvangt aan het eind van een heel gewone galerij. In de hoofdstad verplaatst hij zich in een four-wheel drive, waar hij naast de bestuurder zit, slechts begeleid door één auto; ze stoppen voor het rode licht. Westerse diplomaten hebben hem zien opgaan in een grote menigte Eritreeërs, zonder enige veiligheidsmaatregel. 'Je kunt hem gemakkelijk een kogel door het lijf jagen', zegt een buitenlandse diplomaat, 'en dat weet hij'.

De veiligheid die in Sanaa - en overal elders in het Midden-Oosten - de westerse diplomatie en ontwikkelingshulp handenvol geld kost, is in Asmara, de hoofdstad van Eritrea, nauwelijks een punt. Ondanks zijn afgetakelde gevels is Asmara niet alleen een van de schoonste hoofdsteden van Afrika, maar waarschijnlijk ook de enige hoofdstad ten zuiden van de Sahara waar je je auto onafgesloten kunt achterlaten en op elk uur van de dag kunt rondzwerven door de straten en steegjes zonder bang te hoeven zijn beroofd te worden. Amerikaanse, Israëlische en andere diplomaten en medewerkers van hulporganisaties bewegen zich vrij door het land, zonder lijfwachten of andere begeleiders.

Terwijl Eritrea hopeloos arm is en geteisterd wordt door droogte, en driekwart van zijn 3,5 miljoen inwoners analfabeet is, bestaat er toch een opmerkelijk functionele sociale orde. Vrouwen leiden winkels, restaurants en hotels; gehandicapten hebben gloednieuwe krukken en rolstoelen; mensen rijden voorzichtig en nemen zelfs rijles; bij elke aankoop krijg je een kwitantie; de elektriciteit valt zelden uit door slecht onderhoud. Buitenlandse diplomaten in Asmara roemen de afwezigheid van corruptie en de effectieve invoering van hulpprojecten. Terwijl de plattelandsziekenhuizen in een groot deel van Afrika lege schappen hebben en onverklaarde voorraadtekorten, houden de ziekenhuismanagers in Eritrea precies bij waar de geneesmiddelen naar toe gaan.

Een enorm visbedrijf bij de haven van Massawa getuigt van het vermogen van Eritrea om gebruik te maken van buitenlandse hulp en kennis. Het haalt zout water uit de Rode Zee, zuivert het en gebruikt het voor het kweken van garnalen in lange rijen cementen tanks. Het voedselrijke afval van dat proces wordt gebruikt voor het kweken van tilapia, een zoetwatervis. Het overblijvende afvalwater wordt gepompt in asperge- en mangrovevelden en in kunstmatig aangelegde moerasgebieden. Hoewel de hele onderneming aanvankelijk onder toezicht stond van een Amerikaans bedrijf en een tijdlang een Israëlische deskundige in dienst had, doen de Eritreeërs het nu helemaal zelf.

Dat initiatief en die groepsdiscipline zijn het resultaat van een bijna maoïstische mobilisatiegraad en een bijna Albanese xenofobie - maar zonder de gigantische onderdrukking en ideologische indoctrinatie van het vroegere China en Albanië. De xenofobie en het organisatietalent van de Eritreeërs zijn, zoals ze nooit moe worden te vertellen, meer het gevolg van cultuur en historische ervaring dan van politieke keuzes. Eritrea heeft nooit feodale structuren, sjeiks of krijgsheren gekend. De dorpen werden meestal bestuurd door raden van oudsten. 'Het was geen samenleving met eerbied voor individueel gezag', zegt Yemane Ghebre Meskel, hoofd van president Afewerki's ministerie, 'dus we hadden geen marxistische ideologie nodig om een sterke collectiviteit te bereiken.'

Zelfvertrouwen, collectiviteit en overleving worden krachtig gesymboliseerd door een monument in het centrum van Asmara. Hier wordt niet een individu gehuldigd of een abstracte guerrillastrijder, maar een reusachtig paar sandalen. Die sandalen droegen de Eritrese strijders in de lange oorlog met Ethiopië. Ze zijn zelfgefabriceerd uit rubberbanden en stelden de strijders in staat zich snel te verplaatsen in het woes tijnachtige oorlogsgebied. Het monument laat zien welke mythische proporties het conflict met Ethiopië heeft aangenomen in de verbeelding van de Eritreeërs; het is in de plaats gekomen van religie, in een samenleving die voor de helft islamitisch en voor de andere helft orthodox-christelijk is. Een indrukwekkende prestatie op een continent waar moslims en christenen steeds vijandiger tegenover elkaar komen te staan.

Het gelouterde nationale saamhorigheidsgevoel van Eritrea is deels een erfenis van het Italiaanse kolonialisme. 'Wij erkennen dat de erfenis van het kolonialisme niet alleen maar negatief is', zegt Yemane Ghebreab, politiek adviseur van het Volksfront voor Democratie en Rechtvaardigheid - de opvolger van de vroegere guerrillabeweging: het Bevrijdingsfront van het Eritrese Volk. De Italianen, die Eritrea aan het einde van de negentiende eeuw veroverden, hadden eind jaren dertig van de twintigste eeuw hun kolonie al getransformeerd tot een van de sterkst geïndustrialiseerde gebieden van Afrika, met een netwerk van wegen en spoorwegen, dat een volk samenbond dat voorheen was opgesplitst door bergen en woestijnen. Als je van Asmara naar Massawa rijdt - een steile afdaling langs de ineengestrengelde wervels van kopergroene bergtoppen, over een weg met eindeloze kronkelingen, bruggen en stenen afscheidingen, midden jaren dertig aangelegd door Mussolini en in een voortreffelijke staat gehouden door de Eritrese wegenbouwers die zeven dagen per week werken - ervaar je de historische energie waarmee het geïndustrialiseerde Westen met succes is overgeplant naar een Afrikaanse natie.

Volgens Ghebre Meskel had het Italiaanse kolonialisme nog een ander voordeel, namelijk stadsplanning. In plaats van alles te concentreren in Asmara, legden de Italianen Massawa en andere steden zo aan dat de overmatige centralisatie die andere ontwikkelingslanden kenmerkt, werd voorkomen. Om migratie naar Asmara tegen te houden en deze erfenis te behouden, heeft de Eritrese regering geprobeerd het leven op het platteland te verbeteren; daardoor wordt Asmara niet omringd door krottenwijken die een voedingsbodem kunnen zijn voor politiek extremisme.

Na de nederlaag van fascistisch Italië in de Tweede Wereldoorlog en de ontbinding van zijn Oost-Afrikaanse rijk, besloten de Verenigde Naties om Eritrea te incorporeren in Ethiopië. De Eritreeërs, die hier niet gelukkig mee waren, kwamen uiteindelijk in 1961 in opstand. Dertien jaar lang vochten de Eritrese guerrilla's tegen een Ethiopië dat werd gesteund door de Verenigde Staten. Toen in 1974 de Ethiopische keizer Haile Selassie ten val werd gebracht, wat leidde tot een marxistisch regiem onder Mengistu Haile Mariam, vochten de Eritrese guerrilla's door tegen een door de Sovjet-Unie gesteund Ethiopië. Hoewel ze in staat bleken een door de sovjets gevoede oorlogsmachine te weerstaan, kregen de onafhankelijke Eritreeërs geen steun onder de vlag van de Reagan-doctrine (een VS-programma om anticommunistische opstandelingen in de Derde Wereld te bewapenen). Toch slaagden ze erin om Mengistu in 1991 te verslaan en Eritrese tanks rolden triomfantelijk de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba binnen. Volgens de Eritreeërs hadden ze een dertigjarige oorlog gewonnen van een staat die tien keer zoveel inwoners had, zonder hulp van een van de twee supermachten of van wie dan ook in de buitenwereld. Nu hebben ze het gevoel dat ze niemand iets schuldig zijn en voor de internationale opinie voelen ze slechts verachting.

In 1996, na lange vergaderingen op gemeenteniveau, ontwierpen de Eritreeërs een grondwet die volgens een buitenlandse diplomaat 'onberispelijk' was. Maar in 1998 brak een tweede oorlog met Ethiopië uit en de grondwet is nooit ingevoerd. Die oorlog duurde tot het jaar 2000 en kostte volgens sommige schattingen aan 19 000 Eritreeërs en 60 000 Ethiopiërs het leven. Tanks en gevechtsvliegtuigen werden ingezet in een woestijnoorlog die deed denken aan de Arabisch-Israëlische oorlogen van 1967 en 1973. Een door tussenkomst van de VS bereikt staakt-het-vuren heeft geresulteerd in de huidige demarcatie van het betwiste grensgebied onder toezicht van de VN.

Vanaf deze laatste oorlog hebben dezelfde koppigheid en sociale discipline die Eritrea tot een hoogst beschaafde samenleving maken - wat westerse journalisten en politici maar zelden opmerken - het land ook tot een paria gemaakt in Europa en de VS - en om goede redenen. In 2001 werden nationale verkiezingen voor onbepaalde tijd uitgesteld.

Veel verontrustender is echter dat in Eritrea de persvrijheid zwaarder wordt onderdrukt dan elders in Afrika. En bij een uitgebreid overheidsoptreden tegen politieke dissidenten zijn elf hoge ambtenaren, negen journalisten, verscheidene zakenlieden en twee Eritreeërs die werkten voor de politieke en economische afdelingen van de Amerikaanse ambassade gearresteerd; ze worden nog steeds, zonder aanklacht, vastgehouden. Bovendien moeten jonge mannen en vrouwen, als onderdeel van een campagne van nationale mobilisatie, een militaire of sociale dienstplicht van achttien maanden vervullen; in principe een goed idee, maar ze worden vaak veel langer vastgehouden, zonder waarborg van een einddatum. Dit alles, én de politieke onderdrukking en het buitengewoon trage tempo van de economische hervormingen, zet jonge mensen ertoe aan het land te verlaten. De steeds ontevredener gemeenschap van Eritreeërs in het buitenland heeft geweigerd om substantieel te investeren in Eritrea voordat een liberalisering heeft plaatsgevonden.

'We vragen helemaal niet zoveel', zei een buitenlandse diplomaat. 'Ze hoeven niet eens verkiezingen te houden. Als ze maar een soort Chinese hervormingen van de economie wilden doorvoeren, zou het hier, net zoals in Singapore, binnen de kortste keren tot bloei kunnen komen, gezien de sterke sociale controle en de kleine bevolking.' Maar verscheidene diplomaten erkennen dat het patriottisme hier zo sterk is, behalve onder de stedelijke elite in Asmara, dat ze geen wijdverbreid onbehagen met het re gime bespeuren. 'De verandering moet van bovenaf komen', zegt een buitenlander. 'het is niet helemaal onmogelijk dat we morgenvroeg wakker worden en ontdekken dat president Afewerki er niet meer is.' Een andere buitenlandse expert zegt dat hij de president nog niet heeft opgegeven, maar als 2003 voorbijgaat zonder enige politieke en economische hervormingen, zal hij Afewerki gaan rekenen tot de gelederen van botte Afrikaanse dictators.

In 1986 had ik mijn eerste interview met Afewerki, in een grot in het noorden van Eri trea, tijdens de oorlog met Ethiopië. Die ontmoeting was gepland om tien uur 's ochtends - en precies om tien uurkwam hij binnen en zei: 'U wilt mij wat vragen?' Hij is niet veranderd. Ook nu is hij stipt op tijd en hij praat even kortaf en gereserveerd, met hetzelfde schuwe ascetisme. Hij is meer dan twee uur aan het woord en toont zich bij vlagen een koele analyticus - wat scherp contrasteert met het loze gepreek van veel Arabische en Afrikaanse politici. Afewerki is waarschijnlijk de intellectueel interessantste politicus in de geschiedenis van postkoloniaal Afrika.

'Alles wat we hebben bereikt, hebben we zelf gedaan', zegt hij. 'Maar we hebben de sociale discipline nog niet geïnstitutionaliseerd, waardoor de mogelijkheid van sociale chaos nog steeds aanwezig is. Je moet bedenken dat we hier negen talen en twee religies hebben. In Afrika is niemand erin geslaagd een westers politiek stelsel te kopiëren, en het Westen heeft er zelf honderden jaren over gedaan dat te ontwikkelen. In heel Afrika heb je ofwel politiek ofwel crimineel geweld. Daarom zull

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden