Jeen van den Berg rijdt nooit meer een Elfstedentocht

LEEUWARDEN - Acht maanden geleden, op die gedenkwaardige vierde januari, was Leeuwarden één deinende zee van mensen, bussen en auto's. Met alle parkeerproblemen vandien. Vandaar dat ik het deze keer slim aanpak en de route zorgvuldig uitstippel. Via een omweg vanuit het noorden naar het centrum van de Friese hoofdstad, en dan maar zien hoe ver ik kom.

NICOLIEN VAN DOORN

Ik kom heel ver. Volgens de kaart moet de finish onderhand vlakbij zijn, maar nog steeds gapen er overal lege plekken waar een auto in past. Heb ik me in de dag vergist? Of is de route op het laatste moment verlegd? De brug bij de Wissesdwinger, waar de elfstedenrijders geacht worden te finishen, is uitgestorven. Op twee brugwachters na. Zij halen hun schouders op: “Een Elfstedentocht? Nou nee, daar weten we niets van.”

Op de brug loopt een vrouw met een bos bloemen. Of ik misschien weet waar de elfstedenrijders straks aankomen? Samen gaan we op zoek. En ja hoor, na enige speurwerk vinden we het: een straatje, een grasveldje, een parkeerplaatsje, een spandoek, een draaiorgel en een handjevol mensen. Voor het merendeel vrouwen, moeders en kinderen van de mannen die zich volgens de laatste berichten ergens bij Bartlehiem bevinden. “Het zal mij benieuwen of mijn man nog meerijdt”, zegt mevrouw Andringa uit Hallum. “Grote kans dat hij in de bezemwagen zit, want echt getraind heeft hij niet.”

Het publiek blijft toestromen. Het straatje is snel vol met de ongeveer honderd familieleden en belangstellenden. Aan de plastic zakjes brood en de pakjes frisdrank die ze bij zich hebben is te zien dat ze ervaring hebben met dit soort evenementen. Want een koek en zopie is nergens te bekennen.

De spanning stijgt, de fototoestellen en videocamera's worden in gereedheid gebracht. En dan, precies op de afgesproken tijd, komen er drie motoren en een geluidswagen de hoek om. Vanaf de vroege ochtend hebben zij voorop gereden en voor het peloton een weg gebaand door Leeuwarden, Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindeloopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker, Dokkum en nogmaals Leeuwarden. “De motormuizen hebben alles vastgezet, zodat de groep veilig door het verkeer heen kon”, vertelt een organisatrice. “Dat kan alleen in Friesland”, voegt ze er veelbetekenend aan toe.

Achter de geluidswagen rijdt een kleurige stoet schaatspakken op vijf wieltjes. Hoewel skeeleren zwaarder heet te zijn dan schaatsen, zien ze er alle 196 nog opvallend fris uit. Niemand is afgepeigerd, niemand is uitgewoond, niemand laat zich bovenop de finishlijn vallen. Eén van de rijders toont hoe fit hij nog is door met zijn skeelers danspassen te maken op de maat van de draaiorgelmuziek. Nee, de heroïek is ver te zoeken. De ontvangst van de helden is al even weinig heroïsch: een omhelzing, een zoen en dat was het dan.

Degenen die het hebben gehaald vervoegen zich bij Henk Kroes, voorzitter van de Vereniging De Friesche Elf Steden en ingehuurd om stempels uit te delen. Rinze Andringa uit Hallum krijgt zijn laatste stempel. Een stempel is er ook voor de man die het acht maanden eerder net niet haalde. “De vorige keer was ik één minuut te laat, maar nu wil ik hem hebben”, laat hij Kroes weten. Het klinkt bijna dreigend.

Ook Jeen van den Berg heeft het gehaald. De 69-jarige Heerenvener, die meer dan vijftig jaar geleden zijn eerste 'echte' Elfstedentocht reed en hem in 1954 won, heeft het zwaar gehad. Bij Bartlehiem is hij zelfs onderuit gegaan. “Er liep een man de weg op om een foto van ons te maken. Toen hij klaar was rende hij de stoep weer op, maar in zijn haast verloor hij zijn slippers. Die bleven midden op de weg liggen en ja, daar viel ik dus over.” Hij heeft er een pleister op zijn duim aan overgehouden. “Dat is niet het ergste”, zegt hij. “Het ergste is dat je uit je ritme bent en dat het even duurt voordat je dat weer te pakken hebt.”

Afgezien van de regen in de vroege ochtend en een slecht wegdek bij Bartlehiem zijn de skeelerrijders (skeeleraars? skeeleneurs? skeelers?) geen noemenswaardige problemen tegengekomen. Toch vonden de meesten het een zware tocht: “'s Ochtends waren er door de gladheid wat valpartijen en bij Bartlehiem moesten we vier kilometer omrijden omdat er split op het asfalt lag”, vertellen Klaas Tippe en Jan Harke uit Staphorst. En Jeen van den Berg weet één ding zeker: dit was eens maar nooit weer. Als de speaker hem uitnodigt om iets over de tocht te vertellen, spreekt hij bewondering uit voor de doordouwers die hem hebben uitgereden. “Iedereen die het heeft gehaald heeft iets grandioos gepresteerd. Zeker als je bedenkt dat er ook veel buitenlanders meededen”, voegt de rasechte Fries er pesterig aan toe.

Als ervaren skeelerrijder - vorige week deed hij nog mee aan het open Nederlands kampioenschap - wist Van den Berg bij voorbaat dat de 200 kilometer lange tocht zwaar zou worden. Bijna tegen beter weten in heeft hij zich door organisator Piet Kamstra laten overhalen om mee te doen. “Piet zei dat het mooi zou zijn als ik van de partij zou zijn, omdat dat goed is voor de propaganda. En daar had hij gelijk in, want ik sta nu met Trouw te praten. Maar toch doe ik het nooit meer”, zegt de man die al sinds 1960 verkondigt dat hij aan het afbouwen is. “Ja, maar nu meen ik het echt. Mijn vrouw zei gelijk al: ben je nou helemaal bedonderd om daaraan mee te doen? Maar ik wou het nog één keer doen en ik ben blij dat ik het heb gehaald. Ik hoorde dat er 45 uitvallers zijn, dat is een hoog percentage. Des te meer respect heb ik voor de mensen die hem hebben uitgereden.”

Voorsprong

Het skeeleren - niet te verwarren met het stuntwerk op vierwielige skates - kwam in het begin van de jaren tachtig op. Marathon- en langebaanschaatsers deden het om zich op het winterseizoen voor te bereiden. Door hun ervaring met schaatsen hadden de Nederlanders aanvankelijk een grote voorsprong op de rest van de wereld: op het WK van vijf jaar geleden weren drie gouden, vier zilveren en een bronzen medaille gehaald. De vreugde was echter van korte duur: twee jaar later hadden landen als de Verenigde Staten, Australië, Colombia, Italië en Frankrijk hun achterstand op Nederland weggewerkt.

Dit jaar had Nederland zelfs op Europees niveau niets meer in te brengen. Tijdens de Europese titelstrijd gingen alle medailles naar de Italianen en Fransen, die het skeeleren professioneel aanpakken. Skeeleren op topniveau is een specialisme geworden en niet langer, zoals in Nederland, een ideale voorbereiding op het veel interessantere schaatsseizoen.

Of ons land ooit aansluiting krijgt met de internationale top hangt af van jeugdige talenten als Mark Tuitert, Arjan Smit, Marcel Oosten en John van Dijk, die zich geheel op het skeeleren toeleggen. Van marathonschaatsers als Erik Hulzebosch, René Ruitenberg, Haico Bouma en Edward Hagen moet de skeelertop het allang niet meer hebben. Zij hebben hooguit nut als publiekstrekker.

Net als Jeen van den Berg: zijn deelname aan de vierde Elfstedentocht op wielen heeft anderen gestimuleerd om zich in te schrijven. Tevreden stelt Van den Berg vast dat het aantal deelnemers vergeleken met vorig jaar meer dan verdubbeld is. “Vorig jaar waren er 109 en nu 241. Al komt dat natuurlijk ook omdat we net weer een Elfstedentocht op ijs hebben gehad. Veel mensen die daar niet aan mee konden doen, nemen nu hun kans waar.”

Hij is uitgepraat. Moe en uitgepraat. Hij gaat naar huis. Geeft niet, er zijn nog 195 rijders over, die vast ook wel een interessant verhaal te vertellen hebben. Ik kijk om me heen: wie zal ik aanschieten? En weer blijkt dat de Elfstedentocht op wielen niet te vergelijken is met die op ijs. Het straatje, het grasveldje en het parkeerplaatsje zijn uitgestorven. Op drie mannen na. Twee vouwen het spandoek op. De derde hoort bij het draaiorgel, dat verder speelt alsof er niets is gebeurd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden