Jeffrey Tate neemt te laat Bruckner-revanche

Zaterdag 18 en zondagmiddag 19 september is het laatste programma van Jeffrey Tate in Rotterdam, met Berlioz, von Weber, Franck en Dukas en de solisten Rivka Golani (altviool) en Ivo Janssen (piano). In het Historisch Museum Schielandhuis is t/m 16 januari een tentoonstelling ingericht over het jubilerende RPhO.

Zoals ook aan het eind van het vorige seizoen liet hij zich donderdagavond in De Doelen van zijn beste kant horen. Alsof het met de relatie tussen hem en het orkest, die in de afgelopen twee jaren zeer wisselende resultaten heeft opgeleverd, op de valreep toch nog goed is gekomen. Of beide partijen doen extra hun best om wrange gevoelens aan het eind van de rit geen kans meer te geven.

Een van de redenen waarom Tate indertijd geinteresseerd was in deze verbintenis, was de mogelijkheid om met een uitstekend continentaal orkest het grote Europese repertoire te doen, met name Bruckner. Uitvoeringen van diens zesde en negende symfonie kwamen niet boven de middelmaat uit, maar nu maakte hij met de tweede symfonie beslist een heel positieve indruk.

Tate houdt wel van een wat stevig tempo in Bruckner, wat eerder nogal eens onrustig werkte. Het korte Scherzo knalde er ook nu pittig uit, maar dat gaf dit deel juist precies zijn functie van prikkelend uitstapje tussen breed ademende melodieen.

Dat Bruckneriaanse brede wist Tate overigens even goed te treffen. Hij straalde meer rust en overwicht uit dan ooit in dit repertoire, met voldoende aandacht voor de generale pauzes, groot begrip voor de zangerigheid van de melodische stromingen in de strijkers, mooie accenten in de blazers en een scherpe attaque aan het eind van elk deel. De celli liet hij wondermooi zingen, de koperblazers klonken wat erg scherp en heftig, maar dat paste in dit geheel. In goed klankevenwicht, mooi gevoel voor details en voor grote lijnen was dit een onverwacht spannende Bruckner.

Ook op de orkestpartij van Beethovens vierde pianoconcert - van begeleiding kun je hier niet echt spreken - viel eigenlijk weinig aan te merken, maar hier was het de solist die enig roet in het eten gooide. De jonge Duitser Lars Vogt heeft elders al veel indruk gemaakt, maar in zijn Nederlandse debuut zat hij kennelijk niet lekker in zijn vel. Hij kan het heus wel, is ook zeker heel wat meer dan een doorsnee muzikale persoonlijkheid, maar wat hem nu bezielde, werd mij niet duidelijk. Hij had prachtige momenten waarin hij ook goed contact had met het orkest, maar er zat ook zoveel onrust in zijn spel, met echte fouten als gevolg, dat van een evenwichtige uitvoering geen sprake was. Misschien waren het de zenuwen, maar er leek ook een bepaalde opvatting uit te spreken die tegenstrijdig was met die van Tate.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden